In de Soete Naem Jezus

Jean-Jacques Tamba (78), een zwarte Belg in Antwerpen.

Jan Antonissen · De Morgen November 27, 2018

Jean-Jacques Tamba heeft voor het gesprek informatie meegebracht naar het café van de Permekebibliotheek in Antwerpen. Aan de hand van authentieke documenten zal hij staven dat hij niet uit zijn nek kletst over zijn bewogen leven in Afrika en Europa. Hij diept een brochure van Canvas op. “Hierin staat dat ik in mijn jeugd een boy was. Dat klopt niet: ik deed het werk van een boy als vakantiejob, om een centje bij te verdienen. Ik heb twee maanden voor madame Delbeke als moke gewerkt.”

Moke?

“Je had vier categorieën van boys: boys die strijkten, boys die kookten, boys die kleren wasten, en ten slotte de boys moke. De boy moke was de laagste in rang. Wij waren de kazakkendragers van madame. Als madame inkopen deed, droegen wij haar zakken. Af en toe speelden we ook met haar kinderen. We deden de kleinste jobs. Maar eerlijk gezegd: ik was daar niet zo goed in, ik was niet gedisciplineerd. En madame heeft mij buitengesjot.

“Daarna heb ik als loopjongen gewerkt. Brieven van het ene kantoor in Boma naar het andere brengen. Dat ging sneller dan met de post.”

Wat voor stad was Boma in Beneden-Congo?

“Boma was de vroegere hoofdstad van Belgisch-Congo, vóór Leopoldstad (het huidige Kinshasa, red.). Een stad aan de rechteroever van de Congostroom, met twintigduizend inwoners. De Bayombe waren de grootste stam. Mijn vader was een Bayombe.”

Uw vader was waaier van beroep. Wat betekende dat precies?

“Hij wuifde met een palmtak de blanke man koelte toe. Maar hij was ook een drager: hij droeg, samen met drie anderen, de blanke man in een stoel rond. Hij was een sterke man.”

Deed hij dat graag?

“Hij deed het voor de kost.”

Vernederend, toch?

“Dat vinden wij nu. Vroeger beseften we niet dat het vernederend was. Mijn vader heeft vóór de onafhankelijkheid nooit gezegd dat de blanke man hem mishandelde, het is hem pas later gaan dagen. Uiteindelijk is hij chauffeur bij de nonnen geworden, dat was beter.”

Hij heeft u wel laten studeren.

‘In Boma kent niemand me nog, in Antwerpen ben ik thuis.’

“Ook een gevolg van het koloniale systeem: als je niet studeerde, kwam je terecht in de categorie van de ouvriers, de arbeiders. Mijn vader, een ongeletterde man, wilde dat zijn kinderen een goede baan zouden hebben. In Congo zijn kinderen nog altijd de bank, begrijpt u? Zij zijn de sociale zekerheid van de ouders. Kinderen met een goede job kunnen hun ouders helpen als ze een dagje ouder zijn.

“Ik weet niet hoeveel mijn vader verdiende. Veel was het ongetwijfeld niet, want we hebben thuis honger geleden, maar ik heb het nooit durven te vragen. Kinderen in Congo hadden het recht niet vragen te stellen aan hun ouders. De ouders beslisten waarover ze spraken. Zij waren wijs.”

Naar welke school ging u in Boma?

‘De Belgen wilden zwarte Belgen van ons maken, maar ook weer niet helemaal’

“De kolonieschool, een instelling van de Broeders van de Christelijke Scholen. Die had een uitstekende reputatie: de elite die na de onafhankelijkheid aan de macht kwam, was daar grotendeels gevormd. Maar je mocht van de broeders alleen binnen als je katholiek was. Mijn vader was protestant, en mijn grootvader langs moederszijde een dominee – een zwarte dominee die kon lezen en schrijven, net als mijn moeder. Maar er was geen discussie mogelijk: wij moesten bekeerd worden.”

Bent u op latere leeftijd gedoopt?

“Jazeker, in de kerk, met een pater die water over mijn hoofd goot. Ik moest me voor de gelegenheid zelfs kaal laten scheren. Een kroezelkop kon niet gedoopt worden: het water zou niet doordringen tot zijn hoofd.”

Gingen blank en zwart samen naar school?

(verontwaardigd) “Blank en zwart samen? Dat was áltijd apart, net als jongens en meisjes. Wij hadden geen contact met blanken op school, tenzij met de paters en de broeders. Zij waren het die ons in het middelbaar opvoedden.”

Met de bedoeling évolués van jullie te maken?

(knikt) “Een évolué was de beter ontwikkelde zwarte, een kopie van de blanke man. De Belgen wilden zwarte Belgen van ons maken, maar ook weer niet helemaal. Na het middelbaar stopte het onderwijs voor ons. De universiteit was voorbehouden voor blanken en een enkel zwart kind van évolués.”

Hoelang bent u naar school gegaan?

“Ik heb tien jaar op de kolonieschool gezeten, van 1946 tot 1956. Zes jaar lagere school en vier jaar middelbaar, maar ik moest twee jaar zittenblijven. Ik studeerde goed, maar ik was telkens gebuisd voor discipline. Ik was een zot manneke, een ADHD-kindje, maar dat kende men vroeger niet. Men wilde van ons emporte-pièces maken: iedereen moest hetzelfde zijn.”

Bent u dikwijls gestraft?

“Ja, de zweep ging er geregeld over. Soms waren we bang om naar school te gaan: ‘Wat staat ons vandaag weer te wachten?’ Het waren niet de broeders die ons sloegen, ze rekruteerden struise jongens onder de laatstejaars die de zweep hanteerden. Slaan was de enige manier om ons, onmogelijke kindjes, op te voeden.”

Sloegen ze op uw rug?

“Op mijn kont. Maar ik kan u verzekeren: het deed pijn, veel pijn. Meestal ging het zo: je kwam een kamer binnen waar drie struise jongens je opwachtten, samen met de inspecteur. De inspecteur schreeuwde de bevelen: ‘Broek af! Kleren uit!’ Daarna grepen twee jongens je vast, de ene bij je polsen, en de andere bij je enkels. Ze tilden je op en daar hing je dan te wachten op de slagen, trillend en bevend over je hele lichaam. Tegelijk spande je je spieren op om de slagen zo goed mogelijk op te vangen. Maar de inspecteur legde zijn hand op je kont en riep: ‘Ontspan u!’ Dan volgden de zweepslagen: drie, op voorwaarde dat je het niet uitschreeuwde van de pijn. Anders begonnen ze opnieuw te tellen. Op drie lieten ze je los: je knalde tegen de grond, maar je mocht geen kik geven. In zeven haasten raapte je je kleren bijeen, je rende de kamer uit en schreeuwde het daar uit van de pijn. Daar mocht het wel.” (lacht)

‘Ze tilden je op en daar hing je dan te wachten op de slagen, trillend en bevend over je hele lichaam’

U lacht, maar zo grappig is het niet.

“Je kunt zo’n verhaal niet vertellen zonder humor, anders ben je vandaag nog altijd gefrustreerd. Je kon de kolonialen niet tegenspreken. Je moest doen wat ze van je verlangden, zeker op zo’n goede school.”

U ging daar behoorlijk ver in mee: u bent nog van plan geweest missionaris te worden.

‘Natúúrlijk wilden we missionaris worden: alles was beter dan honger lijden’

“Wij werden daarin aangemoedigd: je moest proberen zo’n goede christen te worden dat je een roeping had. Seminaristen hadden een mooi leven. Ze gingen op internaat en ze werden goed gesoigneerd. Natúúrlijk wilden we missionaris worden: alles was beter dan honger lijden. Maar de directeur, die me kende als een deugniet, viel bijna van zijn stoel toen ik in het tweede middelbaar zei dat ik een roeping had. Hij geloofde me niet. Dat jaar ben ik van de school gegooid. Broeder Rudolf, een jongeman die in Belgisch-Congo was komen lesgeven in plaats van zijn legerdienst te vervullen, kon ons niet de baas. Hij heeft de directeur voor de keuze geplaatst: ‘Stuur me terug naar België of zet die mannekes aan de deur.’

“Enkele maanden later heb ik me via het ingangsexamen aangemeld bij de beroepsschool in Boma. Het was spotgemakkelijk voor mij, ik was bij de beste vijf. En het toeval wil dat de basis van de marine even verderop in Banana lag, een uithoek in het zuidwesten van Congo. De marine rekruteerde de beste leerlingen van de beroepsschool voor hun opleiding tot officier. Ik was één van hen. Ze hebben ons een contract voor acht jaar laten tekenen. In ruil kregen wij logies, eten, onderwijs en zelfs zakgeld. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik geld op zak had!_ C’était une vie en rose_.

“Enkele dagen na de eindexamens in Banana vernamen we dat in Leopoldstad de onafhankelijkheid was uitgeroepen. We waren blij, al hadden we er in Beneden-Congo weinig van gemerkt. Ik vraag me nog altijd af waar die mannen in 1960 het lef vandaan gehaald hebben om het tegen het koloniale systeem op te nemen.”

Is Patrice Lumumba, de eerste premier van het onafhankelijke Congo, een held voor u?

“Hij had in elk geval de ballen om een toespraak te houden in het bijzijn van koning Boudewijn, waarin hij vertelde hoe het er werkelijk aan toeging in de kolonie. Dat was formidabel. Maar ik vraag me af of Lumumba, als hij niet vermoord was, het beter gedaan zou hebben dan degenen die in leven gebleven zijn, zoals Kasavubu, Mobutu en Kabila. Eerlijk gezegd, ik heb mijn twijfels. Maar hij is vroeg gestorven, en dus is hij een held.”

Feest in Rio

U bent net na de onafhankelijkheid naar België gekomen.

“In de jury van mijn eindexamen zat een man van de Compagnie Maritime Belge (CMB). Na de onafhankelijkheid was er veel onzekerheid: we gingen ervan uit dat onze marinebasis zou sluiten. En die man liet me weten dat ik, als officier van de lange omvaart, bij de CMB kon beginnen. (Haalt zijn zeemansboekje boven) Voilà, hier zie je het: mijn eerste vaart ging naar Leopoldstad. Maar het meest voer ik over en weer tussen Matadi en Antwerpen.

“Ik was officier van de machineruimte, maar de zwarte matrozen vonden het lastig om mij te gehoorzamen. Ze kenden dat niet, een Congolese officier. En ik was amper 20. Ik moest alle trucs van de diplomatie aanwenden om die ouwe papa’s te laten doen wat ik wilde: ‘Wil je misschien even, als je vijf minuten tijd hebt, die plek schoonmaken?’ Als de eerste de beste onnozele blanke assistent hetzelfde vroeg, deden ze dat zonder tegenstribbelen.

“Ik heb nooit op een Congolees schip gevaren, maar altijd onder Belgische vlag. Een zwarte kon nooit het bevel voeren op zo’n schip. Onmogelijk. In het beste geval kon je, zoals ik, de tweede of derde in rang worden. Dat frustreerde me, en daarom ben ik na verloop van tijd vertrokken en bij General Motors gaan werken. Maar daar was het precies hetzelfde liedje: iedereen kon promotie maken, behalve een zwarte.”

‘Aan de school van de Belgische marine kregen we logies, eten en zelfs zakgeld. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik geld op zak had!’

In 1965 bent u getrouwd met een Belgische. Dat was niet vanzelfsprekend in die dagen.

“Ik bewonder mijn vrouw dat ze het heeft aangedurfd. Zwarten werden als minderwaardig beschouwd. In Belgisch-Congo mocht een zwarte een blanke vrouw niet aanraken. Deed je het toch, dan vloog je in de gevangenis. Blanke vrouwen waren ook niet vriendelijk voor ons. Zoveel trots, zoveel pretentie. Enfin, ik wil niet veralgemenen, je had ook vriendelijke vrouwen, maar die mochten hun sympathie niet laten zien.

‘Ik vraag me nog altijd af waar die mannen in 1960 het lef vandaan gehaald hebben om het tegen het koloniale systeem op te nemen’

“Ik schrok toen ik merkte hoe blanke vrouwen in België met ons omgingen. Op een dag zat ik in café De Oude Gans in Antwerpen, en alle vrouwen waren aan het dansen. Ik was nog jong en mooi, en die vrouwen maar vragen of ik niet wilde meedoen! Ik antwoordde: ‘Ik mag niet met een blanke vrouw dansen.’ Die vrouwen konden hun oren niet geloven. Eentje, Flor heette ze, zei: ‘Jullie worden in Congo net zo gediscrimineerd als wij in België.’ Dat vond ik wel een mooie vergelijking. Maar een Belgische man mengde zich in de discussie en zei dat ze zich niet moest aanstellen, en met hem moest dansen. Flor gaf hem een mep rond zijn oren. In welk land ben ik nu beland, dacht ik, een vrouw die een man slaat! Dat had ik in Congo niet gezien. En het strafste was dat die kerel daarmee lachte.”

Hoe hebt u uw vrouw leren kennen?

“De Congolese zeelieden hadden een club in Antwerpen, een Congolees zeemanshuis onder toezicht van de paters scheutisten. Daar kwamen meisjes met ons praten. Mijn vrouw, die ook heeft gevaren, kwam daar geregeld. En ik ben nog altijd met haar samen.”

Zeelieden hebben een reputatie als het op vrouwen aankomt.

“Je hebt ook brave zeelieden.”

Was u één van hen?

“Als de boot aanmeerde, nam de koorts bezit van de bijna volledige bemanning. Mannen zouden hun vrouw terugzien, zeiden ze, hun grote liefde. Maar toen ze enkele dagen later vertrokken, was het alweer van: ‘Tot de volgende keer!’ Het hing ook af van welke haven je aandeed. In sommige havens viel werkelijk niets te beleven. Bestemmingen in de Perzische Golf waren niet geliefd: daar had je geen vrouwen, en daar dronk je cola in plaats van bier. Maar in Afrika of in Rio was het altijd feest. Indertijd bleven schepen nog twee weken in de haven liggen. Dat was veertien dagen ambiance. In veel havensteden lopen buitenechtelijke kinderen van zeelieden rond.”

Hebt u er ook?

“Ik denk het niet, ik was braaf – de invloed van de kolonisatie. Op school hadden we geleerd voorzichtig te zijn. Je had nog geen voorbehoedsmiddelen, hè: je mocht slapen met een vrouw, maar als ze zwanger was, werd je van school gegooid.”

‘Mijn vrouw kreeg nog meer kritiek dan ik: ‘Woar hedde gij diejen opgeschaard?’’

Alle remmen los

Hebt u in België veel weerstand ontmoet omdat u een Belgische vrouw had?

“Het was niet vanzelfsprekend. Op een bepaald moment kregen haar ouders de politie over de vloer: ‘Weet u dat uw dochter een relatie heeft met een zwarte?’ Gelukkig was ze een sterke vrouw. Onderschat niet onder welke druk zij stond: ze kreeg nog meer kritiek dan ik._ (In het plat Antwerps) ‘Woar hedde gij diejen opgeschaard?’ _Dat soort opmerkingen waren normaal, maar zij sprak er zelden over. Zij wilde mij er niet mee belasten. Ik had het al zwaar genoeg, vond ze.

“Bij General Motors zat ik vast: ik kon mijn best doen zoveel als ik wilde, ik maakte geen promotie. Het was flagrant, maar zo was het systeem: een blanke wilde niet onder een zwarte werken. Na acht jaar ben ik opgestapt en ik ben op advies van mijn vrouw met een café begonnen.”

In de Soete Naem Jezus, een legendarisch nachtcafé in Antwerpen.

“Daar ben ik rijk geworden. Rijk van de mensenkennis, bedoel ik. Als ik nu iemand ontmoet, weet ik binnen de drie minuten wat voor vlees ik in de kuip heb. In mijn café kwamen alle soorten mensen over de vloer, het was een café mayonaise. De grootste namen, zoals Romario, Ramses Shaffy, Peter Piot en Marcel Colla, kwamen er ook omdat ze wisten dat er altijd iets te beleven was. De vrouwen die in de bars werkten, kwamen na hun uren naar mijn café. Soms vergaten ze dat ze gestopt waren met werken en gaven ze nog een kleine striptease. Gratis. Dat vond iedereen geweldig, natuurlijk. Voor mij was het, na de harde koloniale periode, een manier om aan de mensen te zeggen: ‘Wees jezelf, amuseer je, leef en laat leven.’

“Op een dag was er een klacht wegens geluidsoverlast. De politie zei: ‘Meneer, u moet uw klanten goed opvoeden.’ – ‘Ben ik nu een opvoeder?’ vroeg ik. ‘De Belgen zijn toch naar Congo gegaan om mij op te voeden?’”

Schrijfster Mieke de Loof, die voor u heeft gewerkt, heeft uw café de universiteit van het leven genoemd.

“Ik heb geweldig personeel gehad, en het klopt wat Mieke zegt: je leerde er de mens kennen zoals hij werkelijk is. De meeste mensen zijn schizofreen. Overdag zijn ze hard aan het werk, maar als ze ’s avonds laat in het café komen, veranderen ze in beesten. Een beest is amusant, maar soms ook agressief.”

U kon, volgens Mieke de Loof, de spanning wegnemen met één welgemikte opmerking.

“Mensen luisterden vroeger nog naar een cafébaas. Toen ik last kreeg met de politie door het drugsgebruik in het café, stuurde ik mijn klanten naar de Groenplaats om daar hun pétards te smoren. Ze deden dat, en daarna keerden ze in opperbeste stemming terug._ (lacht)_

“Ik heb nooit een buitenwipper gehad, ik regelde alles volgens de kunst van de diplomatie. Maar op het einde heb ik toch een vriend gevraagd om een oogje in het zeil te houden. Ik kon niet om met de agressie van sommige nieuwkomers, mensen van achter het IJzeren Gordijn: die sloegen hun glas stuk en gingen elkaar te lijf. (Verontschuldigend) Ik sprak hun taal niet, ik kon niet met hen communiceren.”

Het einde was niet zo mooi. Uw buren klaagden over overlast, ze beweerden dat u uw onstuimige klanten niet meer in bedwang kon houden.

“Ze hadden gelijk: ik had het niet meer onder controle.”

U bent ook vervolgd omdat u een dronken klant niet voldoende had bijgestaan.

“Emile liep van het ene café naar het andere, zonder geld in zijn zakken. Dus wat deed hij als iedereen danste? Dan dronk hij de bollekes leeg: hopla!_ (lacht) Ik moest de mensen dan sussen en een nieuw bolleke geven. Maar ik kon niet kwaad zijn op Milleke. _Milleke était un gentil garçon.

“Op een dag is hij, met zijn glas in de hand, omvergevallen. Ik heb hem aan de deur gezet om hem lucht te doen krijgen. Een buurman heeft daar foto’s van genomen, als bewijs dat ik mijn klanten slecht behandelde. Maar ik heb wel de ambulance gebeld. Ze hebben me veroordeeld omdat ik onvoldoende voor Milleke had gezorgd: zes maanden gevangenis met uitstel en een voorwaardelijke boete.” (blaast)

Deed dat pijn?

‘De tijden zijn veranderd. Mensen zijn minder tolerant, je hebt geen bruine kroegen en nachtcafés meer’

“Je hebt het beste met de mensen voor, en dan word je nog gestraft ook. Maar dat is niet de reden waarom ik ben gestopt. Ik was 65, het was tijd om ermee op te houden. (Zwijgt) De tijden zijn veranderd. Mensen zijn minder tolerant, je hebt geen bruine kroegen en nachtcafés meer. Dat is het gevolg van al die agressie. Mensen zijn bang, ze komen niet meer buiten na middernacht. Terwijl Antwerpen vroeger de stad was die nooit sliep.”

Was het café uw roeping?

“Dat heb ik het liefst gedaan, ja. Daar voelde ik me vrij. Niemand die me zei wat ik wel of niet mocht doen. Mijn vrouw had recht van spreken, maar zij was ook de enige.”

Hield uw vrouw graag café?

“Zij heeft een ander karakter dan ik. Als mensen zich misdroegen, zette ze hen meteen aan de deur. Ik niet. Ik praatte eerst, ik maakte een grapje. Maar zij wond zich op. En op een bepaald moment is ze thuisgebleven: ‘Het is beter dat jij het café alleen openhoudt.’ Dat heb ik de laatste tien jaar ook gedaan.

‘Je hebt geen bruine kroegen en nachtcafés meer. Dat is het gevolg van al die agressie. Mensen zijn bang, ze komen niet meer buiten na middernacht.’

“Neem het van mij aan: als je van plan bent je huwelijk te laten stranden, is er niets beter dan met je vrouw een café te beginnen. Er komen mannen voor je vrouw, en vrouwen voor jou. Je relatie wordt op de proef gesteld. Tegelijk mag je nooit vergeten waar het om gaat: een goede recette. De zaak moet draaien, en dus doe je er alles voor om het de klanten naar de zin te maken. Je bent vriendelijk tegen mensen tegen wie je eigenlijk niet vriendelijk wilt zijn. Je maakt plezier, je placeert zelfs een danske. Als de vrouwen in vorm waren en alle remmen losgooiden, moest ik hen niet tegenhouden, hè. Ik herinner me dat eentje per se de lambada met mij wilde dansen. Ze ging zo hevig tekeer dat ze tegen de grond smakte en haar voet brak.” (lacht)

Had u als cafébaas geen last meer van racisme?

“Racisme zal altijd bestaan, maar dat heeft niet noodzakelijk met je kleur te maken. Eén voorbeeld: vroeger mocht ik niet binnen in de Jimmy’s, een Antwerpse discotheek. Maar een vaste klant van het café, een zwart meisje dat in bars werkte, mocht er dansen wanneer ze maar wilde. Op een keer ben ik haar achternagegaan. ‘Ze is mijn zus’, zei ik tegen de portiers. En ze lieten me door, zonder discussie. Volgens mij had hun deurbeleid te maken met de rivaliteit tussen blanke en zwarte mannen. De blanken waren bang dat wij hun vrouwen zouden afsnoepen. Als broer van dat meisje betekende ik geen gevaar.”

Zwarte burgemeester

Voelen blanke mannen zich inferieur op seksueel vlak?

“Dat is een hardnekkige mythe. Toen ik hier voetbalde, ging iedereen na afloop naakt onder de douche. Iedereen, behalve ik. Ik schaamde me dood, ik durfde me in het bijzijn van al die blanke mannen niet uit te kleden. Op een dag heb ik het wel gedaan, en ze kwamen allemaal kijken: ‘Wat een kastaar!’ Maar dat is niet typerend voor een zwarte, hè. Je hebt ook blanke mannen met une grosse bite. Soms vroegen ze me: ‘Hebt gij uwen hoed verloren?’ Ik snapte niet wat ze bedoelden, tot iemand het me uitlegde: ze hadden het over het feit dat ik besneden was. In Congo was dat een vast gebruik. We zijn bijna allemaal besneden op ons 7de.

“De mythe van de viriele zwarte man is ontstaan doordat we elkaar amper kenden. Ik verzeker u: de eerste keer dat ik met een blanke vrouw naar bed ging, voelde ik dat ik gewikt en gewogen werd. En vice versa: ik wist zelf niet wat ik kon verwachten. Een blanke vrouw was een bovenaards wezen in Afrika. Ik wist zelfs niet of ze naar het toilet ging.

‘Een blanke vrouw was een bovenaards wezen in Afrika. Ik wist zelfs niet of ze naar het toilet ging’

“Het is wel zo dat Afrikanen op een andere manier de liefde bedreven. Dat kregen wij geregeld te horen. ‘Je kunt goed neuken’, zeiden vrouwen, ‘maar je weet niet hoe je moet vrijen.’ Wij vrijden altijd in het donker, op de tast, zonder voorspel: het was direct boemboem. Maar om van seks te genieten moet je de tijd nemen, het is een spel waarbij de man de vrouw helpt om er ook van te genieten. Maar zo was het niet in Afrika. Mijn ouders hebben nooit gevreeën voor het plezier. Het was functioneel, voor de voortplanting. Papa had zijn eigen kamer, en mama sliep bij de kinderen. Als die in een diepe slaap verzonken waren, kwam mama naar papa. En dan deed hij het zo snel mogelijk, zodat de kinderen de afwezigheid van mama niet zouden opmerken. En als hij klaar was, keerde mama terug.

“We waren met acht kinderen thuis, maar tussen elk van ons was er minstens twee jaar verschil. Zolang mama een baby de borst gaf, mocht papa haar niet aanraken. Het hoorde niet dat ze meteen weer zwanger zou zijn. Dus, wat deden mannen zoals mijn vader in de tussentijd? Ze gingen vreemd.

“Bon, in Congo vrijen ze dankzij de media ook al lang voor het plezier. Ze hebben allemaal een smartphone. Ze kijken ook naar de filmpjes op YouTube.”

Wat doet het u als u terug in Congo bent?

“Het raakt me niet meer zo diep, bijna iedereen is dood. Ik heb nog twee zussen, de anderen zijn er niet meer. Het beste contact heb ik met mijn oudste zus. Ze heeft nooit gewerkt, maar ze heeft wel tien kinderen gebaard. Hoe zou zij nu moeten leven zonder kinderen?”

U hebt zelf twee kinderen. Hoe doen zij het in het leven?

‘Ik had maar één voorwaarde om deel te nemen aan ­’Benidorm Bastards’: ‘Niet te veel tekst!’ (lacht)

“Mijn zoon werkt als machinist bij de NMBS. Dat is fijn voor hem, want hij heeft heel wat moeilijkheden gehad. Een gekleurde machinist, dat was lange tijd ondenkbaar. Mijn dochter, die marketing heeft gestudeerd, heeft sinds kort een baby: zij heeft vooral tijdelijke jobs. Mijn dochter is een mooie vrouw – een voormalige miss Antwerpen die iedereen inpakt. _(lacht)

_“Het gaat langzaam de goede richting uit: als je capabel bent, kun je jezelf opwerken in België. Ze kunnen ons niet meer negeren, je hebt ook nog maar weinig mensen die voor 100 procent Belg zijn.”

Waarom zijn er nog steeds zo weinig Congolees-Belgische politici?

“Je hebt papa Kompany, de nieuwe burgemeester van Ganshoren, die het dankzij de stemmen van de Afrikaanse gemeenschap heeft gehaald. Maar je hebt ook anderen. (Haalt een verkiezingsfoto met zijn beeltenis boven) Ik heb op 14 oktober voor Groen 900 stemmen gehaald. Dat lijkt me niet mis, maar eerlijk gezegd: een zwarte burgemeester in Antwerpen? Daar is deze stad nog niet klaar voor. Het zal nog enkele jaren duren voor we, zoals in Rotterdam, een donkere man aan de top hebben.”

Wat is thuis voor u?

“Ik heb twee steden in mijn leven: Boma en Antwerpen. Ik woon in Antwerpen. Ik begrijp de mensen, de mensen begrijpen mij. In Boma kent niemand me nog, in Antwerpen ben ik thuis.”

Hier bent u sinds Benidorm Bastards zelfs een BV.

“Een acteur zou ik mezelf niet noemen. Ik had maar één voorwaarde om deel te nemen aan dat programma: ‘Niet te veel tekst!’” (lacht)

U hoeft niet in Boma begraven te worden?

“Wat zouden ze ginder met mijn lijk kunnen doen? Nee, ik leef hier, ik heb hier mijn kinderen, ik voel me hier goed. Ik ben een Belg geworden. Een zwarte Belg.”

**Kinderen van de kolonie, zesdelige reeks op Canvas, dinsdag, 21.20 uur
**
**Kinderen van de kolonie, Jan Raymaekers, Polis

**©Humo

topics.nl · by Jan Antonissen · November 27, 2018

Advertisements

Ketamine: An Update

In 2016, I wrote Ketamine Research In A New Light, which discussed the emerging consensus that, contra existing theory, ketamine’s rapid-acting antidepressant effects had nothing to do with NMDA at all. I discussed some experiments which suggested they might actually be due to a related receptor, AMPA.

The latest development is Attenuation of Antidepressant Effects of Ketamine by Opioid Receptor Antagonism, which finds that the opioid-blocker naltrexone prevents ketamine’s antidepressant effects. Naltrexone does not prevent dissociation or any of the other weird hallucinatory effects of ketamine, which are probably genuinely NMDA-related. This suggests it’s just a coincidence that NMDA antagonism and some secondary antidepressant effect exist in the same drug. If you can prevent an effect from working by blocking the opiate system, a natural assumption is that the effect works on the opiate system, and the authors suggest this is probably true.

In retrospect, there were warnings. The other study to have found an exciting rapid-acting antidepressant effect for an ordinary drug was Ultra-Low-Dose Buprenorphine As A Time-Limited Treatment For Severe Suicidal Ideation. It finds that buprenorphine (the active ingredient in suboxone), an opiate painkiller also used in treating addictions to other opiates, can quickly relieve the distress of acutely suicidal patients.

This didn’t make as big a splash as the ketamine results, for two reasons. First, everyone knows opiates feel good, and so maybe this got interpreted as just a natural extension of that truth (the Scientific American article on the discovery focused on an analogy where “mental pain” was the same as “physical pain” and so could be treated with painkillers). Second, we’re currently fighting a War On Opiates, and discovering new reasons to prescribe them seems kind of like giving aid and comfort to the enemy.

Ketamine is interesting because nobody can just reduce its mode of action to “opiates feel good”. Although it was long known to have some weak opiate effects, it doesn’t feel good; all the dissociation and hallucinations and stuff make sure of that. Whatever is going on is probably something more complicated.

The psychiatric establishment’s response, as published in the prestigious American Journal of Psychiatry, is basically “well, f@#k”. Here we were, excited about NMDA (or AMPA) giving us a whole new insight into the mechanisms of depression and the opportunity for a whole new class of treatment – and instead it looks like maybe it’s just pointing to The Forbidden Drugs That Nobody Is Supposed To Prescribe. The article concludes that ketamine should not be abandoned, but ketamine clinics under anaesthesiologists should be discouraged in favor of care monitored by psychiatrists. I will try not to be so cynical as to view this as the establishment seizing the opportunity for a power grab.

What happens now? A lot of this depends on addiction. One way we could go would be to say that although ketamine might have some opiate effects, it’s not addictive to the same degree as morphine, and it doesn’t seem to turn users into drug fiends, so we should stop worrying and press forward. We could even focus research on finding other opiates in a sweet spot where they’re still strong enough to fight depression but not strong enough to get people addicted. Maybe very-low-dose-buprenorphine is already in this sweet spot, I don’t know.

But all of this is going to be shaped by history. Remember that heroin was originally invented (and pushed) as a less-addictive, safer opiate that would solve the opiate crisis. Medicine has a really bad habit of seizing on hopes that we have found a less addictive version of an addictive thing, and only admitting error once half the country is addicted to it. And there are all sorts of weird edge cases – does ketamine cross-sensitize people to other opiates? Does it increase some sort of domain-general addiction-having-center in the brain? I know substance abuse doctors who believe all of this stuff.

Also, should we start thinking opiates have some sort of deep connection to depression? “Depression is related to the stuff that has the strongest effect on human happiness of any molecule class known” seems…actually pretty plausible now that I think about it. I don’t know how much work has been done on this before. I hope to see more.

Source: Ketamine: An Update

He makes no effort in bed

Suzi Godson

Q My husband is continually surprised that I don’t feel like having sex very often, despite the fact that he does nothing to turn me on. If we try to talk about it, we end up in a blame game. How can I make it really clear that he needs to make an effort to have a good sex life?

A It is so easy to turn the marital bed into a battleground. At first glance, the situation you describe sounds fairly straightforward: you feel aggrieved that your sexual needs are being ignored by your husband. Since he never makes an effort to turn you on, how could he possibly be surprised that you can’t be bothered engaging in sex? And since he never listens when you tell him how you feel, you ignore his pleas for intimacy. Frustratingly, he doesn’t seem to understand any of this, so you are searching for a more explicit way to make your feelings clear to him.

 

Ultimately, it sounds if you are blaming him for your unhappiness — therefore it is his responsibility to fix the situation. While that sounds like a rational argument, it doesn’t sound like a very positive sign for your relationship. Numerous studies have found sexual satisfaction to be a very reliable measure of marital satisfaction, but the opposite is also true; problems within a relationship often manifest as sexual difficulties. Perhaps the feelings you have about sex reflect bigger concerns about how little your husband does for you in general. However, for many people sex is a way of expressing emotional intimacy. Therefore, shutting down such an important line of communication is cutting off your nose to spite your face.

When two people know each other very well, as I presume you do, they become acutely sensitive to shifts in each other’s mood. Partners mirror each other’s emotions and behaviours, which is fine if you are yawning, or giggling, but not so fine if you are fighting. Multiply irritability by two and negative feelings spiral downwards much more rapidly. If you don’t communicate properly, things can progress from bad to worse until one day the relationship becomes so toxic that you might decide that it is over.

Tit for tat is a highly destructive form of communication, but fortunately it is one that is very easy to avoid. All that needs to happen is for you to hold up a white flag and say: “I’m sorry.” Maybe you feel as if you have nothing to apologise for — but that’s not the point. Mutual accountability is the first rule of healthy relationships and being big enough to take responsibility for your part in whatever bad feeling has been polluting your relationship is the quickest way to change the dynamic. When things go wrong between two people, it is very rarely one person’s fault entirely, and it is often a lot easier for the person who has less to feel ashamed of to climb down.

When it comes to sexual relationships, the best way to effect positive change is to do unto others as you would have them do unto you. If you want your husband to be more flirtatious with you, be more flirtatious with him. If you want him to kiss you and tease you and whisper sweet nothings in your ear, kiss him and tease him and tell him what you want him to do to you. Sweetness, playfulness and sexual generosity are contagious behaviours that create love, joy and enthusiastic reciprocity, so instead of giving your husband the cold shoulder, call a ceasefire and make love, not war. You will be much happier.

Religie als therapie

Religie als therapie: ‘We hebben allemaal behoefte aan onze God’

Hij verrichtte pionierswerk naar de verwerking van trauma’s uit de kindertijd. En hij muntte het begrip ‘veerkracht’. Maar één ding heeft hij zijn leven lang onderschat, zegt Boris Cyrulnik: ‘De rol van God.’ Om dat goed te maken, schreef de beroemde Franse neuropsychiater het boek God als therapeut.

 

Religie als therapie: 'We hebben allemaal behoefte aan onze God'
‘Almaar meer jongens en meisjes zijn doodsbang voor de vrijheid waarin ze geboren zijn.’ © iStock

Boris Cyrulnik, die in juli zijn eenentachtigste verjaardag vierde, is wereldberoemd om zijn baanbrekende onderzoek naar traumaverwerking. In 2001 publiceerde hij zijn ultieme bestseller Les vilains petits canards, vertaald als Veerkracht. Daarin bouwde hij verder op de hechtingstheorie van de elf jaar eerder overleden Britse psychiater John Bowlby. Kinderen, zei Bowlby, zijn geprogrammeerd om zich te hechten aan hun ouders of opvoeders. Als die hechting fout loopt, betalen ze daar soms een levenslange prijs voor, in de vorm van angst, depressie, verslaving, relatieproblemen. Volgens Cyrulnik ligt de sleutel voor heling, en misschien zelfs voor herstel van een onveilige of mislukte hechting, op de bodem van de put: onze natuurlijke veerkracht – résilience, in het Frans – is onze beste bondgenoot in de strijd tegen de gevolgen van vreselijke trauma’s als oorlog, incest, terreur, mishandeling of misbruik. Gespecialiseerde therapie kan daarbij helpen.

Boris Cyrulnik, God als therapeut: waarom mensen zich hechten aan een god, Lannoo, 272 blz., 24,99 euro.
Boris Cyrulnik, God als therapeut: waarom mensen zich hechten aan een god, Lannoo, 272 blz., 24,99 euro.

In 2010 had de neuropsychiater een ervaring waardoor hij op dat inzicht zou voortbouwen. ‘In Congo, in een opvangcentrum van Unicef, ontmoette ik kindsoldaten. Het waren zwaar getraumatiseerde jongens. De kracht die zij uit hun geloof putten verraste me’, zegt hij. ‘Een jongen van een jaar of tien zei tegen me, met ogen vol angst: “Ik voel me alleen goed in de kerk.” Het instituut kerk en God leken hem veerkracht te geven. Meteen wilde ik dat fenomeen dieper onderzoeken, met behulp van de moderne psychologie, de neurowetenschappen en de hechtingstheorie. Ik kon niet anders dan vaststellen: God is soms een uitstekende therapeut.’ In 2017 leidde die vaststelling tot het boek Psychothérapie de Dieu, waarvan de vertaling God als therapeut nu uit is.

Ons beeld van God wordt al bepaald terwijl we nog baby’s zijn, schrijft u. Daarbij zullen veel lezers de wenkbrauwen fronsen.

Boris Cyrulnik: Natuurlijk zal geen enkel kind voor zijn twintigste levensmaand een zinnig woord zeggen. Natuurlijk gelooft geen enkele pasgeborene in God. Maar ouders presenteren hun godsbeeld wel aan hun baby. Later zal dat kind hun geloof overnemen; het is eigenlijk een teken van hun wederzijdse affectie. Ook atheïstische moeders en vaders delen hun spiritualiteit met hun kind, alleen is de figuur van God dan vervangen door bijvoorbeeld muziek of literatuur, of door de grote humanistische waarden.

Welnu, het belangrijkste is dat die spirituele link met zijn ouders de interne wereld van het kind voedt, lang voor het zijn eerste woordjes brabbelt. Een kind ontwikkelt zich altijd in een context, en neemt van daaruit gebeurtenissen waar. Door de verhalen van onze ouders over God of het spirituele zijn we, zodra we beginnen te spreken, ook in staat om een wereld te voelen die niet waarneembaar is. We zijn gehecht geraakt aan God zoals we gehecht zijn aan onze ouders: Hij geeft structuur aan ons bestaan – en bij uitbreiding aan onze samenleving.

Hoe rijmt u dat inzicht met de vaststelling dat God de voorbije decennia zo massaal de deur gewezen is?

Cyrulnik: Laat ik het voorbeeld geven van Canada. Generaties lang waren God en de kerk in dat land ontzettend belangrijk, tot daarmee in amper één generatie komaf is gemaakt. De verklaring daarvoor, volgens mij, is dat de staat er de rol van God heeft overgenomen. De Canadese overheid voorziet nu in alles wat een kind nodig heeft: school, bescherming en veiligheid.

Religie als therapie: 'We hebben allemaal behoefte aan onze God'
© ©Julien FAURE/Leemage

Welnu, wij lijken allemaal een beetje op Canada. Hoe beter het ons vergaat, hoe kleiner onze behoefte aan God. Ervaren we vrede, welzijn en welvaart, dan zetten we Hem gemakkelijk aan de kant. Maar: de dag dat we een geliefde verliezen of ons leven aan een zijden draadje hangt, richten we ons, al dan niet ver van de schijnwerpers, met onze smeekbeden naar boven. Op die momenten wordt God onze therapeut.

Dat veel ongelovigen zich nog altijd laten begraven in gewijde aarde is daarvan ook een teken?

Cyrulnik: Zulke rituelen zijn onze bakens, ja. Ze bieden ons troost. Ze zijn belangrijk voor onze psychische gezondheid. Op het moment dat de staat God vervangt, verliezen we een pak van die bakens. Dat verlies van God impliceert ook een verlies aan waarden, ethiek en moraliteit. Dat is problematisch, want hoe meer we ons hechten aan het materiële, hoe egoïstischer we worden. We vergeten dan hoe we moeten samenleven. Een kind leert dan niet langer om rekening te houden met anderen, en empathie wordt selectiever.

Een opvoeding met God kan toch ook tot onvoorstelbare gruwel leiden? Denk maar aan de kinderen van de IS.

Cyrulnik: Zodra een geloofsgemeenschap zich afsluit van de rest van de wereld, wordt het extreem gevaarlijk. In een sekte is er alleen nog empathie voor andere sekteleden. De buitenwereld móét bestreden worden, of op zijn minst genegeerd.

Kijk, de essentie is: we hebben allemaal behoefte aan onze God, maar er zijn vandaag op aarde 35.000 verschillende goden. Ze zijn stuk voor stuk nuttig en noodzakelijk voor alle mensen die in hen geloven: daar moeten we ons bewust van zijn.

Boris Cyrulnik

1937: geboren in Bordeaux

Studie: geneeskunde en psychiatrie aan de Faculté de médecine de Paris

– Is als neuropsychiater verbonden aan de Universiteit van Toulon

– Schreef verschillende populair-wetenschappelijke boeken over psychologie

– Introduceerde in 2001 zijn theorie over veerkracht bij het grote publiek

– Richtte in 2013 het Institut Petite Enfance in Savigny-sur-Orge op, voor de opleiding van hulpverleners en het onderzoek naar de vroege kinderjaren

Veel jonge mensen nemen uiteindelijk afscheid van de God van hun ouders.

Cyrulnik: Dat gold misschien voor uw generatie, maar ik merk dat jongeren vandaag naar de schaapsstal terugkeren, naar de God van hun voorouders en naar conservatieve waarden. Bij christenen, maar vooral bij moslims en joden zie ik die evolutie. Almaar meer jonge moslims hullen zich in kledij die de eerste volgelingen van de profeet Mohammed gedragen zouden hebben. Er worden zelfs bizarre zwempakken ontworpen én gedragen die in Arabische landen verboden zijn, omdat ze in strijd zouden zijn met de islam. En veel jonge joden zien het huwelijk niet langer als een bezegeling van de liefde tussen twee mensen, maar als een manier om onder toezicht van hun rabbijn de samenleving in te richten. Hun geseculariseerde ouders staan daar met open mond naar te kijken. Zij hebben zichzelf moeten vrijvechten van wat zij ervoeren als het juk van het geloof en de geestelijkheid – en nu nemen hun kinderen daar afstand van.

Hoe verklaart u die terugkeer naar God?

Cyrulnik: Praat met leerkrachten op lagere en secundaire scholen, en zij zullen u vertellen dat almaar meer jongens en meisjes worstelen met het huidige gebrek aan structuur in gezin en samenleving. Ze zijn doodsbang voor de vrijheid waarin ze geboren zijn. Ze hebben nood aan houvast, aan autoriteit een duidelijk opvoedkundig pad. Mag het verbazen dat ze dan vluchten in de armen van God?

De neoliberale droom is een leugen | De Volkskrant

 

The neurosurgeon Henry Marsh on why assisted dying should be legalised

Assisted dying is not euthanasia. It is about people making their own free choice that it’s time for their life to end, argues the neurosurgeon and bestselling author Henry Marsh

ILLUSTRATION BY NICOLAS CASTELL
The Sunday Times, 

I first discovered the dishonesty that can be involved in terminal care when I had to care for a man in the final stages of cancer of the colon in the early years of my surgical training. He had undergone an unsuccessful re-exploration of his abdomen for intestinal obstruction and had developed an especially unpleasant complication after the procedure. The anastomoses — the sutured joints we had made between the parts of his intestine that we had cut out — broke down and he developed multiple faecal fistulae through his abdominal wall. In other words, several holes appeared in his abdomen and, through these, faeces steadily oozed out. The smell was truly awful. He had been put in a side room and you had to take a deep breath before going in.

There was nothing we could do to help him. He was wide awake and I am sure that he knew what was happening and that he was dying. He must have seen the involuntary expressions on our faces as we entered his room, steeling ourselves to brave the stench. We started a heroin drip with a pump “to keep him comfortable”, and over a period of many days he died. I had been a doctor for three years by then, but felt utterly unequal to the task of discussing his death with him, partly because we were, in effect, trying to kill him with the heroin, but could not openly say so.

I remember him looking sadly into my eyes as I stood above him, trying to stop myself looking away out of the window, while nurses were carrying out the hopeless task of trying to keep his abdomen clean.

I will never know what he might have said if I had sat down beside him and talked to him openly. Was I frightened that he might ask me to “ease the passing”, as it is called in medico-legal language, and break the law? Was I frightened that I would have to admit to him that that was what I was trying to do? And was he equally frightened of such a conversation? It is always difficult to talk of death to a dying patient, but even now, 40 years later, I feel that I let this man down and was a coward.

There are many ways of dying. It can be fast or it can be slow, it can be painless or painful, it can be horrible, even in the modern age (whatever some palliative care doctors might claim to the contrary) or a peaceful fading away. But only rarely is dying easy, and most of us now will end our lives in hospitals, a few of us in hospices, in the care of strangers, with little dignity and no autonomy — unlike our ancestors, who mostly died in their own homes. Although scientific medicine has brought great and wonderful blessings, it has also brought a curse — dying, for many of us, has become an unpleasantly prolonged and institutionalised experience.

Few of us now will not live into old age, but our bodies and brains inevitably wear out, however much we care for them with exercise, sudoku and healthy diets. Most of us will develop cancer, many of us will become demented. Our ancestors died quickly — usually from infections — and had no choice in their endings. Pneumonia, it used to be said, was the old man’s friend. But medical treatments now keep us alive for much longer than in the past, but often in a debilitated state and at the cost of unpleasant side-effects and prolonged periods in hospital. Not only this, but modern diagnostic technology can now predict our decline and death some time before they come, while we might still be relatively well and independent, whereas our ancestors could continue to live in blissful ignorance, before they succumbed to a short and final illness.

Evolution has equipped us with a deep fear of death, which is surely hardwired into our brains. This fear made sense when our forbears were at risk of dying when young, putting the survival of their children in jeopardy. But how hard should we try to avoid death in the modern age? When the infirmities of old age will have made life a burden for some of us, or when doctors have told us that only dying and little living awaits us? Or if we start to become forgetful and are diagnosed with Alzheimer’s or one of the other remorseless dementias?

Some of us — probably not many — would prefer to bring our death forward in such circumstances. If we are not yet in institutional care, we are always free, of course, to commit suicide, but it is not easy as we have to do it violently — by jumping from a height, cutting our throats, by hanging or asphyxiation, or in the US with a gun, where there are some 20,000 such deaths every year. These unassisted methods are distressing — both for ourselves and for our families.

Rest in peace: the room at the Eternal Spirit clinic, Switzerland, where David Goodall spent his final hours
Rest in peace: the room at the Eternal Spirit clinic, Switzerland, where David Goodall spent his final hours PHILIPP JENNE

In several countries — in particular, the Netherlands, Belgium, Canada, Switzerland, India, six US states and, as of next year, the state of Victoria in Australia — it is not illegal for doctors to prescribe a drug (usually a barbiturate) with which people can bring their life to a dignified and peaceful end. (The claim made in parliament in the recent debate on assisted dying that the drugs used could cause great suffering was a monstrous lie.) Various names have been used to describe this action by a doctor — euthanasia, mercy-killing, assisted suicide or assisted dying.

The word euthanasia is probably best reserved for doctors killing patients without their consent, as happened in Nazi Germany. It is crucial to a proper understanding of the debate about assisted dying (the name I prefer) to understand that the possibility of legal assisted dying applies only to people who have mental capacity, as it is called in the law. It does not apply to people with brains damaged by disease or trauma or old age, who have lost the ability to make rational choices for themselves. So “assisted dying” is not euthanasia — it is not doctors deciding when somebody should die, but about people making their own free choice that it is time for their life to end in peace. Why should we deny ourselves and others this freedom?

As Lord Denning once observed, the prohibition against helping somebody else kill themselves is a little odd. How can it be illegal to help somebody do something that is not in itself illegal? But in the UK, a majority of members of parliament and the British Medical Association (BMA) are implacably opposed to introducing such legislation, even though many opinion polls have consistently shown a strong public majority in favour of it, with only a vociferous minority against it.

A variety of arguments have been presented to defend this oddity, with its denial of human rights, and its consequent and cruel infliction of considerable suffering on many people.

The traditional argument, of course, is religious. God has banned suicide. He has “fixed His canon ’gainst self-slaughter” as Hamlet put it. It is therefore wrong to help people kill themselves. But this is a matter of belief and faith, and people who have such beliefs have no right to impose them in a free society on those who do not share them.

The opponents of assisted dying must find other, often surrogate, arguments. One such argument is that people might be depressed or mentally ill, and not responsible for themselves. But surely this problem is easily dealt with by suitable psychiatric safeguards? There is no evidence from the countries where assisted dying is available that this is a problem. Indeed, applying for assisted dying from the Dignitas clinic in Switzerland is a lengthy and expensive business, requiring detailed medical and psychiatric reports, with many requests being rejected. Similar procedures are in place in all the other countries where assisted dying has been legalised. Obviously, people who are suicidally depressed or psychotic should receive psychiatric treatment and not assisted dying, but it is not very difficult to distinguish between severe depression and a considered wish to bring one’s death forward when faced with untreatable cancer, dementia, motor neurone disease or similar problems.

Another argument is that assisted dying is a slippery slope that will lead to euthanasia, as practised in Nazi Germany, of the old and frail, of the disabled and mentally ill. “There will be death targets,” as one senior politician once put it to me. Somehow or other — the proponents of this argument do not explain how — assisted dying will result in the frail, vulnerable and disabled being bullied into asking doctors to kill them, even though it is not what they want. I do not find this a very plausible scenario.

It is true that assisted dying comes in two forms — the first, in America and Canada and in Lord Falconer’s defeated bill, is that it should only be legal if a patient is expected to die within the next six months. In recent weeks we learnt of David Goodall, the 104-year-old Australian scientist who wanted to end his life as he found that it had become an increasing burden. He had to go to Switzerland, as he did not have a prognosis of less than six months. He spoke very clearly at a press conference about this and of his dismay that he could not die in his own home. His family were in full agreement and, rather movingly, crowdfunding enabled him to fly business class for his last journey to Zurich. In countries such as Holland, Belgium and Switzerland, there is an additional qualification for assisted dying. You will qualify for it if you are faced with a future of intractable suffering. A young English man, for instance, left quadriplegic in a rugby game, opted for death in the Dignitas clinic on these terms, as have several senior English physicians I have heard about who had been diagnosed with early-onset Alzheimer’s. In Holland and Belgium, assisted dying has been granted to a small number of chronically depressed patients who have failed all treatment.

The fierce opponents to Falconer’s bill claimed that permitting assisted dying for people with a six-month prognosis would soon lead to assisted dying for intractable suffering as practised in the European countries, and then, they implied, to mass medical murder.

No evidence is produced to justify this fear, so we do not really need to provide any evidence against it either. But surely it is absurd — why should assisted dying lead to doctors killing their patients against their will? Was Harold Shipman representative of the medical profession? We trust doctors with our lives at the moment — why should the availability of assisted dying suddenly turn them into killers? Brian Rix, one of the great campaigners for the disabled, initially opposed assisted dying when it was being debated in the House of Lords as he feared it would escalate into use against the disabled. But when he himself lay dying shortly afterwards, he wrote a most moving letter to the Speaker of the House of Lords, saying that he had been mistaken and that he had changed his mind.

A different argument is that the legalisation of assisted dying will be used as an excuse to provide less hospice care. This has not been borne out in countries where assisted dying is available. The hospice movement is alive and well in the UK (where, in fact, it originated) and I see no good reason to think that it will not continue to be so.

One of the most widely voiced arguments against assisted dying is that greedy children will bully their elderly, vulnerable parents into asking for a suicide pill so that they can inherit the family silver. I have rarely heard a more ridiculous suggestion. Not only does it show a remarkably poor and patronising opinion of your fellow human beings, it is also — at least in my experience — contrary to what I have usually observed in my own work as a doctor.

More often than not, it is the dying patient who has accepted death, but the family who find it hard to let go. Besides, the simplest of safeguards, in the form of the patient being carefully interviewed by independent specialists (who need not necessarily be doctors) over a number of days or longer, would easily prevent this happening. And surely, if there were such a breakdown of a loving relationship between a parent and their children — something very much against normal human nature — isn’t it rather unlikely that the parent would fall in with his or her children’s attempts to get them to volunteer for suicide? Again, there is no evidence from the countries where assisted dying is legal that this happens.

The final argument against assisted dying is that its availability will frighten vulnerable, dying patients and that therefore the right of people to opt for it should be overridden. I find this argument bizarre. It seems to be saying that legalising assisted dying will make dying patients see hospitals and hospices as little different from death camps and no longer places of kindness and care. It is worth repeating yet again: assisted dying is voluntary and applies only to people with mental capacity. It does not give doctors the power of life or death over their patients in any way whatsoever. Why should dying patients think that it might, when it is clearly stated that it does not?

I have a friend, whose opinion I deeply respect, who is a palliative care doctor. She is opposed to assisted dying, but for none of the above reasons. Her objection is that many of her patients, when they are admitted to her hospice, are in a desperate mental state. They feel obliged to do what they believe is best for their family (ie, kill themselves), even when this might not be what they themselves really want. Furthermore, she feels, families may possibly encourage this (with the best, least selfish intentions) because they look at their parent or grandparent dying of cancer and cannot conceive of the state they are in as being anything other than terrible when, in reality, it is remarkable what people can come to terms with. But this, I would suggest, is not a case against assisted dying, but instead an argument against providing it quickly.

Safeguarding interviews will take time, and during this time the dying can try to achieve some kind of reconciliation with those who will be left behind. The fact remains that the patient’s wishes should ultimately be paramount and some people will nevertheless continue to wish for control over their death, and it is simply wrong to deny them this.

Every time I operate there is some risk that the patient will come to harm, but the risk is justified by the possible benefits. Surely the same applies to assisted dying? Even if — and it is a very big if — a few patients are hastened to a premature end by bullying relatives or callous doctors, which somehow the safeguards fail to stop — might this not be a price worth paying to allow the much greater number of patients who wish their lives to end with dignity to do so? Hospices are often wonderful places, with wonderful staff, but not all of us want to die in them. The campaign slogan of opponents of assisted dying is “care not killing”, but perhaps some of us do not want to be cared for by strangers as our life comes to its end. Perhaps we would prefer to die at home, at a time of our own choosing. As it is, hospice care is available only to a small proportion of dying patients and in the UK rarely to the elderly.

There are two further points to be made in favour of assisted dying other than the a priori case for patient autonomy. In Oregon, where assisted dying has been available since 1997, it is reported that many people who express an interest in assisted dying when they enter hospice care in the event do not take it up. The knowledge that, when the end comes, there will be no risk that it will be very distressing is clearly reassuring. As the Belgian palliative care doctor Wim Distelmans has argued in his book In Pursuit of a Dignified Life’s End, assisted dying should be seen as complementary to terminal care and not in opposition to it. In England, where assisted dying is against the law, many hospices and hospitals nevertheless use escalating terminal sedation for the final phases of their patients’ illness. Increasing doses of opiates, ingenuously justified as symptom relief, precipitate respiratory failure and death. As Distelmans argues, this is no different from euthanasia without consent. Might it not be better if the use of such terminal sedation could be talked about with patients and their relatives, and that the patient had some choice in the matter?

The recent events in Gosport surely show this all too clearly. The risk of abuse is much greater when death is hidden with half-truths and euphemisms than if it is openly discussed with patients and families, as would be possible if assisted dying was legalised.

Hasn’t it been said that only the truth sets us free?

It is clear that the opponents of assisted dying are frightened by it — they argue that if it is legalised in England it will bring out the worst in either patients’ families or their doctors, or both, and lead to abuse. They have produced no evidence to justify this dismissive and negative view of human nature. Is it, perhaps, that their fear has a different, unconscious, root?

It has always struck me as somewhat illogical that the most passionate opponents of abortion and assisted dying usually have religious faith, with a concomitant belief in life after death. Surely, if our lives continue after death, abortion and assisted dying are not absolute evils? Why can’t there be room for compromise — that sometimes suffering can justify bringing a life to an earlier, more dignified end, with a speedier entry — hopefully — to heaven, than if nature, which so often now means intensive medical care, is left to take its course? It is as though they think that assisted dying is cheating — that we need to suffer when dying if our soul is to be reborn. Some even claim that dying is a transcendent experience, but I suspect that any transcendence is enjoyed more by the witnesses than by the dying. Perhaps what drives these people is more their own fear of death than concern for what might be best for the rest of us. In particular, fear of the thought — which is such a threat to their faith — that death might be final after all, with nothing to follow.

Henry Marsh’s Admissions: A Life in Brain Surgery is out now in paperback (Weidenfeld & Nicolson £9)

Astral divorce?

First there was conscious uncoupling. Now the latest trend in splitting up is cutting the psychic ties that bind us to our exes

Dolly Alderton
The Sunday Times, September 10 2017

In the aftermath of a break-up, there are well-worn milestones of recovery, just as there are stages in grief. The drunk text to the ex. The radical new haircut. There’s the moment you realise you’ve dropped a dress size from lying in bed for a month and only eating what’s left in the cupboard; the first misjudged snog with a stranger.

But now there’s a trend to seek a new type of closure — that of the spiritual. These days, break-ups go beyond a simple goodbye to an ex: some venture into Peruvian forests for purging ayahuasca ceremonies, others do cosmic ordering in the comfort of their own home. The latest solution to clearing the mental cobwebs of a bad ex? An “astral divorce”.

SHE ASKS ME THE NAME OF MY EX AND HOW WE MET, THEN NUDGES A BOX OF KLEENEX TOWARDS ME AS I START CRYING
Think of it as the next logical(ish) step to conscious uncoupling, the term famously used by Gwyneth Paltrow to describe the amicable separation from her husband, Chris Martin. “Astral divorces” are a “cutting of ties and contracts” with a past relationship and are performed by psychics. The aim is to rid you of old, residual energy from an ex that may be holding you back and to help move you into a new phase of your life, ready for love again.

As it happens, there’s an ex I haven’t quite been able to shake off, so I decide to see Jane Orr at the Urban Retreat luxury spa in Harrods. I’ve never visited a psychic before, although Orr prefers the term intuitive consultant: “I’m what we call ‘clairaudio’, which means I can hear as well as see pictures. I’m all the clairs,” she says.

Essentially, for an hour of your time and £160, Orr offers a sort of spiritual colonic to get rid of all the bad bits of exes that have stuck to you. I ask her how often she sees someone who is still too attached to a past relationship. “It’s very common. Our whole life is made up of relationships, and our physical body creates an energy field, like a mobile phone signal, that is affected by anybody we interact with. That vibration will stay with you unless you consciously cut it away. That’s what I do as a healer.”

At the beginning of my astral divorce, Orr asks me to shuffle some tarot cards and pick 10 with my left hand. She hangs a small crystal pendulum above one of the cards and tells me a particular archangel is about to move it in a particular direction so she knows who she’s talking to “because otherwise I get the riff-raff”. Throughout our session, she regularly confers with “him” or “them”, who seem to be sitting behind her. At one point, one of them even tickles her nose.

One of the first cards Orr turns over is the death card, which marks a full stop to a situation, not (usually) actual death. For example, if you were about to get married, it might denote the end of singledom. She tells me she sees a very successful American musician who is going to be important for me; she doesn’t know whether he pertains to my romantic or work life.

“Bruce Springsteen?” I say, hopefully.

She asks behind her. “They’re not going to tell me because they say it will freak you out,” she says. Later, I spend my entire bus ride home googling “American male musicians”.

We finish the tarot cards and discuss what she’s read. My astral divorce is beginning to feel more like a conventional therapy session. Orr asks me the name of my ex, how we met, how long we were together and any lessons I learnt from our partnership. She nudges a box of Kleenex towards me as I start crying, something I’m sure she’s seen a lot of in her line of work.

“What I’m also beginning to get brought in is a past life as a nun,” she says. My weeping stops and I burst out laughing. She tells me that this nun had feelings for a priest that she found emotionally overwhelming and frightening. The invisible Greek chorus behind her tells her she needs to “clear the nun”, which will help rid me of my own anxieties about love and commitment. (Later, when I tell a WhatsApp group of my friends about the session, I get a load of messages slagging off the nun. “So out of order of her to ruin your sex life,” one writes.)

Next, I lie on Orr’s massage table and close my eyes, while she takes me on a meditation journey. She tells me she will “pull and cancel” all contracts with the troublesome ex-boyfriend so “only the love and lessons remain”. She also tells me she will send the nun “to the light so she gets healing”, which will “make all the difference”. She asks me to imagine myself in a ball of light and sends me up to “the seventh plane”. I lie in silence for a while and notice a strange dragging sensation from the top of my head.

Afterwards, I do feel lighter somehow. I can’t deny that taking a moment to acknowledge the good and bad of a past relationship and then consciously say goodbye to it is a cathartic experience. Jane admits this is a valuable part of the process: “It’s the classic thing of you writing them a letter, but you don’t post it, you burn it. That can be very powerful. It’s really a question of focusing and externalising the feelings and thoughts so that it’s out, otherwise it’s still going round and round.”

Astral divorce isn’t the only non-traditional method of finding closure in the aftermath of a break-up. Hollie, 28, credits a women-only spiritual event as the moment she moved on from her past relationship. “It involved conscious dancing, a gong bath and going around the room hugging people, which was a personal breakthrough,” she says.

Although she had to suspend her cynicism, the Saturday- night ritual pulled her through her last stage of heartbreak. “All these women were dancing together like idiots, hugging and getting drunk on chai tea — it’s just amazing and weirdly comforting. I strutted home like I was in the I’m Every Woman music video.”

Carmen, 41, tells me she felt so destroyed by a disastrous relationship that she travelled to her ancestral home of Donegal to bury mementos from the relationship at the Gap of Mamore. “It was important for me to do something physical to cleanse the bad love from my life. I think that whatever transformation took place, we need moments in our lives to stop and heal.”

I have a date this Friday, the first one in six months. Before my session with Orr, I was thinking of cancelling. I have no reason to believe this will lead to a new love any more than the years I spent Tinder-dating every weekend.

But as I float out in my ball of light and back into the Harrods make-up hall, I feel more open. I decide to pick a new lipstick for the occasion called, fittingly, Out of Control. It is a timely reminder that in this life we are mainly passengers on a journey of unpredictable chaos, but sometimes it’s soothing to be reminded — be it by a friend, a therapist, a witch doctor or the universe — that we’re heading in the right general direction.

via Dolly Alderton asks: do you need an astral divorce? | Style | The Sunday Times