De Dichter des Vaderlands over de verkiezingen

Staat

Verlos ons van de hooligans, het brullen in de straten. Van treinen die niet rijden en van de themaweek. Van volledig automatisch doorgeladen haten,de liegende politicus. De koffie en de cake.

Verlos ons van vergunningen en van ons welvaartsvet. Pyjamadag. Bejaardenflat. Van het burgerbijstandsteam en vaste inlooptijden. Van hoofddoekvrees, van religieus besnijden. Van lange rijen op Schiphol,

de aanklampmails van goede doelen. Van posterhoofden, viltstifttrekkers, peervormigheid en sta-op-stoelen. Van aftapping en pseudovraag. Van mensen die mijn land zeggen en hun buurt bedoelen.

Van dertig soorten pindakaas en zestig soorten brood. Van sushibar,vuurwerkshow en dansen na de dood. Verlos ons van de bontkraagen van de kansenwijken. Van kaas met plastic randen

en van speelgoed voor de rijken. Van voorlichting met aardbeismaak. Digitaliseren. Van witgewassen auto’s die je nergens kunt parkeren. Van optimisme, beeldschermliefde, hypnotherapie.

Van de Hitler-vergelijking en de rok over de knie. Van Facebookrel, begrotingsfout, van dreigen met de hel. Van de weekheid der nuance en de domheid van het geld.

Van vegasnack en suikertaks. Van metrolijn en brekend steen. Van ingevlogen superfruit. Van hoogbegaafdheid in groep 1. Van kleuren voor volwassenen en kinderen die roken.

Van mantelzorg en schuldgevoel. Van balancerend koken. Van cowboys, indianen, van speelgoedactivisme en studerende vandalen.Van steeds gekwetste zielen. Van stropdaspolemiek.

Van alle holle vragen op de labels aan de thee. Van twitterpolitiek en ijsbeertjes op zee. Van vragenuur. Van kast, van muur, van doeners die niets blijvends meer bedenken.

Van denkers die wel weten maar niet doen. Van alle rare woordenen hun nutteloze schrijvers. Van standbeeldangst en valse roem. Verlos ons van de goddelozen en de predikanten.

Van thuiscompost en CO2. Van lekker tegen-alles, lekker voor-me-eigen. Van kankerroepers, tegelfluimers. Sissers, graaiers, hijgers. Verlos ons van parkeerbeleid, de taart met genderkleur,

de wachtmuziek, het supermarkthumeur. Van fietsendief, van festivals en van reclameborden. Van dichte mist. Van verre pijn. Middenweg en polderleed. Quinoasnorren. Sportschoolzweet.

Van jezelf te moeten zijn. Verlos ons van de hypotheek. Verlos ons van de huur. Van jonge boerendochters, comazuipend in een schuur. Verlos ons van de meerderheid.

De eenzaamheid. Het zaad. De varkenskop, de knuffelploeg, de knieval voor de haat. Verlos ons van de meningen en van het stemlokaal.Van privacy. Van ironie. Verlos ons allemaal.

Ester Naomi Perquin.

Advertisements

Schrijver L.H. Wiener schreef F. Starik een mail, maar kreeg nooit antwoord – Starik was namelijk al overleden

Afgelopen vrijdag overleed dichter F. Starik. Daags tevoren hadden hij en schrijver L.H. Wiener afgesproken in café De Engelse Reet.
L.H. Wiener
Café De Engelse Reet in Amsterdam ©Hollandse Hoogte / Paul van Riel

Beste Frank,

Wist jij dat café De Engelse Reet in de Begijnensteeg te Amsterdam op zondag gesloten is? Ik niet, anders was ik er op zondag 18 maart uit Haarlem niet naartoe gegaan, want ik houd niet van nutteloze acties. Maar ik stond dus wel mooi voor een neergelaten rolluik en een dichte deur. Ik had er als saluut aan ons verkennende, daarna openhartige en uiteindelijk zo innemende gesprek nogmaals het glas willen heffen. Aan hetzelfde tafeltje bij het raam, maar nu alleen en ten afscheid. Het adjectief innemend mag hier wel in dubbele betekenis worden opgevat, want we dronken beiden dubbele consumpties. Jij een chique Van Wees-jenever naast een vaasje bier en ik een borrel cola met ijs.

Ik ben toen maar naar café Scharrebier op de hoek van de Foelie Dwarsstraat en het Rapenburgerplein uitgeweken, om daar onze ontmoeting te bestendigen.

Wij raakten voor de eerste keer in gesprek in de Westergasfabriek, weet je nog, tijdens die literaire manifestatie met de speelse naam Manuscripta, waarbij je me uitgelaten en hartelijk begroette, terwijl je dacht dat ik een ander was. Die snaak deugt, dacht ik toen meteen, want zelf denk ik ook vaak dat ik een ander ben.

En kort geleden troffen we elkaar in Paradiso, tijdens de beurs voor kleine uitgevers, waar je me op nuchtere toon vertelde dat je een hartaanval had gehad en niet meer dronk. Waar een hartaanval al niet goed voor is.

De dood liet ons toen niet meer los, waarbij je plotseling met een wel heel curieuze mededeling kwam: de exacte datum van je eigen dood

Het was toen dat we afspraken elkaar nu eens echt te ontmoeten, in café de Engelse Reet, waar je Menno Wigman regelmatig trof, meestal op donderdag. De dichters van De eenzame uitvaart en De poule des doods. Een laatste groet aan de in eenzaamheid gestorven medemens, verzameld in Een steek diep, schetsen van verloren levens. Eerzaam werk, diepe buiging.

Voor iemand die niet meer dronk zette je een behoorlijk tempo in, het werkwoord demarreren drong zich op. Nu spuug ik er zelf ook niet in en na een half uur taxeerde ik het gelag op rond de 50 euro. Ons gesprek kwam al gauw op Menno en zijn kwaliteit als dichter. Jij wist dat hij postuum de Ida Gerhardt-prijs zou krijgen, tja. Ik vertelde je dat ik de dag na zijn begrafenis alleen naar Zorgvlied ben gegaan om hem de laatste eer te bewijzen. En hoe onwezenlijk ik het vond dat hij daar onder al die bloemen in de grond moest liggen. De dood liet ons toen niet meer los, waarbij je plotseling met een wel heel curieuze mededeling kwam: de exacte datum van je eigen dood. Die lag vast en was bepaald op 13 december 2019, door wie ben ik vergeten. Bij het afscheid sloeg je een arm om me heen, een soort halve knuffel. Toen riep je luid de ober aan: ’70 procent voor mij, 30 procent voor deze meneer!’

Je antwoordde niet, omdat je toen al dood was

Op vrijdag 16 maart 2018 om 16.24 uur schreef ik je de volgende e-mail:

Ik kijk op gisteren terug met een goed gevoel. Als je er geen bezwaar tegen hebt reken ik je vanaf nu tot een bevriende mogendheid. Ruzie krijgen kan altijd nog wel, maar voorlopig zie ik geen mogelijkheden. Dat ik me tijdens het wederzijds signeren met mijn eigen pen diep in mijn vinger prikte moet freudiaans bepaald zijn. Maar de onderbewuste drijfveer ontgaat me vooralsnog. Of het zou moeten zijn dat ik liever inkt in mijn aderen heb dan bloed. Ja, dat is het. Na je vertrek ben ik nog ‘even’ blijven zitten om de rekening alsnog in evenwicht te brengen. En vanmorgen bleek dat ik nergens open lag en dus veilig ben thuisgekomen. Blijf gezond, dat is gewoon het beste.

Je antwoordde niet, omdat je toen al dood was.

Onze vriendschap was de kortste uit mijn leven.

Ik groet je, F. Starik.

Een echte dichter is zijn tijd vooruit.

L.H. Wiener

F. Starik: het laatste interview met de dichter voor eenzame doden

Eind vorige maand sprak Trouw-journaliste Sybilla Claus uitgebreid met dichter en schrijver F. Starik, voor een verhaal over zijn stichting Eenzame Uitvaart. De reportage, hieronder gepubliceerd, bleek de laatste te zijn over het werk van Starik: vrijdag overleed hij onverwacht op 59-jarige leeftijd.
Sybilla Claus 
F. Starik (met bril) op 27 februari op begraafplaats Sint Barbara bij de uitvaart van de Ier Alan Brian Ray. Dichteres Anneke Brassinga heeft zojuist haar gedicht voorgedragen en gooit aarde op de kist. ©Werry Crone

Slechts een paar hardlopers trotseren de kou in het Amsterdamse Westerpark. Waar verscholen in het park begraafplaats Sint Barbara ligt, luiden de klokken. In de kapel omringen zes grote kaarsen in staande kandelaars de kist van Alan Brian Ray (75). De Ier leefde in Amsterdam-Oost in een veertig jaar niet schoongemaakte woning. Hij had alle ramen dichtgetimmerd en het plaatsje achter vakkundig met rotzooi gevuld.

Er zijn genoeg steden in Nederland waar een dode zonder na­be­staan­den direct van de koelcel naar het graf gaat

Het consulaat kon geen familie vinden, de gemeente betaalt zijn uitvaart. De kist is de goedkoopste, spaanplaat met papierfolie in eikenprint, maar oogt mooi, met een rood-oranje gemeentelijk bloemstuk erop en een wit lint zonder tekst. Op de eerste rij links zitten de dragers, op de rij rechts twee dichters. Op rij vier zit de uitvaartbegeleidster. Dat is het.

Meneer Ray – vereenzaamde Amsterdammers zijn vaker van het mannelijk geslacht – is voor stichting Eenzame Uitvaart al de 226ste dode. Dat klinkt oneerbiediger dan het is. Er zijn genoeg steden in Nederland waar een dode zonder nabestaanden direct van de koelcel naar het graf gaat. Dankzij een groep bevlogen dichters gaat dat er in de hoofdstad heel wat warmer aan toe.

Dichter van dienst is vandaag Anneke Brassinga van de Poule des Doods, zoals zij zichzelf noemen. Die zorgt er alweer zestien jaar voor dat niemand in Amsterdam alleen van de wereld afscheid moet nemen.

‘Is hij bang
sinds die ene is weggegaan of nooit gekomen,
vreest hij de wereld die hem dwars door de ruit heen
kan raken? Kwam je nog buiten, Alan – ‘s nachts
misschien bij nieuwe maan in de donkerste uren
van vrede voor hen wie alles te veel is?’

draagt zij voor. Daarna legt Brassinga het gedicht gevouwen op de kist, en buigt kort. Na het laatste muziekstuk brengen de dragers Ray naar buiten. Van een volgstoet is geen sprake. Alleen de twee donker geklede dichters lopen achter hen aan.

Bijbaan

De man die in 2002 de Poule des Doods en de Amsterdamse versie van Eenzame Uitvaart oprichtte opent later zijn huisdeur in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt in een strak zwart pak. De kraag van zijn witte overhemd wijkt uiteen in grote punten.

F. Starik is een van de zeldzame Nederlanders die meerdere begrafenispakken in de kast heeft hangen. Uitvaarten zijn voor hem een bijbaan geworden. Sinds zijn bemoeienis met de Eenzame Uitvaart is de dood nog vaker in de gedachten van Starik. Hij coördineert alles, schrijft standaard na afloop een verslag – inclusief het gedicht – voor de website en voor de nieuwsbrief.

Neem zijn muziekcollectie. In de loop der jaren heeft Starik aardig wat cd’s verzameld. “Ik werd zo moe van altijd dezelfde nummers van Bach. Dus heb ik ook de muziek naar me toegetrokken.” In plaats van ‘drie keer licht klassiek’ – standaardbegrip in de uitvaartwereld – verzint Starik voor iedereen wat anders. Bij meneer Ray begint de muziek met een Ierse nocturne. Na het gedicht volgt Neil Young met een kinderkoor dat onverwacht vrolijk ‘We know the way, to get you back home’ zingt. Het slotstuk is een ‘Irish Blessing’.

De muziek mag ook niet te gek klinken. Want altijd is er een kans dat er op het laatste moment toch een bekende komt opdagen.

In het dagelijks leven staat er altijd een extra oortje open: kan Starik daar wat mee? Voor de 80-jarige gay meneer die eind februari als eerste aan de beurt was, had Starik eigenlijk een gay dichter op het oog. Voor hem werd het muziek van Jimmy Scott. “Een man die zo hoog zong als een vrouw.” Voor de 66-jarige Duitser die na hem kwam koos hij operaliedjes zoals ‘Immer Leise’. “Ik hoop dat hij het kon verstaan.”

Lees verder onder de foto

F. Starik ©Patrick Post

Maar als die Duitser nou een oude rocker was, vol tattoos? Dat was hij niet, weet Starik. “Ik hoor telefonisch de ambtenaar uit die de woning van de overledene bezoekt. De kamer van deze man bevatte niet veel persoonlijke zaken.” De muziek mag ook niet te gek klinken. Want altijd is er een kans dat er op het laatste moment toch een bekende komt opdagen.

Baby

Onuitwisbaar vindt de dichter het beeld van een eenzame uitvaart van een baby. Dat kleine kistje dat een uitvaartondernemer op haar handen voor zich uit draagt. Het komt te vaak voor, neem de nooit opgeloste dood van de baby van de Sloterplas in de zomer van 2016. “De politie denkt dan al snel aan de mensenhandel of gedwongen prostitutie.”

Iedereen houdt van baby’s. Maar de groep dichters van Eenzame Uitvaart beheerst de kunst om zelfs bij een rotzak een lichtstraal te ontdekken. Starik vindt het ‘ontroerend’ hoe iemand die zijn hele familie van zich weet te vervreemden, zijn eigen waarheid creëert: “Mijn favoriet is de man die zichzelf een heldhaftig verleden had toebedacht. In de oorlog hadden de Duitsers in zijn hand geschoten, had hij altijd verteld, waardoor zijn middelvinger permanent recht omhoog stond. Zegt zijn zus telefonisch tegen mij: ‘Oh dat was gewoon een ongelukje met een zaag.’”

De groep dichters van Eenzame Uitvaart beheerst de kunst om zelfs bij een rotzak een lichtstraal te ontdekken

Starik voelde zich niet belogen. “Zo’n detail maakt me juist gelukkig. Iedereen heeft recht op zijn eigen verhaal. Dat is toch mooier dan zeggen dat je een mislukkeling bent.” Het is een vorm van je trots behouden in deze veeleisende tijden. En daarom is deze man die onmogelijk in de omgang was, en bij leven verschrikkelijk alleen, de dichter dierbaar. Hij vindt trouwens altijd wel een haakje om iemand te mogen. De deelnemende dichters hebben allemaal een bovengemiddelde fascinatie voor de dood en datzelfde zwak voor buitenbeentjes – in overheidsjargon: zorgmijders – dat Starik kenmerkt.

Tien dagen dood thuis

Neem de drugsverslaafde die begin februari werd gevonden in de Ten Katestraat. Een dwangmatig verzamelaar, Braziliaan van oorsprong. Nog geen vijftig, tien dagen alleen dood thuis gelegen dus niet meer toonbaar. Overlastgever, vervuilde woning, wellicht een onbedoelde overdosis, aldus het rapport van de gemeente. Wegwezen, denkt de doorsnee passant dan. Het wonder van de Eenzame Uitvaart is dat dichter Thomas Möhlmann er bij zijn afscheid een heel andere draai aan weet te geven: hij maakt in zijn gedicht weer een kind van hem. ‘Het kind van alle mensen dat vergeefs probeerde zichzelf bijeen te vinden en bewaarde wat het verloor.’

Lees verder onder de foto

F. Starik (rechts) kijkt toe hoe de kist van Alan Brian Ray op de draagbaar wordt getild. ©Werry Crone

“Ik zoek altijd een match tussen dode en dichter”, zegt Starik thuis. Eva Gerlach groeide op in Suriname en schreef een jaar geleden het gedicht Bruya (‘Verwarring’ in het Sranantongo) voor een Surinaamse man.

Van mijn generatie was Wigman altijd met afstand de beste dichter. Zijn dood heeft me erg aan­ge­gre­pen.

F. Starik

De in februari overleden Menno Wigman was stadsdichter en bevriend met Starik. Wigman was een van de eersten die zich bij de Poule des Doods aansloot. In 2016 schreef hij een gedicht voor een Italiaan die in een lege woning in Amsterdam-Noord woonde.

‘Ik heb vanochtend voor je huis gestaan.
We deelden jarenlang dezelfde buurt.
Dezelfde wolken prijkten voor je raam.
We namen geld op uit dezelfde muur
en leefden even scheef als mensenschuw.’

Dichten, drinken en roken horen voor sommigen onafscheidelijk bij elkaar. Na een hartinfarct dat hem vorig jaar vier maanden lam legde heeft Starik de drank afgezworen. Zo sterk was Wigman niet, hij vond een leven zonder maar niks.

En zodoende moest Starik vorige maand spreken voor zijn goede vriend, die al op zijn 51ste overleed aan een geheimzinnige hartkwaal. “Van mijn generatie was Wigman altijd met afstand de beste dichter. Zijn dood heeft me erg aangegrepen.” Starik wil Wigmans naam op de website van Eenzame Uitvaart nog niet van een kruisje voorzien. Dat zou het afscheid onomkeerbaar maken.

Voor het leven

Ook dichters Wim Brands, Rogi Wieg, Adriaan Jaeggi en Simon Vinkenoog hebben de groep al verlaten. Zelfdoding, kanker, ouderdom. Sommigen haken bij leven af uit de Poule des Doods. Neeltje Maria Min had al zoveel uitvaarten van zichzelf dat ze het niet meer trok. Voor anderen als Anneke Brassinga is het een levenslange toezegging. Drie dagen kan ze met zo’n dode bezig zijn, maar na de uitvaart is het klaar. Voor Starik is het evenmin een project. “Dit ga je aan voor het leven.”

Toch wenst zelfs hij soms de dood weg. Dat kan niet. Dan is hij maar tevreden als ‘het loopt’. Dat wil zeggen als de juiste muziek wordt gedraaid, de goede voordracht wordt gehouden en de dragers niet te veel hoesten bij de uitvaart.

Langzaam laat de voorloper deze ochtend op Sint Barbara de kist in het gedolven graf zakken. Dit is de sectie waar drie ‘vreemden’ boven elkaar begraven worden. Iemand heeft een gerbera op het gedicht gelegd. De dichters sluiten af met het gooien van schep zand op de kist . Ze lopen terug richting koffiekamer.

Echt eenzaam zijn de uitvaarten feitelijk niet, meent Starik achteraf. Beheerder Richard Degenkamp van de begraafplaats is er vaak bij, net als een uitvaartondernemer, vier tot acht dragers, soms een gemeenteambtenaar, de dichter van dienst en hijzelf. “Samen zijn we toch een alternatieve familie.”

Jaarlijks 400 doden

De gemeente Amsterdam betaalt jaarlijks de begrafenis van zo’n 400 doden. Over de eerste twee maanden van 2018 staat de teller al op 94. Het idee is dat er geen onderscheid mag bestaan tussen wie wel of geen geld heeft. Bij gemiddeld vijftien mensen per jaar gaat niemand komen. Dan verzorgt Eenzame Uitvaart de laatste eer.

F. Starik (1 juli 1958-16 maart 2018)

Dichter, auteur en beeldend kunstenaar F. Starik overleed afgelopen vrijdag op 59-jarige leeftijd. Hij was van 2010 tot 2011 stadsdichter van Amsterdam. Na het overlijden van burgemeester Eberhard van der Laan plaatste Het Parool in oktober een dank-gedicht van Starik groot op de verder lege voorpagina. In 2013 schreef hij in Trouw columns over zijn dementerende moeder: ‘Moeder doen’, die ook in boekvorm verschenen.

Art review: Tacita Dean, National Portrait Gallery and National Gallery

You can’t escape Tacita Dean’s work in the capital this spring. Why?

Pear shaped: Dean’s film Prisoner Pair
Pear shaped: Dean’s film Prisoner Pair
FRITH STREET GALLERY/MARIAN GOODMAN GALLERY
The Sunday Times, 

Is Tacita Dean good at voodoo? Indeed, is she some sort of voodoo master? I ask the question because the remarkable trajectory her career has taken, the extraordinary favour with which she has been received by the museum world, bears no graspable relationship to reality.

In 2001, she became the youngest artist to get a solo show at Tate Britain. In 2011, she was handed the enormous Turbine Hall at Tate Modern to play with — the most demanding task in contemporary art. (She failed it, dismally, with a flickering film installation that was singularly ill suited to the demands of huge public sculpture.) And now, in an unprecedented display of communal generosity from the art establishment, her work is going on show (almost) simultaneously at three of the most important institutions in the land — the National Gallery, the National Portrait Gallery, the Royal Academy.

To put this unprecedented display of national appreciation into context, here are some artists to whom it never happened: Bacon, Freud, Turner, Constable, Reynolds, Gainsborough, Henry Moore, Barbara Hepworth, William Hogarth, Paul Nash, Van Dyck, Holbein, William Dobson, Stanley Spencer, Richard Hamilton, David Hockney, Jacob Epstein, Ben Nicholson, Winifred Nicholson, William Nicholson, Paula Rego, Gwen John, Elisabeth Frink, Eduardo Paolozzi, Peter Blake, Damien Hirst, Tracey Emin, William Blake, Peter Lely, Wyndham Lewis, Howard Hodgkin, Rossetti, Millais, Burne-Jones, Holman Hunt, Edward Burra, LS Lowry, Bridget Riley, Frank Auerbach, Leon Kossoff, George Stubbs, Graham Sutherland, William Morris, Anish Kapoor, Walter Sickert. In other words, Dean’s national trilogy is a big, big deal.

Also in the National Gallery’s still life section: Apples by William Henry Hunt (1905)
Also in the National Gallery’s still life section: Apples by William Henry Hunt (1905)THE TATE

And it gets bigger. Each of the three shows is devoted to one of art’s classic genres. At the Royal Academy, where her show opens in May, she will be taking on landscape. At the National Portrait Gallery, it is portraiture. At the National Gallery, still life. So what we have here, in this ginormous art gesture, is Dean taking on the great genres of art. If it weren’t so disfiguringly presumptuous, it would be belly-achingly funny.

Her thing is 16mm film. Pretty much all her work consists of wobbly snatches of it. She likes it fuzzy and flickering, like an old home movie dug out of a box in the attic, then played to the grandchildren on a noisy projector. It’s a medium that comes with built-in nostalgia: a medium that sets itself up in immediate aesthetic opposition to the digital world.

At the National Gallery, in the still-life section of her trilogy, she has interspersed a collection of paintings and photographs by others with examples of her own work. Because it includes Zurbaran, Guston, Sickert, it’s the better of the two shows, and some parts of it are reasonably effective.

In particular, a line of outdoor views of the English coast, featuring moody still-life objects in the foreground, do a decent job of sounding that Miss Marple meets the Hound of the Baskervilles note that English surrealism brought to art’s party. On a warm summer’s day by the sea, English surrealism loved making things spooky. I was also much taken with Thomas Robert Guest and his strange Wiltshire landscapes with Saxon burial goods in the foreground. And the eerie beachside meeting between two mannequins — Murder in the Paddling Pool? — painted by Albert Reuss. Both artists were new to me.

Dead Owl, by Roni Horn, 1997
Dead Owl, by Roni Horn, 1997HAUSER & WIRTH COLLECTION

That aside, the show was mainly hopeless. Not only was its definition of still life comically flexible — birds chirping in trees, religious scenes from the Florentine Renaissance — but what it mostly does is compare a modern example — plastic cups by Wolfgang Tillmans from 2007 — with an Old Master example — porcelain cup on a silver plate by Francisco de Zurbaran (c 1630). Nothing of true meaning is gained from these easy games of snap through the ages.

Weaker still are Dean’s own contributions. High up on one of the National Gallery walls, she gives us a bird chirping on a wire in Venice, California. On and on chirps the rose-breasted grosbeak in an endless film loop. Its job is to take us outdoors by supplying a background twitter to the interesting line of moody coast scenes. But the blurry, repetitive twitching you get with badly shot 16mm film is such a feeble accompaniment to a Paul Nash painting.

And, although I am usually all for pretension in art — because art and pretension often need each other — I make an exception for Dean. The ridiculous credit captions placed next to her works are of a length more usually found in Hollywood movies. That chirping bird could have been filmed by any granny with a Bolex, so far away is it, and wobbly. But here, I read, its capture involved a director of photography, an assistant camera, a camera loader, location sound recording, a film scheduler, colour timing, sound mastering, audio mechanics and optical sound transfer. I have made six-part series for the BBC with smaller crews than Dean used to produce her shaky three-minute loop.

John Craxton’s Hare on a Table, 1944-46
John Craxton’s Hare on a Table, 1944-46PALLANT HOUSE GALLERY

Oscar-sized credit captions are a feature, too, of the dismal Dean portraits gathered at the National Portrait Gallery. What a boring show. If portraiture is anything, it is surely an attempt to encapsulate a life in a face. Great portraiture always rings on with meanings and whispers. With Dean’s portraits, however, the opposite happens. On and on they go, refusing to solidify, never getting to the point where they encompass anything. Instead of watching paint dry, you watch people dry. David Hockney smoking. Merce Cunningham sitting. Mario Merz mumbling. No insight, no action, no point.

And what a terrible photographer she is. The “portrait” of Cy Twombly seen here has been created from still-life shots taken at his villa in Italy. Things chucked on a chair. Stuff on his studio table. An old cup. Some old trainers. This is Twombly evoked by his possessions. But heavens, how profoundly uninteresting it all is. How feeble the photography. How weak the information.

Reader, forgive me, but I could only take so much of this photographic tedium and fled instead to the Murillo show, back at the National Gallery, where a dose of true portraiture restored my faith in the efficacy of art.

Murillo is best known, alas, for the sentimental ragamuffins he painted so often in 17th-century Seville. But he was also a fine and interesting portraitist. Now his two known self-portraits have been brought together for the first time in 300 years. Neither is content to show him looking confident and fierce — though both do that brilliantly. They also feature an intriguing investigation of reality. In both pictures, Murillo shows himself inside a stone frame, as if to compare his flighty flesh and blood with the eternal presence of rock.

William Nicholson’s Mushrooms on a Plate, 1923
William Nicholson’s Mushrooms on a Plate, 1923DESMOND BANKS

What he’s really doing, I think, is signalling his own mortality. Rocks are there for ever. Flesh and blood isn’t. In the mad game of life, moments of reality should be savoured. Because tomorrow they’ll be gone.

Tacita Dean, National Portrait Gallery and National Gallery, London WC2, until May 28, and Royal Academy, London W1, May 19-Aug 12; Murillo, National Gallery, until May 21

‘Liefde komt niet ineens terug als de dood nadert’

Eva (69) wilde na ruim veertig jaar huwelijk scheiden; en toen werd haar man ziek.

Door: Corine Koole

 

‘Liefde komt niet ineens terug als de dood nadert’

‘Het was op een zondagochtend begin 2015. Mijn man en ik zaten rechtop in bed tegen de kussens, toen ik tegen hem zei: ‘Ik hou niet meer van je, ik ga weg.’ Mijn man begreep er niets van. Hij wilde weten waarom. Drieënveertig jaar waren we getrouwd geweest en nu wilde ik plotseling alleen verder? Hij was niet radeloos. Eerder van zijn à propos. En na een tijdje vroeg hij: ‘Hoe vertel ik dit de mannen van de tennisclub?’ Zelf voelde ik grote opluchting, eindelijk had ik de knoop doorgehakt. Ik begreep zijn verbazing wel, we hadden geen slecht huwelijk in de zin van ruzies en scheldpartijen. Het was meer dat we elkaar, zo kwam het me voor, emotioneel niet langer nodig hadden. Sinds mijn man niet meer werkte, voelde hij zich afgeschreven en was hij erg negatief. Hij hoefde de krant maar open te slaan ‘s ochtends of het mopperen begon. Een paar jaar ervoor, toen het plotseling bergafwaarts ging met zijn bedrijf, hadden we alles moeten verkopen, tot ons huis aan toe. Dat had hem geknakt. Het beeld van zichzelf als de creatieve grote man paste ineens niet meer, en het lukte hem niet daar een ander, bevredigend beeld voor in de plaats te zetten. Op de een of andere manier was de melodie uit ons huwelijk. Wij waren een gewoonte geworden waarin we elkaar de kleinste tekortkomingen zonder stemverheffing verweten. Zijn reacties op mijn avondjes uit met vriendinnen bijvoorbeeld verliepen altijd volgens hetzelfde patroon: eerst ging hij ongerust bellen waar ik bleef en dan werd hij kwaad omdat ik het zonder hem naar mijn zin had. Veel zinnen begon hij met: ‘Had je niet even…’ of: ‘Kon je niet beter…’ Een paar keer heb ik gesuggereerd een relatietherapeut te raadplegen, maar dan haalde hij getergd zijn schouders op en maakte een afwerend gebaar. Die zondagochtend, halfzittend in bed, zei ik: ‘Misschien vraag je je af waarom nu. Het antwoord is heel eenvoudig: nu zijn we nog net jong genoeg om kans te maken op een nieuw leven, over tien jaar niet meer.’

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik op dat moment al een tijdje aan het zoeken was naar een appartementje. Het klinkt misschien cru, maar in feite was dit huwelijk een vergissing van ons beiden. Toen ik er in zat, zag ik dat maar half. Ik werkte in zijn bedrijf en inzien dat ons huwelijk niet genoeg voorstelde, zou verregaande consequenties hebben gehad. Noem het opportunisme, lafheid of gewoon verantwoordelijkheidsgevoel voor onze economische eenheid en het gezin. Het heeft me jarenlang gekost om de moed die nodig was voor dit enorme besluit bijeen te rapen. En nu het zover was, werd ik niet geraakt door verdriet; noch door het mijne, noch door dat van hem. De kogel was door de kerk en hij trok als reactie een muur op en concentreerde zich op de praktische afhandeling. In afwachting van mijn verhuizing bleef ik bij hem wonen, toen hij op een avond enorme buikpijn kreeg. De volgende ochtend meldde hij zich bij de huisarts; even later bleek in het ziekenhuis dat hij blindedarmontsteking had als gevolg van een tumor aan zijn darm die zo groot was dat uitzaaiingen waarschijnlijk leken. Ik herinner me hoe ik na de operatie aan zijn bed zat, de artsen hadden ons zojuist het slechte nieuws verteld. Ik zei, niet uit misplaatst altruïsme, maar eerder uit diezelfde functionele vanzelfsprekendheid waarmee we jaren getrouwd waren geweest: ‘Maar dan blijf ik natuurlijk bij je om voor je te zorgen.’ Mijn man keek me aan en knikte.

‘Je zieleheil is je dus meer waard dan je aardse geluk.’

Vanaf dat moment waren we weer man en vrouw, zoals we de drieënveertig jaar ervoor waren geweest. Ik begeleidde hem bij zijn artsenbezoeken en zocht hem op in het ziekenhuis. Voor familie en vriendinnen was er niets veranderd, want afgezien van de kinderen had ik niemand iets verteld over ons voornemen te gaan scheiden. Iedereen benaderde ons vol mededogen en tegen mij zeiden ze: ‘Wat vreselijk ook voor jou.’ Mijn man hospitaliseerde binnen een paar weken. Al snel kon hij alleen nog praten over de gang van zaken in het ziekenhuis. En ik zorgde voor hem als een verpleegster. Er was compassie, geen liefde. Misschien zou je verwachten dat onze gesprekken ineens van aard veranderden, dat we plotseling inzagen dat we elkaar al die jaren gewoon voor lief hadden genomen, en we opnieuw iets in elkaar gingen ontdekken van die twee jonge mensen die we ooit waren – maar dat bleef allemaal uit. Liefde komt niet ineens terug bij de aankondiging van het einde, zijn dood was niet intiem. Mijn man flirtte gewoontegetrouw met de verpleegsters. Pas als we alleen waren, zag ik in zijn ogen de angst om te sterven. Tot mijn verbazing vroeg hij toen wel een psycholoog aan zijn bed. Even schoot door me heen: je zieleheil is je dus meer waard dan je aardse geluk, want voor ons huwelijk weigerde je alle hulp. Mijn man overleed. Op de begrafenis memoreerde ik de mooie gebeurtenissen in ons huwelijk, want natuurlijk waren die er ook. We waren dan geen lovers meer, maar wel vrienden; er was niemand met wie ik zo van onze kleinkinderen kon genieten als met hem.

Een jaar geleden meldde zich een vriend van mijn man, een tennismaatje. Hij verontschuldigde zich dat hij niet eerder iets had laten horen, maar zijn eigen vrouw was overleden in dezelfde tijd als mijn man. We spraken een paar keer af en gingen wandelen, en na een half jaar zoenden we en werden verliefd. Hij is iemand die met zijn camera vrolijk door veld en bos rent en alles vastlegt. Ik was totaal vergeten hoe sexy een gelukkige man kan zijn. En het mooiste van alles: hij begint nooit een zin met: ‘O, ik had wel verwacht dat je…’ Hij corrigeert me wel, want niets ontsnapt aan zijn aandacht. Maar hij maakt nergens een punt van. Kwesties krijgen geen kans meer om na te galmen.’

Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Eva gefingeerd.

Ximena(19) kon dat zelfdodingsmiddel wel erg makkelijk kopen

Op 22 februari nam Ximena Knol een ‘zelfdodingspoeder’ in waarover sinds september op internet wordt bericht. Vader Randy en moeder Caroline verbazen zich erover hoe makkelijk hun dochter aan het middel kon komen. ‘We willen hierover de discussie aanzwengelen.’

Orkun Akinci
Randy en Caroline Knol bij het graf van hun dochter. ©Merlin Daleman

Tien euro vijftig, staat op de bankafschrijving van Ximena Knol (19). Op 29 januari met Ideal betaald aan de leverancier. Vader Randy herhaalt het bedrag kalm, maar indringend. Het was inclusief 8,95 euro aan verzendkosten, voegt hij er aan toe.

Netto haalde zijn dochter dus voor ‘anderhalve euro’ een middel in huis om uit het leven te stappen. Het is een stof die sinds september op internet rondgaat in allerlei speculaties, nadat de Coöperatie Laatste Wil (CLW) op televisie bekendmaakte een nieuw middel te hebben gevonden voor een humane, zelfgekozen dood. Officieel heeft zij nooit laten weten om welk middel het gaat. Maar de verkoop van de stof die Ximena aanschafte, steeg sindsdien aanzienlijk.

De dood van Ximena is nog vers. De uitvaart was een week geleden. Op de Udense begraafplaats Bronkhorstsingel ligt ze nu naast haar opa, van elkaar gescheiden door een smal paadje. ‘Onze schat heeft hard gevochten maar de strijd niet kunnen winnen’, schreven vader Randy en moeder Caroline op de rouwkaart. Hun dochter leed aan een posttraumatische stressstoornis en leefde in angst.

Het is niet goed dat iemand zo simpel aan een zelf­do­dings­mid­del kan komen. Ximena was echt nog een kind.

Caroline Knol, moeder

Misbruikt door een familielid, kon ze haar weg maar moeilijk vinden. Er was ruimte voor plezier. Met de honden van een vriendin, op het asiel waar ze als vrijwilliger werkte of met haar eigen hond Flip en haar stinkdiertje. Maar altijd volgde ook weer het gevecht met het verleden en zichzelf. Caroline: “Dan is het niet goed dat iemand zo simpel aan een zelfdodingsmiddel kan komen. Ximena was echt nog een kind. Emotioneel gezien, was ze misschien veertien of vijftien.”

Waardig

De ouders zijn niet tegen een vrijwillig levenseinde. Randy: “Maar we hebben wel grote moeite met de manier waarop zo’n club pronkt met dat einde. Een waardig middel, noemt de CLW de stof die Ximena gebruikte. Maar die is helemaal niet zo waardig. Op internet vind je gebruiksaanwijzingen. Je krijgt er zo veel hoofdpijn van dat je een dag tevoren met pijnstillers moet beginnen en je kunt ervan braken.” Caroline: “Ximena heeft het ‘s nachts ingenomen. Ze woonde op zichzelf, in een appartement in Veghel. Toen we haar de volgende dag zagen, was ze helemaal donkerblauw. De kleur van een spijkerbroek, daar schrokken we van.”

Op een stapeltje met acht afscheidsbrieven liet Ximena een handgeschreven velletje achter. ‘Ik hou van jullie. Het spijt me. Vergeef me’, stond er. Ze sloot af met een hartje. Randy betwijfelt of ze echt dood wilde. “Ze wilde van haar angsten af. Ximena is niet gevlucht voor het leven, maar voor de problematiek. De wetenschap dat die behandelbaar was, maakt het zo zuur. Onze dochter was een heel sociaal kind. Ze zou het nooit doen op een manier waarop anderen er last van zouden hebben. Daardoor was dit middel voor haar zo gunstig. Wij willen nu graag de discussie aanzwengelen. Waarschijnlijk hebben heel veel mensen dit nu in huis. Wij denken dat het niet vrij te verkrijgen zou moeten zijn.”

Justitie

Het bedrijf waar Ximena het ‘poeder van Drion’ kocht, levert inmiddels niet meer aan particulieren. Voorheen moest iemand duidelijk maken waarvoor het middel diende. Ximena omzeilde dit eenvoudig door te melden dat ze het voor een scheikundeopdracht nodig had. Omdat andere aanbieders nog wel gewoon leveren, vindt Caroline dat hier een taak voor de minister van justitie en veiligheid ligt.

“In september werden hierover Kamervragen gesteld aan toenmalig minister Blok. Hij nam er geen verantwoordelijkheid voor. Dat nemen we hem kwalijk.” In haar brieven schrijft Ximena dat ze vrede heeft met haar beslissing. Haar ouders denken dat meespeelde dat ze zo lang op de juiste zorg moest wachten. “Ze had constant herbelevingen en was bang dat ze haar misbruiker zou tegenkomen. Tegelijkertijd had ze voor maart al allerlei plannen gemaakt. Begin februari deed ze nog mee aan de Carbage Run, een autorally van 2500 kilometer vanuit München richting Oost-Europa.

Wij zijn altijd bang geweest dat ze dit een keer zou doen, maar eigenlijk niet op dit moment.

Randy Knol, vader

“Vijf dagen voordat ze stierf, kreeg ze een nichtje op wie ze heel trots was. Wij zijn altijd bang geweest dat ze dit een keer zou doen, maar eigenlijk niet op dit moment. Wij denken dat ze het niet had gedaan als dit middel het afgelopen half jaar niet zo in het nieuws was geweest.”

Vragen

Wat overblijft, zijn vragen. Heel veel vragen. Komt het echt door de berichtgeving? Sinds wanneer zocht Ximena naar een pijnloos middel? Heeft ze de stof goed ingenomen of moest ze tijdens de bewuste nacht nog lijden? Randy: “We denken nog steeds dat ze dit diep van binnen niet wilde. Met dit vrij verkrijgbare middel wordt het iemand heel makkelijk gemaakt om de stap te nemen. We moeten ons met zijn allen afvragen of we dat moeten willen.”

Tomado boekenrek (1958)

©Annabel Miedema

Het is de Billy van de jaren zestig, maar anders dan de notoire Ikea-kast zag het metalen boekenrek van Tomado er ook nog eens frismodern uit. Licht van constructie en met een geel-rood-blauwe Mondriaansnit in de leggers. Het rek was betaalbaar, makkelijk op te hangen en de pocketboeken (die in de jaren vijftig aan een onstuitbare opmars waren begonnen) pasten er goed in.

Het Tomado-boekenrek, dat in 1958 werd geïntroduceerd, hing al snel overal. Eerst vooral in de tienerkamer, het kantoor of het studentenhuis. Later ook in de woonkamer, waar het sombere eikenhouten meubilair gestaag plaatsmaakte voor het eigentijdse Pastoemeubel. Het Nederlandse interieur smachtte in die naoorlogse jaren naar lichte, moderne spullen. Die handige Tomadoplanken sloten naadloos op aan op die behoefte.

Het boekenrek staat in de top-3 van de best verkochte Tomado-producten ooit, zegt Marlies Hummelen. Zij schreef een standaardwerk over Van der Togts Massa Artikelen uit Dordrecht (= Tomado). Deze nijvere fabriek was in de jaren vijftig en zestig de kampioen van het oersimpele huishoudproduct. De aardappelstamper, de flessenlikker, het droogrekje en Barbertje (een sokkenmandje met twee elleboogjes die je over een kastplank schuift), je vond ze in elke woning. De reclameslogan ‘In elk huis voelt Tomado zich thuis’ was niet ver van de waarheid.

Eigenlijk was dit boekenrekje een beetje atypisch voor het Tomado-repertoire, zegt Hummelen: ‘Dit was meer een interieurproduct, niet voor de keuken of de was.’ Het succes verraste de fabriek aanvankelijk, maar er kwamen al snel varianten op de markt: een rek met plankjes van hout, een staand model en zelfs modulaire kastjes die je in het handige basisframe van gebogen, zwart gespoten draadstaal kon hangen.

Zo uitgesproken modern als het plankenrekje was, zo mistig is de ontwerpgeschiedenis. ‘Tomado was een maakfabriek, er was geen designafdeling’, zegt Hummelen. Aan het rek is de naam van hoofd verkoop, Adriaan Dekker, verbonden. ‘Maar waarschijnlijk hebben meerdere Tomado-medewerkers eraan getekend.’

Er is wel een smetje: het boekenrek leek als twee druppels water op het toen al bestaande en populaire Zweedse Nisse String-rekje. Tomado heeft nooit veel over willen zeggen over de herkomst van het idee. Maar de Zweden hebben geprocedeerd tegen Tomado, om de verkoop van het Nederlandse rekje in hun thuisland tegen te gaan.

Een van de sterkste aspecten in de bedrijfsvoering van Tomado was de inzet van marktonderzoek. ‘Tomado kreeg stapels brieven, vooral van vrouwen, met tips hoe het bedrijf zijn producten kon verbeteren’, zegt Hummelen. Daar gingen de Van der Togts op in. ‘Ze maakten veel varianten van hun producten’, zegt Hummelen. ‘Ze kenden hun publiek.’

Maar die diversiteit zou ook een last blijken. Van sommige producten waren zo veel varianten in omloop, dat het niet lukte ze rendabel te maken. Tomado werd eerst verkocht en ging ten slotte in 1982 failliet.

Toch is de merknaam ijzersterk gebleken. Het bedrijf dat rechten uit het faillissement kocht, brengt nu nog producten onder de naam Tomado op de markt. Waaronder het geel-rood-blauwe boekenrekje. Voor € 49,99 te koop, met de omschrijving: tijdloos retrodesign.

Tomado boekenrek

Voor 27,50 gulden had je de simpelste variant. Xenos vraagt nu voor het ‘retromodel’ € 49,99.