MDMA Therapy

Een ‘love drug’ om van je oorlogstrauma af te komen

Honderdduizenden mensen lijden ernstig en langdurig aan posttraumatisch stresssyndroom. Conventionele therapieën bieden pakweg de helft soelaas. Maar oorlogsveteranen in de VS blijken veel baat te hebben bij een nieuwe therapie, met xtc-grondstof mdma. Ook in Nederland komt een proef.

NRC Zoran Bogdanovic

Het is mei 2012 en Nigel McCourry (36) draagt een slaapmasker. Door een koptelefoon hoort de Amerikaanse Irakveteraan meditatiemuziek. Tegenover hem zitten therapeuten: een man en een vrouw. Eerder gaven zij hem een kleine dosis mdma, een kristalvormig poeder dat bekendstaat als love drug en dat de werkzame stof is in xtc-pillen. Zou dit de ex-marinier van zijn posttraumatische stresssyndroom (PTSS) afhelpen?

Een uur na inname creëert zijn brein in het donker een beeld. McCourry ziet drie tentakels om zich heen slaan en wild dansend in elkaar verwikkeld raken.

Hij voelde dat elk tentakel een emotie voorstelde, vertelt hij nu aan NRC via Skype, vanuit zijn werkplek in Sherwood, Oregon. „Schuldgevoel was er een van.” In een vuurgevecht in Irak schoot McCourry twee meisjes dood. Ze zaten in een truck die op hem af reed. De chauffeur had zijn waarschuwingsschoten genegeerd. Toen brak er iets in hem.

Terug in de Verenigde Staten kon hij nauwelijks meer slapen. „Ik had last van nachtmerries en koud zweet.”

Wat de andere twee tentakels voorstelden? „Wantrouwen jegens anderen, en eenzaamheid.”

“Ik kon de trauma’s een plek geven”

Nadat hij in 2004 in de Verenigde Staten was teruggekeerd, hielden militaire artsen stug vol dat hij geen PTSS had: „Mentale ziektes waren bij de mariniers toen nog een taboe. Ik was een emotioneel wrak, maar kreeg geen diagnose. Toen vroeg ik me af wie gek aan het worden was: de wereld, of ik?”

McCourry vond het steeds moeilijker zich te concentreren op de simpelste taken, of bijvoorbeeld zijn aandacht bij een gesprek te houden. „Ik praatte steeds minder met vrienden en bekenden. Ook was ik bang dat vertellen over de gebeurtenissen in Irak hen eveneens zou traumatiseren.”

Zonder nachtmerries

De tentakels waar McCourry mee worstelt, ziet hij tijdens de therapiesessie van bovenaf. „Ze hadden geen grip meer op me.” Voor het eerst kan hij pijnlijke herinneringen uit Irak ophalen en delen met de therapeuten zonder in te storten. Wat jaren zwijgen en vele bezoeken aan de psycholoog niet oplosten, lukte in een acht uur lange therapiesessie met mdma: „Ik kon de trauma’s een plek geven.”

De nacht erna slaapt hij voor het eerst weer zonder nachtmerries. Na nog vier sessies en een controle krijgt hij te horen dat hij geen PTSS meer heeft. „Eindelijk voelde Irak niet meer als gisteren. Het voelde als acht jaar geleden.”

McCourry is een van 107 veteranen die in 2012 meededen aan een Amerikaans onderzoek naar psychotherapie met hulp van mdma. Bij hen waren andere therapieën niet aangeslagen. Het onderzoek, onder toezicht van de Amerikaanse ‘medicijnenwaakhond’ FDA, is succesvol afgesloten. Deze zomer begint de eindfase: een zogeheten dubbelblinde test waaraan ruim tweehonderd veteranen deelnemen. Een deel krijgt een placebo, anderen mdma. Als de resultaten goed zijn, kunnen psychiaters en psychologen in de VS de drug in 2022 gaan gebruiken om PTSS-patiënten te behandelen.

„En als het meezit, een paar jaar later ook in Nederland”, zegt Eric Vermetten. Hij is als kolonel-arts en -psychiater bij defensie en als bijzonder hoogleraar aan het Leids Universitair Medisch Centrum gespecialiseerd in behandeling van psychotrauma’s. Vermetten gaat het eerste Nederlandse onderzoek leiden naar behandeling van PTSS met mdma. Dat begint na de zomer bij de Arq Psychotrauma Expert Groep in Diemen, een samenwerkingsverband van een aantal instellingen die zich richten op trauma. In Amerika kreeg hij training van onderzoekers die meewerkten aan de onderzoeken daar.

Arq schat dat Nederland enkele honderdduizenden mensen met PTSS telt, vooral oorlogsveteranen, slachtoffers van (seksueel) misbruik en getuigen van ernstige gebeurtenissen. Een exact cijfer is er niet; veel mensen zoeken uit angst en schaamte geen hulp.

Volgens Vermetten is onderzoek naar de nieuwe therapie belangrijk. De laatste decennia is weinig vooruitgang geboekt in de bestrijding van PTSS. „Als therapeut wil je met de patiënt terug naar het moment van het trauma om de gebeurtenis te verwerken. Maar dat is het laatste wat een persoon met PTSS wil. Het trauma herbeleven is doodeng.”

Dat is waar mdma kan helpen. De stof vermindert angst en laat veel oxytocine en serotonine in de hersenen vrijkomen. Dat leidt tot liefdevolle emoties en zelfacceptatie. In essentie verschilt therapie met mdma niet veel van beproefde psychotherapeutische methodes als EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) en cognitieve gedragstherapie: genezing vereist confrontatie met het trauma.

“De herbeleving duurde misschien drie minuten, maar in die tijd verwerkte hij het trauma”

Vermetten noemt het voorbeeld van een Amerikaanse Irakveteraan die tijdens een vuurgevecht voor de keus stond: zijn brandende kameraad redden of voor zichzelf kiezen en terugschieten op de vijand. Hij koos voor het tweede. Schuldgevoelens wekten heftige PTSS op. „Hij kon het zichzelf niet vergeven en had last van paniekaanvallen bij de gedachte aan de gebeurtenis”, zegt Vermetten. „Maar tijdens de mdma-sessie omschreef hij de scène in geuren en kleuren, zonder een moment in paniek te raken. De herbeleving duurde misschien drie minuten, maar in die tijd verwerkte hij het trauma. Nacontrole bevestigde dit enkele weken later: hij had geen PTSS-symptomen meer.”

Vooralsnog spreken de Amerikaanse onderzoekers van minimale risico’s bij therapie met mdma. Maar in Nederland vallen jaarlijks zo’n acht doden bij gebruik van xtc-pillen, waar mdma in zit. Is de stof niet te gevaarlijk als hulpmiddel? Vermetten vindt van niet. „Mensen met hartkwalen lopen een verhoogd risico. Daar testen we vooraf op. Ook krijgt de patiënt een lagere dosis dan in xtc-pillen zit.”

En de beruchte ‘dinsdagdip’, het verschijnsel dat sommige recreatieve gebruikers tot een paar dagen na inname van mdma of xtc last van depressieve gevoelens hebben? Vermetten: „Door de lage dosis is de kans hierop bij therapie met mdma klein. Maar voor de zekerheid blijft de patiënt de eerste nacht op de kliniek slapen en volgt de dag erop een nagesprek. De week erna zijn er dagelijks telefonische controles.”

Geen tijd om te huilen

Raoul Janssen (53), een stoere Brabander, heeft al jarenlang slapeloze nachten na een militaire missie in Bosnië in 1993. Die gingen gepaard met pijnlijke ontstekingen, overal in zijn lichaam: iets optillen leidde soms tot heftige pijnscheuten. Ook leed hij aan concentratieverlies en woedeuitbarstingen. „Mijn lontje werd steeds korter, totdat ik er geen meer had.” Zijn breekpunt lag in een tehuis in Sarajevo. Hij haalde het lijk van een klein meisje uit bed. „Ik dacht dat ze sliep.” Erbij stilstaan lukte een paar tellen. „Daarna moet je door; geen tijd om te huilen.” De PTSS ontwikkelde zich na thuiskomst.

Na vijftien jaar opkroppen zocht Janssen hulp. Hij kreeg EMDR-therapie, door een koptelefoon hoorde hij piepjes die afleidden als hij over het trauma sprak.

I hate it and I love it”, zegt Janssen. „De therapeut nam hele dagen die ik doorbracht in Bosnië met me door. Als hij merkte dat ik in een negatieve spiraal belandde, zei hij: ‘Houd dat gevoel vast.’ Tijdens EMDR was de herbeleving van een trauma drie keer zo heftig.” Zó heftig dat hij tweemaal een eind aan zijn leven wilde maken. „Ik heb met de auto bij het spoor gestaan, de andere keer wilde ik een kanaal in rijden.”

Maar de therapie sloeg aan. Na twee jaar EMDR verdwenen de ontstekingen en kon hij weer gesprekken voeren zonder boos te worden. Inmiddels gaat het beter met hem, maar slapen blijft een probleem. „Twee, drie uur slaap per nacht – meer zit er nog niet in.”

Waar bij conventionele therapieën als EMDR de behandelaar de patiënt naar het traumamoment ‘stuurt’, gebeurt dat bij therapie met mdma ‘vanzelf’, vertelt psychiater Vermetten. „Dat is ook het verbazingwekkende hieraan. Het hoeft niet op commando. Tijdens een sessie gaat de patiënt zelf terug naar het trauma. De mdma vermindert de weerstand en de angst om erin te duiken. De therapeuten zijn er om het proces te begeleiden.”

Alleen bij ‘enkelvoudig trauma’, een incident dat op tijd behandeld wordt, is PTSS volgens de Arq Psychotrauma Expert Groep volledig te genezen. Bij mensen met complexe vormen van de stoornis, zoals McCourry en Janssen, ligt dat anders. Met bestaande therapieën kunnen psychotherapeuten ongeveer de helft van hen helpen. Arq: „Helaas komen ook die patiënten niet helemaal van de stoornis af. Ze hebben last van chronische klachten of krijgen een terugval.”

“Ik heb met de auto bij het spoor gestaan, de andere keer wilde ik een kanaal in rijden”

Ook McCourry beleeft momenten die hem terugbrengen naar het trauma. Beelden op tv, een geur die doet denken aan Irak. „Voorheen verpestte dat heel mijn dag, nu kan ik nare gevoelens binnen een kwartier van me afschudden.”

Een jaar na het onderzoek waaraan McCourry deelnam, bleek dat 68 procent van de 107 veteranen geen PTSS-symptomen meer had. Daarvoor hadden ze gemiddeld 17,8 jaar last van de stoornis. En de onderzoekers zien hooguit „minimale gezondheidsrisico’s”.

Veelbelovend, vindt Vermetten. Maar hij maant ook tot voorzichtigheid. „Mdma staat bekend als illegale drug. Door deze reputatie is het extra belangrijk dat de komende onderzoeken zorgvuldig en professioneel worden uitgevoerd.”

Parallel aan zijn Nederlandse onderzoek komen er studies in andere Europese landen met samen zo’n dertig tot veertig patiënten. Als de resultaten net zo goed zijn als in de VS, worden die voorgelegd aan Nederlandse College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Dat kijkt er samen met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu naar, en uiteindelijk kan dat leiden tot toelating in Nederland. Voor de Europese markt neemt het Europees Geneesmiddelenbureau na een soortgelijke procedure een beslissing.

Wanneer de behandelmethode in Nederland beschikbaar kan zijn, is lastig te zeggen, zegt Vermetten. „Als het meezit over vijf, zes jaar.”

Dan moeten ook therapeuten worden getraind om de methode te kunnen toepassen. Nu gebeurt dat alleen nog in de VS. Daar worden psychiaters en psychologen opgeleid door de non-profitorganisatie Multidisciplinary Association for Psychedelic Studies (MAPS). Die stimuleert wetenschappelijk onderzoek naar psychedelica (geestverruimende drugs) en is de motor achter het mdma-onderzoek in de VS.

Toelating van mdma

Wat MAPS in Amerika is, wil de Amsterdamse stichting OPEN in Europa worden. Zij organiseert lezingen en congressen om wetenschappelijke aandacht te wekken voor de therapeutische effecten van middelen als lsd, psychedelische paddestoelen en mdma, en wil de kennis erover bundelen. „De door MAPS gefinancierde studies zijn klein, maar heel succesvol”, zegt OPEN-voorzitter Joost Breeksema (35), filosoof en adviseur over drugsbeleid. „Reden genoeg om in Europa hetzelfde te doen.”

Ondanks de illegale status is mdma in Nederland niet moeilijk te krijgen. Op internet staan talloze verhalen van mensen die claimen dat ze hun trauma (deels) verwerkt hebben door mdma op eigen houtje in te nemen. Breeksema raadt iedere vorm van zelftherapie met psychedelica resoluut af. „Fysiek zijn de gezondheidsrisico’s klein, maar deze middelen kunnen psychologische schade veroorzaken en symptomen verergeren. Het heet niet voor niets ‘mdma-geassisteerde psychotherapie’. Een veilige omgeving en een therapeut die je vertrouwt zijn essentieel.”

OPEN wil die therapeuten gaan trainen in toepassing van mdma. Breeksema: „Bij deze sessies komen negatieve emoties naar boven. Het vergt van een therapeut veel inlevingsvermogen, flexibiliteit en kunde om de patiënt daarbij te begeleiden. Dat is ook zo bij nu al goedgekeurde therapieën, maar een acht uur durende sessie met mdma is toch net wat anders.”

In september gaat MAPS in Nederland 55 Europese therapeuten trainen. „Geen toeval”, zegt Vermetten. „Arq en OPEN willen Nederland pionier maken op het gebied van mdma-geassisteerde therapie.”

In de VS kijkt MAPS uit naar legalisatie van de therapie. „Als het zover is”, zegt woordvoerder Brad Burge via Skype, „kunnen we tienduizenden therapeuten trainen. Ook gaan we mdma produceren en verkopen aan zorginstellingen in de VS.” Dit zou de stichting, die nu via crowdfunding aan haar geld komt, vaste inkomsten kunnen bezorgen. Burge: „Dan stromen de miljoenen binnen en kunnen we meer onderzoek naar therapeutische effecten van psychedelica financieren.”

Sinds de uitvinding van het antidepressivum prozac, eind jaren tachtig, waren er op het gebied van mentale ziektes maar weinig doorbraken. Wordt dat anders door de geestverruimende drugs? Burge: „Als de middelen goed blijken te werken, waarschijnlijk wel. Er is een grote groep mensen bij wie antidepressiva en bestaande therapieën werken. Maar anderen kunnen baat hebben bij een sessie bij de therapeut met lsd of mdma.”

Janssen, nog steeds werkzaam bij defensie, heeft „een afkeer van drugs”. Toch zou hij bij legalisatie interesse hebben in mdma-geassisteerde psychotherapie. „Als het kan helpen… Waarom niet?”

 

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/06/17/een-love-drug-om-van-je-oorlogstrauma-af-te-komen-a1606928

20180620061510

 

Advertisements

Escher

Bibeb interviewt Escher: ‘Ik vind wat ik zelf maak het mooiste en ook het lelijkste’

In 1968 gaf M.C. Escher met tegenzin toe aan een gesprek met interviewer Bibeb. Nu, vijftig jaar later, volgt er een documentaire over de wiskundige principes van de kunstenaar. ‘Ik merk wel dat ik te doen heb met iemand die niets van de techniek afweet.’

Door BIBEB
Beeld EDDY DE JONGH
BIJ VN, DOOR HOOFDREDACTEUR WARD WIJNDELTS

Het vraaggesprek dat VN’s meesterinterviewer Bibeb deze maand vijftig jaar geleden heeft met de dan al wereldberoemde graficus M.C. Escher is uitzonderlijk. Zo uitzonderlijk, dat de makers van Escher-documentaire Het oneindige zoeken, Marijnke de Jong en Robin Lutz, ontzettend blij zijn als ze het artikel, dat op 20 april 1968 werd gepubliceerd, onder ogen krijgen. Het is een ‘geweldig open’ gesprek, schrijft De Jong ons, waar ze in de film ‘heel dankbaar gebruik van hebben gemaakt’.

Het uitgangspunt van de documentaire van Lutz en De Jong is een passage uit een brief die Escher in 1969 schreef aan een Amerikaanse verzamelaar: ‘I fear that there is only one person in the world who could make a really good film about my prints: myself.’ Het leidde ertoe de makers enkel eigen woorden van Escher gebruikten om een beeld over diens leven en werk te schetsen. En dat zorgde er weer voor dat onderstaand vraaggesprek een belangrijk onderdeel van de film is.

‘Nee, ik voel er niets voor,’ zei de graficus M.C. Escher toen ik hem vroeg om een interview. En: ‘Goed, als u dat risico nemen wilt’ zei hij, na mijn voorstel toch naar hem toe te gaan en af te wachten, hoe we op elkaar zouden reageren. Wat nu volgt is het resultaat van twee middagen in zijn atelier in Baarn. Dat wordt, net als de rest van het huis, door een grote omringende tuin gescheiden van de weg en de buren. We zitten naast elkaar bij de tekentafel, waarboven, aan een stok, pas afgedrukte houtgravures drogen. Verder hangt nergens werk van hem, ook niet in zit- en eetkamer. Hij verdraagt het niet om zich heen. Op een kast: bollen, kubussen, prisma’s van papier, hout en glas.

M. C. Escher (mager, vrij lang, blik — althans nu — speels, uitdagend): ‘Mijn werk heeft niets met de mens, niets met psychologie te maken. Ik ben veel celebraler dan Willink. Ik wens helemaal niet diep te zijn. Ik weet dat ik in dit werk niets verberg. Als Carel Willink een naakte juffrouw in een straat schildert, denk ik: wat heeft die juffrouw daar te maken? Meneer Willink zegt: in drie dagen smijt ik dat naaktje erop. Waarom doet hij dat? Die rookwolk vind ik wel leuk, een aardig idee, maar die twee naakte juffrouwen, de ene groter en dichtbij, de andere verderop en klein… nee. Dat hij die huizen zo schildert, daarop zeg ik: ja… de gevels maken op mij de indruk van iets lugubers. Het is dus een lugubere straat. Mijn werk is niet luguber. Als je Willink vraagt: waarom zijn die naakte juffrouwen daar, krijg je geen antwoord. Bij mij krijg je altijd antwoord als je vraagt: waarom…’

Ik (wijs in zijn boek ‘M.C. Escher, grafiek en tekeningen’ een prent aan): ‘Waarom zit dat mannetje achter tralies?
‘Het gaat niet om dat mannetje maar om het huis, dat helemaal ónmogelijk is. Ik moest die onmogelijkheid illustreren met figuurtjes, het mannetje is er één van.’
Hij is de enige, die er niet uit kan. Bent u het?
‘Best mogelijk. In ieder geval heeft de jongen op de bank (buiten het kubusachtige huis zonder gevels) alleen aandacht voor de kubus’ (in z’n hand).
Bent u die jongen?
‘Ik ben liever de man met de kubus dan de gevangene, misschien ben ik een projectie van beiden. Maar het gaat mij alleen om het leuke idee: dit is een onbestaanbaar huis, een impossible object.’

Belvédère (1958 Litho), MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Ik, na bladeren in het boek: ‘En dit?
‘Dat heb ik getekend in de gewelven van de St. Pieter in Rome. Hierin ligt het lijk van een bisschop en dat — (grote sprinkhaan, soort Doodbidder, op de borst van het stenen beeld van de bisschop, op de deksel van een sarcofaag) — is een Biddende Jonkvrouw. De vrouwelijke exemplaren eten bij voorkeur zes, zeven echtgenoten op. Kijk, die geweldige grijparmen. Ze zit doodstil te wachten tot een echtgenoot op de proppen komt en daarbij in een houding of ze bidt! Ik dacht, je moet de onzin van het bidden… ’t Is een persiflage, maar ook ernstig bedoeld. Hij kijkt er ernstig bij en zij ontzettend wreed. ’t Is een vreselijke aanstelster, doet of ze bidt… Ze kwam op m’n papier zitten, ik heb haar zo kunnen natekenen.’

Dit heeft toch wel met mensen te maken.
‘Dat is geen goed voorbeeld. Ik heb dit gemaakt op de grens van een nieuwe periode, het valt erbuiten.’
Ik blader in het boek:‘Ik ga er nog eentje uitkiezen.
‘Ik merk wel dat ik te doen heb met iemand die niets van de techniek afweet.’
Waarom?
‘U zegt, ik zal er nog eentje uitkiezen. Wat ik doe is heel iets anders dan schilderen. Willink maakt een eenling. Ik nooit. Ik maak iets om te vermenigvuldigen, omdat dat in me zit.’

DUIZELIG

Deze is vreemd, als je lang kijkt word je duizelig.’
‘Die is interessant. Ik heb die gemaakt in de St. Pieter. Ik zat daar (hoog in de koepel) enige uren lang. Telkens kwamen er vreemdelingen langs, die zeiden: gut wordt u niet duizelig. Dan zei ik ja, dat is juist de bedoeling. Dat is de kwintessens van deze prent. Ik wou het gevoel van duizeligheid uitbeelden. Toen ik die maakte wist ik niet, dat waar verticalen samenkomen je in het nadir kijkt.

U bent knap in wiskunde, he?
Escher schiet in de lach: ‘Helemaal niet. Ik heb er nooit voldoende voor gehad. Het leuke is, ik schijn wiskundige theorieën aan te snijden zonder het zelf te weten. Nee hoor, ik was een heel dom jongetje. Ik heb een ellende gehad op de burgerschool. Het enige lichtpunt was de tekenles, niet omdat ik zo goed tekenen kon, maar omdat het het enige soelaas was in een afschuwelijke tijd. En te denken dat wiskundigen hun boeken illustreren met mijn plaatjes. En ik met al die wijze mannen omga als frère et compagnon. Men denkt altijd dat mathematici stoffige oude heren zijn. Ze zijn vrolijk, kinderlijk, erg speelzuchtig, met al hun dikke koppen die barsten van de kennis zijn het kwajongens.’

Denkt u nog wel es aan die schooltijd?
‘Ik heb nog tien jaar daarna angstdromen gehad.’

Mathematici zijn vrolijk, kinderlijk, erg speelzuchtig, met al hun dikke koppen die barsten van de kennis zijn het kwajongens.

Werd u gesard?
‘Nee, de leraren plaagden me niet, maar de angst niet mee te kunnen. En als je nu bedenkt dat grote wiskundigen mijn werk interessant vinden, omdat ik in staat ben hun theorieën te illustreren. Ze kunnen zich helemaal niet voorstellen dat ik zo slecht was in wiskunde. Ik snap er zelf ook niets van. Ik begreep niet dat je iets moest bewijzen wat iedereen ziet. Ik zag het, ik wist, het is toch zo… Maar jawel hoor, je moest het bewijzen. Ik ben er bovenuit gekomen toen ik me realiseerde, dat ik wat anders kon. Ik dacht, dat ik een nietsnut was.’

Hoe deden ze thuis?
‘Ik kom uit een milieu waar geen artiesten in waren en ja, dat heeft wel m’n werkkracht gestimuleerd, ik wou tonen dat ook een artiest, nou ja, ik heb een hekel aan dat woord, het wel een eindje schoppen kan. Ik was een rare eend in de bijt, he? ’t Is gewoon een kwestie van zelfvertrouwen. Mijn zoons zijn alle drie exact ontwikkelde mensen. Ze vinden het niet zo geweldig wat ik maak. Ze hebben gelijk. Een wetenschaps-mens is betrouwbaar, een artiest niet. Wij hebben geen normen. Als een man van de wetenschap iets doet wat niet goed is, wordt hij op z’n vingers getikt. Kunstenaars doen maar wat. Op enkele uitzonderingen na, zoals Dali, daarvan zie je dat ie wat kan, afgezien van het feit dat hij gek is.’

BEELDHOUWERS

‘Deze twee in de lucht zwevende spiralen die een geheel vormen en het hoofd van een man en een vrouw weergeven is luguber.’
Helemaal niet. Ik heb eerst die (een spiraal waarop de ogen, mond, het voorhoofd van een vrouw) gemaakt maar ik kan niet goed hebben dat iets wordt afgesneden. Ik dacht, waarom is dat mens hier afgesneden? Toen heb ik die twee gemaakt, die een eindeloosheid hebben. ’t Is ook bedoeld als reactie tegen beeldhouwers. Ik zie daar een beetje op neer, nee dat is niet goed gezegd, beeldhouwers zijn te beperkt. Ze denken zelf dat het heel wat is, maar boetseren kan iedereen. Tekenen is veel moeilijker, veel onstoffelijker.

Band (1956 Litho). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Wij kunnen veel meer suggereren. Ik heb deze in ’35 gemaakt. Toen keek geen mens er naar om, nu verkoop ik ze nog voortdurend, vooral naar Amerika — Ik kan van m’n werk onbegrijpelijk veel verkopen. Ik zou miljonair kunnen, zijn. Als ik in m’n atelier assistenten had, die ik zou laten werken, zouden ze de hele dag houtsneden moeten afdrukken om aan de vraag te voldoen. Ik denk er niet aan. Wat moet ik met het geld? Ik heb drie zoons, die hebben het goed. Nog meer centjes, daar kunnen ze alleen maar slecht van worden.’

‘Sinds wanneer kunt u zoveel verkopen?’
‘’t Wordt hoe langer hoe erger. Sinds zes, zeven jaar is het nijpend, kan ik het lang niet aan. Vooral na m’n boek, maar al vóór die tijd ging het aardig.’

Hoeveel vraagt u voor een afdruk?
‘Vierhonderd gulden, dat is eigenlijk te weinig omdat de vraag te groot is. Van deze alleen al (zijn bekende Dag en nacht: witte en zwarte vogels die elkaars achtergrond vormen boven een wit dag en een zwart nachtlandschap, tevens elkaars spiegelbeeld) kunnen de Amerikanen niet genoeg krijgen. Het gaat maar door. Er wordt wel gevraagd hoe groot de oplage is. Er is geen oplaag. Ik druk bij zolang ik kan. Het gaat hier om de idee van de vlakvulling door object en achtergrond. Je kan niet zowel die witte als de zwarte vogels zien. Néé, dat kunt u niet.
Ik heb het met een oogarts erover gehad. Onze ogen zijn gewend aan het fixeren van een bepaald object, op dat moment is alles eromheen achtergrond. Als ik u aankijk, zie ik niet tegelijk die kast. Het is zeker niet diepzinning.’

Dag en nacht (1938, Houtsnede). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Was u opgewonden door die vondst?
‘Ja. Ik was veertig, dat is de leeftijd waarop de meeste mensen het scherpst zijn. Het is wel een piek in het menselijk leven. Het was een heel rijke tijd voor mij. Ik was toen uit Italië weg. Ik was het Italiaanse landschap, de architectuur kwijt en er moest iets anders voor in de plaats komen… Dat stimuleerde het ontstaan van innerlijke beelden.

Mijn vader leefde toen nog, hij is 96 geworden. Hij schudde z’n wijze hoofd van ingenieur. Ik kom uit een familie van exact ontwikkelde mensen, hij vond het métier van mij maar zo zo… Hij heeft nooit geweten dat het een geldbron zou zijn. Het is gewoon een bankbiljet. Je drukt het af en dan krijg je er zoveel voor. Een grote lap bankbiljet, ’t is eigenlijk gewoon geld drukken. Ik doe het met een benen lepeltje. Ik gebruik geen pers. De ouwe Japanners deden het ook zo. ’t Is veel beter maar het duurt veel langer. Maar ’t is ook het behoud van de plank. Na dertig jaar is die nog uitstekend.’

Hoe ging het toen u niets verdiende?
‘Mijn ouders waren gelukkig vermogender dan die van vele collega’s. Moeite om aan de kost te komen heb ik nooit gehad. Ik heb nooit armoede gekend, ik kon doorzetten wat ik zelf wou… Maar zelf wist ik de waarde er helemaal niet van.’

WILLINK

‘U had het daarnet over Willink.’
‘Ja, ik bewonder z’n vakmanschap. Het valt me een beetje van hem tegen dat hij zoveel aandacht aan seks schenkt. Maar ja een mens is zoals hij is en Willink heeft getoond dat hij wat kan. Ik heb een vriendje dat seks ook zo verschrikkelijk belangrijk vindt, maar de ontwikkeling van de menselijke geest gaat ver boven de seks uit. Ik vind al die artikelen over sex, daar zit iets hinderlijks in, een grote overdrijving. Net of er niets anders bestaat.’

Natuurlijk, lichaam en geest zijn één, natuurlijk. Goed, ik ben er een beetje af, niet alleen door m’n leeftijd. Ik ben voor de vierde keer in m’n buik geopereerd, dan (lacht) praat je wel anders hoor. Het is voor mij nu een gesloten terrein. Hoe het vroeger was, komt niet ter sprake. Ik vind seks, ach al deze dingen nu een beetje belachelijk. De mensen denken dat alles erom draait… Mijn werk is er los van. Nu kan je zeggen ouwe steriele kerel… maar er zijn vele andere aandriften.

En ik kan wel medelijden hebben met Willink. Ik sta op een ander plan nu, terwijl hij, naar ik begrepen heb, er nog midden in zit. Kort geleden ben ik geïnterviewd door iemand van een Engels blad. Ze hadden het per brief aangevraagd. Ik wist niet wie er komen zou. Het bleek een hippie te wezen. Een heel aardig hippie, in een leren rokje tot hier, zwart leren billen. Ik moest er zo om lachen. Ze heeft een leuk stuk geschreven, ook met kritiek hoor. Nou, ze vond me om te zien een negentiende-eeuwse figuur, burger lijk… ik begrijp dat wel, zo’n kind komt uit Londen in het ingeslapen Baarn…

Ik heb het hier (de drukproef), ze schrijft… his goaty beard… Ze vond me een ouwe vent met een geitesik. En gisteren kreeg ik bezoek van Engelse artiesten, een man en een vrouw. Hij uitgedost als paljas, helemaal in blauw en rood. Zij met hele kringen om de ogen. Wel leuk hoor. Love- innetjes. Kwamen bloemen aanbieden. Ik begrijp het niet. Aan de ene kant waarderen ze mijn werk, terwijl ik niets zie in wat ze nu maken. Ik wandel steeds in raadselen. Er komen telkens jongelui die zeggen: u maakt ook opart. Ik weet helemaal niet wat het is, opart. Dit werk maak ik al dertig jaar lang.’

Ik begrijp het niet. Aan de ene kant waarderen ze mijn werk, terwijl ik niets zie in wat ze nu maken. Ik wandel steeds in raadselen.

Voor welke buitenlandse bladen bent u nog meer geïnterviewd?’
‘In Time en Life heeft een artikel over me gestaan. Ik vroeg de journalist, wat krijg ik daar nou voor. Die man zei: ik betaal geen cent, maar je zal er van horen. En er kwamen brieven uit de hele wereld, tot uit Honoloeloe toe. Nog steeds trouwens.’

Dr. L. Gans zei dat u als lastig bekend staat.’
‘Hij heeft me gevraagd voor die Bols Taverne. Maar dat wil ik helemaal niet. Dat is voor jonge kunstenaars die het moeilijk hebben. Lastig, ja, kunsthandelaars vinden mij lastig. Ik doe het allemaal zelf he, wat heb je aan zo’n tussenman. Ik heb maar één prijs, dat betekent dat de kunsthandel duurder moet zijn. Nou weet ik wel, die mensen moeten ook leven, het is een métier. Of métier, het is gewoon winkeliersmentaliteit. Zo geweldig bewonderen kan ik het niet. Ze hoeven zich er niet op te laten voorstaan, wij doen het.’

ROTLACHEN

Hebt u de tentoonstelling van Rauschenberg gezien?’
‘Daar weet ik niets van. Een vriend zei, ga mee, dan lach je je rot. Ik ben er niet geweest. Ik weet niet waarom je je rot lacht. Willink zegt dat De Wilde voor één ding honderdduizend gulden wou geven. Dat in Nederland dergelijke toestanden worden geduld, dat ze door de museummensen worden geduld is onaannemelijk. Ze zijn stapelgek. Het is het sprookje, de kleren van de keizer. Hele volksstammen gaan mee… Maar ik wil het niet te erg veroordelen. Ik weet het niet, ’t is een gesloten deur voor mij.’

Heeft het Stedelijk werk van u?’
‘Heel weinig. Boymans wel, een flinke collectie. Sandberg voelde er niks voor. Zag terecht, dat het niet modern was. ’t Kan mij helemaal niet schelen. Ik kan op dit moment toch niet aan wat ze vragen. Mijn lange prent Métamorfose komt nu zes maal vergroot geschilderd op de postkantoormuur in Den Haag. Ik moest er drie meter bij maken. In totaal zijn er nu zeven, dat wordt twee-en-veertig meter. In zwart, wit en kleur. In juni is er al een stukje te zien, dat zal dan groeien… ’t Kost verschrikkelijk veel geld. Ik ben óók niet goedkoop. Ik vind het op m’n ouwe dag een soort zwanezang. Ik heb aan de drie meter, die erbij moesten, een half jaar gewerkt.

Zwarte en witte blokken veranderen in salamanders, die honingraten worden, daarna larven, bijen, zwarte vogels, terwijl uit de achtergronden witte vissen ontstaan die in de tegengestelde richting zwemmen.

Ik had wel sterk de idee, kan ik het wel volbrengen… Ik ben vier keer geopereerd, de laatste keer in Toronto en het verdomde lichaam moet je iedere dag verzorgen, dat kost tijd. Metamorfose heb ik dertig jaar geleden gemaakt, gek dat men er weer op terug komt …Ir. Bast, toen nog directeur-generaal van de PTT, had gezegd, als je mij een plezier wil doen, nemen jullie een ding van Escher. Hij had het in zijn vergaderzaal en als hij zich verveelde, keek hij ernaar. Hij zei, ’t is leuk voor mensen die in de rij staan, dan zien ze vogeltjes, vissen… Kijk.’

Escher rolt de zeven meter lange prent uit. Zwarte en witte blokken veranderen in salamanders, die honingraten worden daarna larven, bijen, zwarte vogels, terwijl uit de achtergronden witte vissen ontstaan die in de tegengestelde richting zwemmen.

‘Zodra je het een oogje geeft begint het te leven en als je het een bek geeft, is het al een dier. Hier veranderen vogels in ruiten, dan wordt het plastisch, kijk kubussen, een huisje, een stad. Het aardige van de opdracht was, dat het m’n eigendom blijft. Ik mag het verder verkopen. Ik heb het in z’n geheel al naar Amerika verkocht.’

PSYCHIATER

De stad verandert in een schaakbord. Schaakt u?
‘In Zwitserland zaten we ’s winters opgesloten in de sneeuw, daar was ik lid van een schaakclub. Ja, wat moest ik doen in die ellendige sneeuw. Daar heb ik die rare ideeën gekregen van vogels, vissen, lucht, water.’
Nachtmerrieachtig.’
‘Dat is helemaal voor jullie verantwoording. Ik heb nooit bij een psychiater op de stoel gelegen. ‘’t Heeft ook iets van toveren. Houdt u van sprookjes?
‘Vroeger heb ik veel van Grimm gehouden. Als kind, ook als jongen was ik er enorm door gegrepen. Nu herlees ik The Hobbit, van Tolkien, de tocht van die dwergen. Er is geen werkelijkheid bij. Waarom (blik van alle speelsheid ontdaan) moet je net je neus gedrukt worden op die ellendige werkelijkheid. Waarom mag je niet spelen.’

Waarom vraagt u dat?
‘Soms heb ik het gevoel: mag dat nou wel. M’n werk is niet ernstig genoeg. Als je dit doet, terwijl op de tv die afschuwelijke Vietnam geschiedenis… Ik heb vrienden, toneelmensen, die woedend zijn omdat ik niet meega naar de schouwburg. Ik heb een keer ‘De dood van een handelsreiger’ gezien, een prachtig stuk, maar ik wil er niet meer heen. Daarom leef ik niet. Het leven is ellendig, dat weet ik ook wel. Ik lig niet voor m’n plezier wakker. Ik slaap slecht, als ik wakker lig neem ik The Hobbit. Die beschrijvingen zijn zo echt alsof hij er zelf heeft gewoond.

Ik leef helemaal in dat bos met de spinnen, dat is ook een werkelijkheid: géén werkelijkheid. Ik weet niet goed wat ik beginnen moet met de werkelijkheid, m’n werk heeft er niets mee te maken. Ik weet dat het fout is. Ik weet dat het je plicht is om mee te douwen, mee te helpen opdat het zich alle maal ten goede keert. Maar ik ben niet geïnteresseerd in de mensheid. Ik heb een grote tuin om me al die lieden van het lijf te houden. Maar in m’n gedachten komen ze binnen. Roepen ze: wat moet jij met die grote tuin. Daar hebben ze gelijk aan. Maar ik kan alleen werken als ik niet merk dat ze er zijn.

Ik voel niet zo broederlijk. Ik heb een stuk of drie, vier vrienden nog van de burgerschool in Arnhem. Die zoek je dan uit, omdat ze bij je passen. Ik heb ze niet losgelaten. Sommigen zijn dood.’

HOLLAND

Een bewonderaarster van u zei: aan z’n werk te zien zou je zeggen dat hij wreed is.
‘‘t Heeft niets met wreedheid te maken. Misschien is ze boos dat ik niet genoeg van de mensen houd, hen afwijs. Het kan ook een soort angst zijn voor de mens. Ik was als jongen erg kwetsbaar. Daar komt bij, hier in Holland mag niks. Ik herinner me dat ik in Den Haag liep met een rol tekenpapier onder m’n arm. Plotseling riep iemand in m’n gezicht: Ik met me rol! En hoe vaak ik niet uitgescholden ben: vanwege m’n sikje. Bè roepen ze, bè.’ Lacht. ‘M’n zoon is erg anti-Hollands. Ik ben het op mijn manier ook wel.’

Hoe kwam u op dat dier met vier mensenvoeten. U noemt het Wentelteefje, het loopt trappen op en af en als het haast heef kan het zich oprollen.
‘Dat idee kreeg ik toen ik op de fiets zat. Ik dacht, wat idioot, nou rol ik met wielen over de grond, dat gaat veel makkelijker dan te voet, dat knippen. God heeft vergeten dat wiel te maken, dat is stom geweest, daarom moet ik het maar doen. Ik heb het beest eerst moeten boetseren. Daarmee heb ik nooit moeite, met tekenen wel, dat kan ik niet goed, dat vind ik verschrikkelijk moeilijk, tekenen.’

(1951 Litho). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Hij neemt uit een kist drie Wentelteefjes van klei in gestrekte, in halve en helemaal opgerolde houding. Zet er een verdroogde kikker naast en een enorme mier van klei, op een gasplaat.

‘Willink weet niet waarom hij die naakte juffrouw in de straat zet, maar ik heb die mier gebuikt omdat een mathematicus uit Engeland me schreef: als je plannen hebt om een hand van Möbius te maken, dan moet je, om te illustreren dat die band maar één oppervlak heeft, er een mier in zetten, want die loopt maar door. Deze heb ik heel goed bestudeerd. Ik had hem uit het bos. Hij liep als een razende rond, na drie dagen was hij dood en een goed model. Nog voordat hij verkrampt was, heb ik hem vastgelijmd aan de pootjes. Het gekke is, het is geen echte mier, maar een grote Haarboskever. Toch zat hij in een mierenhoop, wat deed hij daar? Dat hij geen mier is zie je aan die knobbel. Meneer Hillenius zal dat leuk vinden. De knobbel heb ik eraf gelaten natuurlijk. Neemt van de stok boven m’n hoofd een prent waarop de Band van Möbius, in de vorm van een brede achtbaan, waarin zeven grote rode mieren kruipen. En toont de drie planken die voor deze afdruk nodig zijn, één voor het zwart, het rood en het grijs.

Band van Möbius II (1963, Houtsnede). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Vroeger wist ik niet wat tijd was, ik ging maar door. Daar bestond mijn leven uit. Uit weinig meer dan dat. Nu, als ik met iets bezig ben, heb ik angst, denk ik elk ogenblik, misschien is het het laatste, tussen twee prenten in vind ik zelfmoord een aardige gedachte. Ik zou een club op willen richten van zelfmoordenaars. Alleen na je zeventigste kan je lid worden en het moet onder leiding staan van een medicus. Het mogen er niet te gek veel zijn. En zo nu en dan zegt eentje: het moet gebeuren. Dan wordt hij om zeep geholpen.

Als ik met iets bezig ben, ben ik als de dood om dood te gaan. Stel je voor, dat ik het niet klaar kan krijgen. Het zou geen verlies zijn, maar wèl voor mij. Als het af is, zie ik wat in de zelfmoordclub. Op dit ogenblik niet. Nee. Nu wil ik beslist niet dood.’

WIT-ZWART

‘De naam Wentelteefje is bedrieglijk, het is een somber dier, en het staat voor niets.
‘Er is niets dat zich rollend kan voortbewegen in de natuur, alleen een egel als je hem een trap geeft. Ja, dat wiel heeft onze lieve heer vergeten te maken, een stommiteit van onze lieve heer. Net of hij zo lief is. God kan er alleen zijn als er als tegenpool de duivel is. Dat is het evenwicht. Die dualiteit vind ik persoonlijk wel heel treffend. Maar dat schijnt ook niet te mogen. De mensen worden over dit soort dingen zo diepzinnig, dat je er al heel gauw niet meer bij kan. Terwijl het is zo simpel, wit-zwart-dag-nacht, de graficus leeft ervan.’

U zei dat u zo cerebraal was, ik merk het niet erg.
‘Ik ben met passie gaan werken toen ik ontdekte, dat ik zelf dingen had, die eruit moesten, dat ik iets kan uiten wat een ander niet heeft. Dat begon in Zwitserland met die domme bergen. Italië, het landschap, de mensen, die zeggen me wat. Zwitserland niet en Holland nog veel minder. We zijn noodgedwongen naar Zwitserland gegaan in ’34.

Van Mussolini’s fascisme hadden we als vreemdelingen geen last maar toen onze eigen zoon op school zo’n pakje aan moest trekken, néé…

Ik heb veel kameraden die zweren bij Picasso. Die zouden niet zonder Picasso kunnen leven, ze gaan ervan uit: hij heeft dat gedaan en wij gaan erop dóór.

Je moet eerst een heleboel opslurpen van je omgeving en dan gaat het erom het eruit te halen. Wat in je is moet eruit.

Maar ik begon met niks. Diertjes in mekaar zetten, uitknobbelen tot ze samen het vlak vullen is iets, wat anderen niet hebben gedaan. Ik moest het helemaal zelf doen, dat kost inspanning, geduld, tijd. En het wordt moeilijker naarmate je ouder wordt. Want dan word je minder gegrepen door het denkbeeld, dat je wilt uitvoeren. Dan ga je meer tijd verbeuzelen. Ze zeggen Escher heeft allerlei dingen uitgevonden, die vlakverdeling, dingen die speciaal van mij zijn en een beetje buitengewoon zijn misschien… Maar die zijn er door de gunstige omstandigheden uitgekomen. Ik had het voorrecht behalve ontwikkelde ook vermogende ouders te hebben. Ik ben niet als Vietnamees geboren. Je moet eerst een heleboel opslurpen van je omgeving en dan gaat het erom het eruit te halen. Wat in je is moet eruit.

Vandaar al die mensen, die prentjes van me kopen… ik zeg altijd: maak toch zelf wat… Probeer wat, doe zelf wat. Het irriteert me. Ik vind het lief, dat ze er echt centjes voor over hebben. Dat is (lacht) de enige norm die je hebt. Zonder centjes kan het niet. Ik krijg hier mensen van wie ik weet, dat ze het moeilijk kunnen missen en het er toch voor overhebben. Dat is een prettige gedachte… De enige norm is het stomme geld. Er zijn zulke aardige mensen bij, jonge architecten… Het brengt ze misschien toch op gedachten. Irriterend vind ik het als mensen slijmerig doen. Dames, die zo hemels gaan kijken. Dan denk ik: wat bezielt jullie toch.’

‘Misschien willen ze worden gepakt?’
‘Natuurlijk, ze willen gewoon gepakt. Die houding maakt me boos. Maar als ik ze niet had, zou het ook weer fout zijn.’

SCHUW

‘Gaat u vaak uit?’ 
‘Nooit, hoogstens naar het bos en alleen. Ik beleef het pas als ik helemaal alleen ben. Niet gehinderd door een vervelende vent of juffrouw die naast je loopt. De Kring? Ik weet niet eens waar die is in Amsterdam. Ik zou er veel te verlegen zijn, me moeilijk bewegen. Geen sprake van… Ik vind het heel vervelend … artiesten. Nee, ik heb nooit plezier gehad in uitgaan.
Met m’n werk moet ik alleen zijn. Ik kan niet hebben dat er iemand voorbij m’n raam komt. Daarom heb ik die tuin. Ik ben geluidschuw en bewegingschuw. Zoals Willink over die portretten sprak, ik kan het me wel voorstellen. Een portret maken kan ik psychisch niet aan. Zo’n vent die voor je zit, zo’n persoon is veel te hinderlijk voor mij. Ik heb alleen een heel enkele keer een portret van mezelf in de spiegel gemaakt. De mensen maken me gauw in de war.’

U maakte er een van uw vader.
‘Van m’n vader hield ik veel. Dat was een heel rustig model waar ik niet bang voor was. Hij was vijfenvijftig toen ik geboren werd, hij heeft altijd grote indruk op me gemaakt. Ik lijk op hem. Hij was ook een eenzame, zat veel in z’n kamer.’ (zucht).
Bent u nu heel anders dan vroeger?
‘Nee, ik denk eigenlijk dat ik helemaal niet ouder ben. Ik blijf jong. Ik word niet volwassen. In mij is het kleine kind van vroeger en ook de scherpte van geest van m’n zeventiende tot twintigjarige leeftijd. De gesprekken die we toen hielden over het leven, die waren niet mis hoor.’

Waarover? Sociale misstanden?
Escher lacht. ‘Néé. Ik geloof niet zo erg in het medelijden hebben met mekaar. De hele goeie uitgezonderd en die praten er niet over.’
De liefde?’
‘Helemaal niet. Mijn vader probeert me in een hoek te drukken, waar ik helemaal niet in wil. We spraken over waarnemingen… Een bakkersjongen in een straat, als hij de hoek omslaat, is die jongen weg maar als hij fluit, is hij er nog. Dat soort ideeën, mysteries. Je moet je blijven verwonderen, daar gaat het om.’

Ik ben alleen geïnteresseerd in wat ik zelf doe. Ik voel me sterk gevleid als wetenschapsmensen m’n werk goed vinden, maar het oordeel van een andere artiest doet me niks.

Komt u wel es in het Stedelijk Museum?’
‘Nooit. Ik vind veel leuker wat ik zelf maak. Ik ben alleen geïnteresseerd in wat ik zelf doe. Ik voel me sterk gevleid als wetenschapsmensen m’n werk goed vinden, maar het oordeel van een of andere artiest doet me niks. ’t Is ook geen kleinigheid, een man van de wetenschap te zijn. Goed, ze zitten ook gevangen in hun eigen weggetje. Ik zit ook gevangen in m’n eigen weggetje. Als kunstenaar moet je beperkt zijn, moet je deuren gesloten houden en je eigen weggetje gaan. Als ik met iets bezig ben, denk ik, dat ik het mooiste van de wereld maak. Als iets gelukt is zit ik er ’s avonds verliefd naar te kijken.

Een verliefdheid die ver boven verliefd zijn op een mens uitgaat. De volgende dag gaan je oogjes wel weer open. Ik vind wat ik zelf maak het mooiste en ook het lelijkste.’

Lange stilte.

ONEINDIGHEID

‘Tal van gedachten heb ik willen uiten. Dit (een cirkel waarin reeksen vissen die naar het midden toe steeds kleiner worden) is een van de pogingen de oneindigheid te bereiken voor die dieren. Ze worden oneindig klein… maar heel gauw komt het einde. Dan zijn de ogen niet goed genoeg, het hout niet hard, het mes niet scherp genoeg. Maar hier heb ik het andersom gedaan, dat is interessanter.

Hier, (de vissen worden naar de omtrek van de cirkel toe steeds kleiner en vormen daar een dichte rand) de hele wereld zit erin. Dit is de limiet, die harde rand is een diepe treffer, het zout der aarde. Dit is een geslaagde poging de oneindigheid in beeld te brengen. Ik heb hier dingen aangeroerd die professor Coxeter trachtte te gieten in formules. Ik heb met hem gecorrespondeerd, hij schreef brieven met ellenlange formules, waarvan ik niks begreep.

Op zijn verzoek heb ik een college bijgewoond in Toronto voor graduates en professoren. Hij begon driehoeken te tekenen en allemaal ronde lijnen. Ik zat erbij als een stom varken. Maar ik kan het wel tekenen.’ (Stem is zachter, maar heel hevig). ‘Dit is zeer boeiend en erg abstract. Daar kan ik met zo’n passie naar kijken. Daar ben ik van bezeten.’ (zucht) ‘Ik geloof dat dit wel het aardigste is van m’n hele werk. Dit heeft alles te maken met de regelmatige vulling van een vlak. De dingen die ik wil uiten zijn zo prachtig en zuiver.

En dit (kubische ruimteverdeling) al deze dingen geven een groot vermoeden van diepte. Hier zijn allemaal gaten in. Hier, een heel diep gat. Maar je zou het moeten buigen en dan zou je er een gebogen heelal van kunnen maken. Ik heb aan dit perspectief dagen en dagenlang getekend. Die lijnen lopen maar door, lopen maar door… En dit is een knoop, een moeilijke knoop, daar heb ik maanden aan geklungeld. Een heel stuk wiskunde is op die figuur gebaseerd.’

Tajiri maakt ook knopen.’
Escher, kwaad: ‘Die doet maar wat. Zonder er iets van te snappen. Dat is een sensitieveling, verder niks. Ik kan absoluut niet van gedachten wisselen met zo’n man. Pas als ik die knoop bespreek met wiskundigen heb ik er wat aan. Dat kan niet met meneer Tajiri. Nee, dat vind ik het ergste. Zo’n man zegt maar wat, dat kan je helemaal niet controleren. Meng je niet met die lui, doodgevaarlijk, die kunstenaars. Ik heb deze knoop in zilver…’

Hij gaat weg. In de gang hoor ik hem fluiten. Komt terug, legt een kleine zilveren knoop in mijn hand. ‘M’n drie schoondochters hebben hem alle drie van goud:’ Neemt de zilveren terug. Fluit in de gang.

Ik dacht dat de wetenschap volkomen buiten de wereld staat. Het heeft met het menselijke niets te maken.

POLITIEK

Die grote mathematici die u kent, interesseren die zich voor politiek?
‘Daar heb ik met hen nooit over gesproken. Maar ik dacht dat de wetenschap volkomen buiten de wereld staat. Heeft met het menselijke niets te maken. Ik ben te dom om als wetenschapsmens te leven, ik verwonder mij. Ik ben ook geen kunstenaar. Ik zweef tussen de wiskunde en de kunst. Ik speel een vermoeiend spel.’

Hebt u kunnen werken in de bezetting?
‘Ja. Ik woonde toen hier. De belangrijkste ideeën zijn het verst ontwikkeld in de oorlog.’ Ik heb nog steeds ‘de grootste moeite met de moffen. Duits kan ik niet horen. Ik was niet bij het verzet betrokken, maar ik had veel joodse vrienden, die vermoord zijn. Mijn oude leermeester De Mesquita. Hij wou niet onderduiken. Ze waren Portugese joden en de moffen hadden altijd gezegd, die behoren tot de elite. Op een nacht zijn ze met z’n allen weghaald. Zijn zoon Jaap, een knappe jongen, werkte dag en nacht… Hij ging vaak naar de moffen toe om met hen te spreken over z’n voorouders. Ze waren niet van adel maar toch bijna…

Op een slechte dag waren ze opeens weg. In ’44, in de hongerwinter. Ik wou wat brengen, appels… Ik ben hun woning ingelopen. De ramen waren kapot op de eerste verdieping. De buren zeiden: weet u het niet. De Mesquita’s zijn weggehaald. Dit (een tekening) lag op de vloer met de spijkerafdrukken van de laarzen van de moffen erin. Het lag onder de trap. En in z’n atelier was alles overhoop, alles op de grond. Tweehonderd prenten heb ik mee naar huis genomen. Later zijn die tentoongesteld in het Stedelijk Museum. Wertheim van ‘Kunstbezit’ heeft hem nog als metgezel gehad in Westerbork. Wertheim is de dans ontsprongen, de De Mesquita’s zijn weggevoerd.

Nu kan je wel hoog of laag springen, die dingen zijn niet te vergeten. Ik kan het niet. Ik heb nog steeds de grootste moeite met die moffen. Midden in de nacht weggevoerd. Hij zwaar ziek. Midden in de nacht weggehaald. En hij had gered kunnen worden. Ik heb zo bij hem aangedrongen. Nee, hij werd beschermd zei hij. Waarom zou hij onderduiken? Later heb ik me zelf verwijten gemaakt, maar ze wilden niet. Jaap had bij die besprekingen met de moffen er allerlei stambomen bij gehaald. Ze waren van halve adel. De moffen vonden dat indrukwekkend. Ze, kwamen hun huis bijna niet uit. Verschrikkelijk hoor, zulke lieve mensen, als geslacht vee weggevoerd.

Hij schijnt nu weer in de mode te komen. Dit jaar is z’n honderdste geboortedag. Er komt een tentoonstelling van hem in Den Haag. Hij was zwaar ziek, heel broos, maakte elke dag een tekening met de vulpen.

Ik heb veel aan hem te danken. Hij was mijn leraar in de grafische technieken aan de School voor Bouwkunde en Sierende Kunsten in Haarlem. Hij zag wat in mijn houtsneden. Heeft doorgedrukt dat ik daarin doorging. Als hij niet met m’n ouders gepraat had, was ik verder gegaan met bouwkunde. En ik heb nooit enige zin gehad in huizen bouwen. Wel in gekke huizen.’

deel dit verhaal

Lees verder

De gekoesterde geheimzinnigheid van Bibeb

In 2016 verscheen het boek De gouden jaren van het linkse levensgevoel: het verhaal van Vrij Nederland door John Jansen van Galen. Wij vroegen oud-redacteuren van VN naar hun favoriete verhaal. Eindredacteur Martje Breedt Bruyn deed jaren lang poging na poging het mysterie Bibeb te ontrafelen. Vergeefs.

andere verhalen

This Thing Called Life

Book review: This Thing Called Life: Prince, Race, Sex, Religion and Music by Joseph Vogel

Superstar, chameleon and Jehovah’s Witness, Prince was a glorious paradox. This account attempts to figure him out. Review by Victoria Segal

Mellow in yellow: Prince in Monaco, 1994
Mellow in yellow: Prince in Monaco, 1994PATRICK HERTZOG/GETTY IMAGES
The Sunday Times, 

If you lived in the Minnesota suburbs around the turn of the millennium, there was a small but startling chance that one day you might open your front door to find Prince standing there asking if he could speak to you about God.

How the world’s most recognisable pop star and the writer of the songs Soft and Wet and Gett Off (“23 positions in a one-night stand”) turned into a doorstep proselytiser after becoming a Jehovah’s Witness in the late 1990s is just one of the Prince paradoxes that Joseph Vogel explores in This Thing Called Life, his sober study of the superstar. More than Madonna or Michael Jackson, Prince’s companions in the peerless pop triumvirate that ruled the 1980s, Prince understood the magic of mystery, the power of blurring the lines. “Am I black or white, am I straight or gay?” he sang on Controversy, the title track of his 1981 album. “Do I believe in God, do I believe in me?”

These are the questions that Vogel, a professor of English in America, and the author of a book on Jackson, attempts to answer here. It is not an untested approach. Even before the 57-year-old’s cruelly premature death on April 21, 2016, from a fentanyl overdose, there was plenty of writing using words such as “binary” and “liminal” to explain his mercurial gifts.

A glorious anomaly: Prince in 2005
A glorious anomaly: Prince in 2005KEVIN WINTER/GETTY IMAGES

Vogel sensibly corrals the sprawling material of Prince’s life by organising the book into seven chapters, each one handling a different facet of his life: race, gender, sex, sound. He chose seven because Prince considered it a cosmically significant number, rare fancifulness in a book that has disappointingly little time for purple prose.

Instead, Vogel briskly collates his evidence (songs, interviews, other critics) meticulously tracing patterns in Prince’s evolution, occasionally succeeding in chipping bits away from his subject’s jewel-studded carapace.

In the chapter on politics, he asks whether the star was a liberal or a conservative: this was, after all, an artist who once said that Ronald Reagan had “bigger balls” than Jimmy Carter, yet whose song Darling Nikki (“I met her in a hotel lobby / masturbating with a magazine”) tipped Tipper Gore over the edge and led directly to the formation of the right-wing censorship group Parents Music Resource Centre.

It was easy to imagine Prince eternally sequestered in his studio complex, Paisley Park, lost in music and the most beautiful girls in the world, especially when he shunned the pop establishment by declining to appear on the charity single We Are the World in 1985. On Saturday Night Live, Billy Crystal satirised him by singing: “I am the world / I am the children.”

Prince’s notorious contractual wrangle with Warner Bros, when he wrote “slave” on his cheek and changed his name to a glyph, also seemed the mark of a man whose world revolved around his own tiny frame. Yet Vogel highlights his lyrical preoccupations with war and nuclear apocalypse (1999 is no party song) and shows how his political activism bloomed in the era of Black Lives Matter, playing in Baltimore after the police shooting of Freddie Gray.

It is, however, the chapters on race, gender and sex that underline what a glorious anomaly Prince was. When he supported the Rolling Stones at the Los Angeles Coliseum in 1981, wearing silky black bikini briefs and a trench coat, he suffered an avalanche of racist and homophobic abuse. Mick Jagger persuaded him to do another show but it was a grim repeat performance and he went home. “People that aren’t hip to it,” said Prince of these older white rock fans. “I hope they do get hip to it.” Their children certainly did: in 1984, Purple Rain was the No 1 album and film in America.

Yet Prince was never about fitting in. “The girls loved you, the boys hated you,” Prince said about his school days, “they called me Princess.” Vogel argues that, like David Bowie, part of Prince’s legacy was the wonderful sexual confusion he trailed behind him. Just as gangsta rap exalted “authenticity” and hyper-masculinity, Prince was photographed naked for the sleeve of 1988’s Lovesexy, perched on a flower like an X-rated Thumbelina.

Prince with his second wife, Manuela Testolini, in 2004
Prince with his second wife, Manuela Testolini, in 2004FRANK MICELOTTA/GETTY IMAGES

Vogel can’t quite pin down Prince’s fluidity, though: exactly what drove him to record an album as female alter-ego Camille, for example? How much was his commitment to working with female artists driven by “ulterior motives”? What is clear is that Prince’s libidinous attitude shifted when he became a Jehovah’s witness, his conversion triggered by the death of his newborn son Amiir in 1996. Sex and spirituality were always intertwined in his music, but now the latter took over and the first artist to “reveal his bare ass on television” (at the 1991 MTV Music Awards) now gave interviews admiring the burqa and tapped a Bible while tutting about “people sticking it wherever and doing it with whatever”.

More than his beauty (Joni Mitchell described his eyes like those of a puffin), his prodigious musical gifts, or his formidable performances, it is Prince’s aura of mystery that has kept his devotees so long enthralled. “It seems from the already-flourishing explosion of journal articles, panel discussions conferences and books that Prince will become a field of study,” says Vogel hopefully, but that doesn’t feel like a desirable outcome. Illuminating though it is, his book can’t quite crack Prince’s mysterious code. That, for fans, might well be its greatest strength.

Close to his sister
Prince did confirm a sexual story in his 1980 song, Sister. Yes, he confessed, he did have a sexual encounter with his elder stepsister. In 1983, he said: “It’s just an incident in my life. It’s real, it’s a subject that a lot of people try to avoid.” Writing about such taboo experiences felt liberating. “It was a revelation recording this last album. I realised that I could write just what was on my mind and things that I’d encountered and I didn’t have to hide anything.”

Bloomsbury £19.99 pp240

Griet Op de Beeck – Interview

Het gaat mij om het contrast tussen wie we proberen te zijn en wie we echt zijn

{Interview}

De Vlaamse Griet Op de Beeck (44), schrijver van vier bestsellers en het Boekenweekgeschenk, is ‘van de plank af gegaan’ nadat ze wereldkundig maakte dat ze een misbruikslachtoffer is. ‘De samenleving kijkt vanuit wantrouwen’. Dus past ze haar trilogie over incest aan.
©© Jitske Schols 2018

Jij hebt sinds 2013 vier romans op je naam staan, en je bent nú al gevraagd om het Boekenweekgeschenk te schrijven. Iedereen zal je wel op de schouders slaan?

,,Ik kon niet geloven dat ik het Boekenweekgeschenk mocht schrijven. Er zijn schrijvers die erop vooruitlopen dat ze worden gevraagd, maar dat was bij mij ab-so-luut niet het geval. Ineens moest ik een verhaal hebben, liefst met een dringend, urgent onderwerp. Schrijver Herman Koch stelde me gerust. Hij zei: zie het Boekenweekgeschenk als een lang verhaal. Dat nam de druk weg. Ik wilde schrijven over wat er gebeurt in de wereld. Al dat protectionisme, nationalisme, de haat tegen vreemdelingen en vluchtelingen; daarover moest het gaan. En nee, het Boekenweekgeschenk gaat niet over incest, zoals iemand al vroeg.”

Met een oplage van 661.000 kun je lezers de boodschap meegeven uit je romans, namelijk dat iedereen zijn leven kan veranderen. Jouw personages breken met hun oude leven of relatie. Zit die aansporing erin?

,,Dat is niet wat ik voor ogen heb gehad. Ik schrijf geen zelfhulpboeken, ik schrijf ook niet van me af. Ik heb een grote nood aan afstand tussen mijzelf en datgene waarover ik wil vertellen. Dus niemand hoeft te denken dat hij betaalt voor mijn zielenroerselen. Het gaat mij om het contrast tussen wie we proberen te zijn, willen lijken te zijn, wie we laten uitschijnen te zijn en wie we echt zijn. Hoe we met elkaar praten en wat we graag zouden willen zeggen, maar niet durven of kunnen.

Schrijven is voor mij van onwaarschijnlijk groot belang. Meer dan ik ooit had durven denken. Het biedt een antwoord op de grote, existentiële vraag naar de zin van dit alles. Die vraag heeft mij van jongs af aan beziggehouden. Blijkbaar typisch voor zeer getraumatiseerde mensen – maar dit terzijde.

Ik heb natuurlijk wel gemerkt dat mijn eerste twee boeken, en ook de aflevering van Zomergasten waarin ik zat, bij mensen allerlei emoties hebben losgemaakt. Dat merk ik aan alle reacties. Ik vind dat een groot cadeau, al stond ik er in het begin huiverig tegenover. Ik was bang dat het zou afleiden van de literaire kwaliteiten van mijn boeken, maar ik omarm het nu. Het ontroert me om te merken dat mensen dat kleine beetje toestemming nodig hebben om een beslissing voor zichzelf te mogen nemen. Om in te grijpen op hun leven en andere keuzes te maken dan ze tot dan toe deden. Dat doet de hoofdpersoon in het Boekenweekgeschenk ook.”

Je krijgt veel post, veel e-mails. Wat schrijven mensen?

,,Sinds de uitzending van De wereld draait door, waarin ik heb verteld over de incest, heb ik bijna tweeduizend mails gehad. Eén categorie roept ‘toppie, ik herken me er niet in, maar wat goed die openheid’. Een groep mensen heeft het zelf meegemaakt of kent iemand die is misbruikt, en voelt zich gesteund. En dan heb je de mensen die laten weten: ‘door jou heb ik hulp gezocht’ of ‘ik heb het eindelijk mijn lief verteld met wie ik al tien jaar samen ben’ of ‘ik heb toch nog eens contact opgenomen met mijn zus, omdat ik het nooit heb kunnen uitleggen, en heb gezegd: kijk naar de uitzending, dat is het verhaal wat ik u al zoveel jaar probeer te vertellen’. Ik heb ook veel mails ontvangen van hulpverleners, psychiaters, psychologen en filosofen met opmerkingen als: je hebt geen idee hoe belangrijk dit is voor mijn cliënten. En ik heb twee nare mails gekregen.”

Twee?

,,Ja, van mensen die zeggen: ‘vuile kuthoer, wat heb je gedaan’. Zulke mails vind ik heftiger dan dat er op sociale media tegen me tekeer wordt gegaan. Iemand moet dan echt de moeite nemen om mijn e-mailadres op te zoeken. Een vriend van mij zei ‘u steekt uw nek uit, mensen schelden u dan de huid vol’. Maar ik heb geen mening geuit, hè, ik heb alleen mijn verhaal gedaan.”

Schrijven er ook mannen?

,,Ja, ik gok een derde van iedereen. Dat heeft me blij verrast. Een man moet een extra grote stap doen om ervoor uit te komen dat er een andere man aan hem heeft zitten prutsen. Als je een heteroseksueel leven leidt, drijft er een extra laag schaamte bovenop, waardoor het nog moeilijker is je te outen. Totaal onterecht natuurlijk.”

Komen ze met dezelfde kwesties als vrouwen? En durven ze openhartig te zijn?

,,Niet iedereen heeft het nodig zijn hele verhaal te doen, het is ook best heftig. We praten over zeer, zeer donkere, vreselijke verhalen van mensen die dit hebben moeten meemaken. Sommigen volstaan met één zin: ‘eindelijk kan iemand het uitleggen’.”

Jij zegt dat je geen directe herinneringen hebt aan de incest. Daarover ontstond ophef, omdat sommige critici vinden dat je op basis van secundaire aanwijzingen nooit had mogen verklaren dat je dit hebt meegemaakt.

,,Na de uitzending kreeg ik een paar kletsen in mijn gezicht. Niet alleen kwamen de negatieve reacties keihard aan, maar ik moest zelf dan eindelijk erkennen hoe het zat. Omdat ik het zei, kon ik er niet meer omheen. Dat is zo’n grote stap geweest, dan komt al die emotie los waar ge zo lang bang voor bent geweest, die ge zo lang hebt ontvlucht door het te ontkennen. Voor mij was dit hét culminatiemoment van een lang proces. Het gaf een storm van overdonderende emoties. Ik ben helemaal de plank af gegaan. Ik ben pas sinds enkele weken opgekrabbeld.”

Heb je in al die jaren van therapie dan niet gereageerd met snot en pijn?

,,In het begin reageerde ik juist onthecht. Ik heb geleerd al mijn emotie te parkeren. En te glimlachen en vrolijk te zijn, omdat mensen dat graag hebben. Járen heb ik zo geleefd. Al mijn vrienden in therapie jankten de ogen uit hun kop. Ikke nie, pffff. Mijn emoties zaten vast. Ik voelde niets. Het kwam er niet uit. Er zaten jaren tussen het inzicht verwerven ‘wat is er met mij aan de hand’ en dat laten zakken. De heftigheid van worden verpletterd onder zeer grote emoties had ik tot op dat moment nooit meegemaakt. Niet op zo’n ondermijnende manier. Of zo lang. Het was kut. Ik ga er niet stoer over doen.”

Dus je zag niet aankomen wat je publieke openbaarmaking met je zou doen?

,,Totaal niet. Ik vermoedde natuurlijk wel dat het, ongeacht de reacties, een effect op me zou hebben. Ik was er theoretisch van op de hoogte dat dit zou gebeuren. Maar ik kon niet inschatten hoe dat zou zijn. En ik kon er niet te lang bij stilstaan, want anders had ik het misschien niet gedaan.

Ik wist dat er op misbruik een taboe rust, maar het is nog veel groter dan ik dacht. Dat heeft me geschokt. Ik denk dat dit komt doordat we allemaal een vader hebben, of er een zijn. Sommige mensen hebben op sociale media geroepen dat het een stunt was om mijn boek te verkopen. My God, hoe cynisch kan een mens zijn? Choquerend.”

Heeft niemand je gewaarschuwd: zou je het wel doen?

,,Vrienden zeiden: is dat wel slim? Maar ik besefte allereerst dat het voor mijn persoonlijke evolutie een buitengewoon slechte zaak zou zijn om te liegen op vragen die onontkoombaar zijn als je een trilogie schrijft met incest als thema. Naast de andere thema’s trouwens. Het gaat in mijn boeken altijd over de schaduwen die je verleden werpen, en misbruik is daar een deel van. Ik had kunnen liegen, dat was mijn goed recht geweest. Mensen mogen dat voor zichzelf beslissen. Maar dat zou betekenen dat ik dat geheim de rest van mijn leven zou moeten meedragen, want ik kan niet zeggen ‘neuh, neuh’ en zes jaar later: eigenlijk is het toch mijn verhaal. Dan moet je zwijgen.

En dat zou impliceren dat ik zelf de schaamte zou blijven dragen voor wat mij is aangedaan. Dat is fundamenteel onjuist! Het zou mij hinderen me te bevrijden van dat grote trauma dat mij als volwassene op zoveel manieren heeft bepaald. Dat was ik zó beu.

En ik had gemerkt wat het kan betekenen als je bereid bent te spreken. Ik schrijf een boek om het taboe rond incest te doorbreken, om te verduidelijken hoe complex dat is, hoeveel consequenties het geeft, niet alleen voor het slachtoffer maar voor de hele omgeving en dan ga ikzelf dat taboe in stand houden? Zo’n soort schrijver wil ik niet zijn.

Ik vind het wel vervelend dat het uitstraalt naar Het beste wat we weten. Sommige mensen durven het eerste deel van de trilogie niet te lezen omdat ze denken dat het mijn persoonlijk verhaal is. Nee dus. Ik schrijf met grote autoriteit over seksueel misbruik omdat ik uit eigen ervaring weet wat het is én omdat ik er veel research naar heb gedaan. Alleen zo kom ik los van mijn eigen verhaal.”

Lezers verwachten misschien jouw verhaal met de details.

,,Het gaat niet om de aanschouwelijke details. Die zijn onduidelijk. Ik heb geen keihard, voor een rechtbank steekhoudende bewijzen. Dat is bijna nooit het geval. Maar ik weet welke sfeer er in een gezin hangt waar het gebeurt, tot in detail hoe zich dit manifesteert in een volwassen leven. Dat gebruik ik om een boek te schrijven. Ik probeer in het hoofd van het personage te wonen.”

Je gebruikt wel een aantal van de 107 aanwijzingen die je hebt verzameld om tot het besluit te komen dat je slachtoffer van incest bent geweest.

,,Secundaire bewijzen. Mensen moeten niet denken: als jij het allemaal niet weet, kan het mij óók zijn overkomen. Er moet een lange reeks van voorwaarden zijn vervuld, voor je in die richting mag denken.”

Van je nieuwste boek worden minder exemplaren verkocht dan je zou verwachten op grond van eerdere verkoopcijfers. Mensen vinden incest misschien te zwaar of te moeilijk? Hoofdpersoon Lucas zegt ergens: een slachtoffer vraagt je om iets te doen, al was het maar je inleven in zoiets huiveringwekkends, terwijl een dader je juist vraagt niks te doen, en we doen allemaal liever niks.

,,Het zijn nog altijd fenomenale verkopen waarvoor ik blij en dankbaar ben. Deze roman heeft meerdere thema’s, en een ervan slaat op misbruik. Lucas besluit midden in zijn leven stil te staan en zich de vraag te stellen: wat klopt er wel en wat niet? Die beweging maken we op een gegeven moment allemaal. Het boek draait om het leven zelf, en ik vind het jammer als mensen denken dat de gore details je vanaf bladzijde 16 tegemoet spetteren.

Door alle reacties heb ik de volgorde van mijn trilogie omgedraaid. Ik wilde in het tweede deel het perspectief kiezen van het slachtoffer dat op latere leeftijd na veel gesputter tot het onontkoombare inzicht komt dat misbruik de verklaring is voor alles. Het derde boek zou vanuit het standpunt van haar ouders komen.”

Wat maakt die andere volgorde uit?

,,Het is getrouwer aan hoe de samenleving kijkt naar slachtoffers. Vanuit een kritische, wantrouwende blik, vanuit ontkenning. Dat is een pijnlijk inzicht. Ik gebruik dat in de boeken. Ik denk dat het zo juister is.”

Mensen haken misschien gemakkelijker aan bij dat andere thema uit je boeken: kinderen die op allerlei manieren voor hun ouder of ouders hebben moeten zorgen, omdat hun vader of moeder de rol van volwassene niet pakte.

,,Ja, een zeer groot thema in mijn werk, en in de wereld. En zéér schadelijk. Als kinderen aanvoelen dat een vader zijn drankprobleem niet de baas is of een alleenstaande moeder het niet aankan, en zich verantwoordelijk voelen. Dat heeft dramatische gevolgen. Mijn hart breekt als ik zie dat kinderen niet krijgen wat ze verdienen en nodig hebben. Sociaal werkers monitoren de gezinnen waarin het fout gaat, maar niet de jongens en meisjes achter de keurige gevels, met de fris gewassen haren, die netjes naar school gaan en het leuk doen. Het is het kind dat altijd glimlacht over wie je je zorgen moet maken.”

Als je niet leert waar de ander ophoudt en jij begint, hoe brei je dat later nog recht?

,,Ik geloof fundamenteel dat een mens in staat is zich uit alle soorten drek te trekken. Als je de moed hebt, kun je het punt bereiken al je monsters in de ogen te kijken. Elke vorm van groeiend zelfinzicht is niet alleen goed voor jezelf maar voor iedereen met wie je in contact komt. Soms moet je jezelf er een goede therapeut bij gunnen. Als je het niet voor jezelf wilt doen, doe het dan in vredesnaam voor je kinderen, je lief, je intieme vrienden, of zelfs je collega’s. Hoe meer je begrijpt waar je emoties en patronen vandaan komen, waarom je met mensen omgaat zoals je doet, hoe meer hen dat ten goede komt.”

Geloof jij dat de patronen die generaties lang in families worden doorgegeven, kunnen veranderen?

,,Absoluut. Het zou een vreselijk lot zijn als je gedoemd bent te leven zoals anderen dat voor jou hebben geregeld. Ik ben zelf het levende bewijs dat het niet hoeft. Ik heb allerlei mensen naar de shrink gestampt. Liefdevol gestampt. Vanaf het moment dat je het aangaat, is er opeens perspectief dat er eerder niet was. Dat geeft een ongelooflijke hoeveelheid energie, kracht en moed. Het geeft je de kans om met je gevoelens bij een situatie te blijven zonder dat je emoties worden vermenigvuldigd met een factor 10, omdat die situatie raakt aan oud zeer. Dat maakt het leven dragelijker.”

Je kunt de donkerste hoeken van mensen pas opzoeken, stel jij, als je ook de lichtheid zoekt. Waar zit die in? Hoop, humor, geluk?

,,Ik probeer humor en liefde in mijn boeken te introduceren. Ik denk dat we de donkerte beter aankunnen als we af en toe de relativiteit, de flauwekul van alles inzien. Ik houd niet zo van het woord hoop. Hoop klinkt als in een zetel wachten tot het beter wordt. Ik ben van oppakken, doen, proberen, falen, vallen en weer opstaan.”

Klopt het dat Brigitte Kaandorp bij je boekpresentatie heeft gezongen: ‘Ik heb een heel zwaar leven, echt heel zwaar’?

,,Ik kwam Brigitte tegen tijdens een staatsbanket in het Koninklijk Paleis op de Dam. In dezelfde week dat ik bij De wereld draait door zat. Zij vroeg me waaraan ik werkte. Ik zei ‘aan een trilogie met incest als verbindend thema’. Waarop zij zonder aarzelen antwoordt: O nou, heb jij dat meegemaakt? Zo bóém. Ik vond het héérlijk, dat ongehinderde. Het taboe slaat nergens op. Wat ze vroeg was terecht. Ik heb op dat moment wat gestameld, beduusd door haar heerlijke Hollandse directheid. Maar ik vond het geweldig. Daarom heb ik haar gevraagd. Ik wist: wat ze ook doet, het zal juist zijn. Dat was het. Iedereen heeft tranen met tuiten gelachen. Heerlijke vrouw. Ze heeft speciaal voor die avond een lied herschreven. Een Nederlands-Vlaams volkslied, heel geestig. Ze bracht precies de lichtheid die ik zocht.”

Maarten Boudry: De vragen van Proust

De Franse schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Dertig directe vragen, evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: filosoof Maarten Boudry (33). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?
Ann Jooris en Fernand Van Damme
De Morgen 
Maarten Boudry. ©© Stefaan Temmerman

1. Hoe oud voelt u zich?

“Exact 33. Dat treft, want dat is ook mijn biologische leeftijd. Ik weet niet goed wat het betekent om je jonger te voelen dan je bent. En ik neem aan dat bijna niemand zich ouder voelt.

‘Ik ben zelf niet rechts, maar ik vind wel dat links zich moet her­uit­vin­den. Politieke correctheid is echt een geweldig probleem’

Maarten Boudry

“Eigenlijk is mijn leven in Gent een beetje een verlengde van mijn studententijd. Ik woon op een nogal studentikoos ­dak­appartement. Mijn zus zegt altijd: ‘Wanneer ga je daar nu eindelijk vertrekken? Zoek toch eens iets deftigs.’ Ik hou wel van een nomadisch leventje. Ik ben niet honkvast. Ik heb niet de behoefte om een huis te kopen. Dus wat dat betreft gedraag ik me misschien nog als een student. Beetje lezen, beetje schrijven, wat discussiëren, koffietjes drinken.” (lacht)

2. Wat vindt u een belangrijke ­eigenschap van uzelf?

“Dat ik eigenlijk een introvert ben die weliswaar een behoorlijke extravert kan vertolken. Ik heb die podiumvrees toch wat moeten leren overwinnen. Je hebt mensen die graag in het middelpunt van de belang­stelling staan, maar ik niet. Voor lezingen, lessen of televisie­optredens moet ik me toch telkens weer opladen. Debatten doe ik dan nog het liefst, omdat er meer uitdaging in schuilt.

“De persoon met wie ik vroeger het vaakst discussieerde, was wellicht mijn vader. Hij komt uit een klassiek katholiek gezin. Als zijn ouders iets te bespreken hadden, deden ze dat in het Frans, opdat de kinderen het niet zouden begrijpen. Daar was hij niet zo opgezet mee en hij wilde zeker niet dezelfde fout maken bij de opvoeding van zijn kinderen. Als er een beslissing genomen moest worden, kregen wij inspraak. Soms tot vervelens toe. (lacht) Thuis heb ik dus leren gedachten formuleren en argumenteren.

“Aan oeverloze discussies op Facebook heb ik een hekel, maar op Twitter ben je gebonden aan een limiet van 280 tekens. Mijn gedachten verpakken in zo’n beperkte ruimte, spreekt me wel aan. Ik ben graag met taal bezig. Een complex argument vinnig en gebald weergeven, schenkt me plezier.

‘Ik kan niet zeggen dat kritiek me helemaal niet raakt, maar ik heb wel een dikke huid ontwikkeld’

Maarten Boudry

“Ik weet dat ik polemisch schrijf en heb wel wat vijanden gemaakt. Ik kan niet zeggen dat kritiek me helemaal niet raakt, maar ik heb wel een dikke huid ontwikkeld. Af en toe schrik ik er nog wel eens van hoe diep de afkeer kan zitten. In bepaalde progressieve kringen van hoog­opgeleiden lig ik echt niet goed. Ze verwijten mij dat ik een wolf in een schaaps­vacht zou zijn. Die uitspraak over de rationaliteit van het nazisme in ­vergelijking met IS  is bij veel mensen in het verkeerde keelgat geschoten, ja. Sommigen noemen mij zelfs een halve fascist.

“Maar tegelijk wil ik me daardoor niet laten intimideren, want zo werkt de politieke correctheid hè. Als je iets negatiefs over de islam zegt, worden je woorden uit de context gerukt. Je wordt afgeschilderd als extreem rechts. Enkele vrienden ­hebben zelfs met mij gebroken vanwege mijn ‘zogenaamde’ ideeën.

“In de meeste opzichten ben ik links, maar ik sta positief tegenover de vrije markt. De hele kritiek op het neoliberalisme vind ik voor een groot stuk zonder verdienste. Er zijn specifieke problemen met het bankwezen of met privatisering, maar het neoliberalisme als bron van alle kwaad, de retoriek van Paul Verhaeghe en Hans Achterhuis, die volg ik niet. Ik pleit wel voor een vermogens­winst­belasting en vind dat we trots mogen zijn op onze systemen van herverdeling.

Maarten Boudry. ©© Stefaan Temmerman

“Als het over ethische onderwerpen gaat, ben ik zelfs radicaal links. Wat racisme en discriminatie betreft, heb ik ook linkse standpunten. Ik vind nog altijd dat je het moet opnemen voor slachtoffers die onderdrukt worden, maar ik denk niet dat je mensen omwille van hun huidskleur of achtergrond een ­vrijgeleide moet geven. Als je links bent, moet je het opnemen voor slachtoffers en dat wil ook zeggen: de slachtoffers binnen de groep slachtoffers. Moslims hebben het in bepaalde opzichten inderdaad harder te verduren, maar je hebt ook moslims die anderen onderdrukken, vrouwen, homo­seksuelen enzovoort. En links heeft een heel groot probleem om om te gaan met de groep slachtoffers binnen de groep slachtoffers. Ik vind dat ik linkser ben dan vele andere zelfverklaarde ‘linksen’. Ik probeer het op een meer consequente manier voor slachtoffers op te nemen.

“Aan de universiteiten heerst er in de menswetenschappen een soort van pensée unique, een soort van tunnelvisie, toch als het over onderwerpen als migratie en religie gaat. Iedereen hangt min of meer hetzelfde linkse gedachtegoed aan en de kritische vragen worden niet meer gesteld. Ik ben zelf niet rechts, maar ik vind wel dat links zich moet heruitvinden. Politieke correctheid is echt een geweldig probleem.”

3. Wat is uw passie?

“Wetenschappelijke kennis. Neem de waarneming van zwaarte­kracht­golven door de botsing van neutronen­sterren, of de hachelijke maar perfecte landing van Philae op een komeet, of de ontdekking van ziekte­kiemen, en natuurlijk Darwins theorie van evolutie door natuurlijke selectie. De mens is het eerste wezen in het universum dat zich bewust is van zijn eigen herkomst. Dat maakt je trots om een lid van homo sapiens te zijn.”

4. Wat vindt u uw grootste prestatie?

“Sommige hoofdstukken uit mijn boek Illusies voor gevorderden. En sommige academische artikelen. Maar lang niet alles wat ik geschreven heb. Ik heb intussen de lat hoger gelegd.” (lacht)

5. Wat wilde u worden als kind?

“Concertpianist.”

6. Wat was voor u een moment van opperste geluk?

‘Ik heb geen eigendom, ik woon niet samen, ik heb ook geen behoefte aan kinderen. Ik ben zeer verknocht aan de vrijheid die ik heb om mijn eigen resolute keuzes te maken’

“Ik herinner me het gevoel van eindeloosheid en zorgeloosheid van sommige zomer­vakanties als kind, zoals op kamp in de bossen van Clervaux. Al ben ik wantrouwig tegenover jeugd­nostalgie.

“Opperste geluk schuilt soms in een gevoel van extreem contrast. Ik heb al jaren chronische rugpijn, en na enkele maanden die erg heftig waren, ontdekte ik plots een pijnstiller die bijna miraculeus werkte. De eerste weken was ik in een staat van euforie. Ik heb dat medicijn bijna in het dankwoord van mijn boek gezet. Ah, wetenschap!”

7. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Een boek lezen op een zonnig terras en me er volledig in onder­dompelen, kan me intens gelukkig maken. Ik hou vooral van non-fictie, van de combinatie van esthetisch plezier en intellectueel genot. En voor de rest een avond dineren en ­praten met vrienden, of met mijn vriendin, of het nu is om lol te trappen of over ernstige zaken te spreken.”

8. Wat is het decadentste wat u ooit hebt meegemaakt?

“Ik heb ooit een reis naar Sydney gemaakt voor een congres, op kosten van de belastingbetaler, waar ik me achteraf schuldig over voelde. 1.500 euro om daar voor twee man en een ­paardenkop een voordracht te geven. Dat is eigenlijk wel decadent, en ecologisch evenmin verantwoord. En zwijg me van ‘netwerken’!”

9. Wat is uw zwakte?

“Naar het schijnt heb ik bindings­angst. En ik ben argwanend.

“Ik heb geen eigendom, ik woon niet samen, ik heb ook geen behoefte aan kinderen. Ik ben zeer verknocht aan de vrijheid die ik heb om mijn eigen resolute keuzes te maken.

“Mijn vriendin woont in Hongarije. Wat afstand kan geen kwaad.” (lacht)

10. Waar hebt u spijt van?

Maarten Boudry: “Mijn wereldbeeld is optimistisch. Ik ben nergens echt bang voor.” ©© Stefaan Temmerman

“Als puber heb ik een nogal lastige periode gehad. Ik was arrogant, onaangenaam. Ik kreeg onlangs een uitnodiging van mijn vroegere school, het Klein Seminarie in Roeselare, om een stukje te schrijven voor oud-leerlingen. Ik heb dat uiteindelijk beleefd afgeslagen. Niet omdat ik er zulke slechte herinneringen aan heb, maar omdat ik niet de indruk wilde wekken dat alles er koek en ei was. Ik heb indertijd behoorlijk wat narigheid gehad met wat leraren en de directeur, en zij ook met mij. Eigenlijk heb ik al overwogen om sommige ­leerkrachten mijn excuses aan te bieden. Ik zette de klas op stelten, probeerde hen uit te dagen en deed ook zo weinig mogelijk. Om de een of andere reden schepte ik er een duivels genoegen in om de luierik uit te hangen en leerkrachten te frustreren. Gelukkig ben ik nu van dat perverse trekje af.” (lacht)

11. Wat is uw grootste angst?

“Ik ben geen angstig persoon. Mijn wereldbeeld is optimistisch. Ik ben nergens echt bang voor.”

12. Wanneer hebt u voor het laatst gehuild?

“Wellicht was de laatste keer tijdens de sublieme en ­aangrijpende dans­voorstelling van Sidi Larbi Cherkaoui op het Requiem van Fauré, in een bewerking van Wim Henderickx.

Of bij het ‘Adagietto’ van de vijfde symfonie van Mahler, in Antwerpen. Ook vaak prijs: ‘The Great Gig in the Sky’ of ‘Wish You Were Here’ van Pink Floyd.”

13. Wat kan u plots uit uw humeur halen?

“Irritante geluiden. Het gekrijs van een baby gaat door merg en been. En het monotone gedreun van kerk­klokken op een ­zondagmorgen! Een muezzin hoor ik veel liever, zij het ook liefst niet om 7 uur ’s morgens.” (lacht)

14. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Nog nooit. Ik heb nog nooit in mijn leven gevochten, en ik krijg zelden woede-uitbarstingen.”

15. Waar schaamt u zich soms voor?

“Mocht het echte en oprechte schaamte zijn, zou ik het dan in de krant willen vertellen?”

16. Welke kunstvorm beroert u het meest?

‘Als kind besefte ik al snel dat het christendom eigenlijk een be­spot­te­lij­ke religie is. Dus lach ik ermee. Ik vind dat je met alles mag lachen’

“Met voorsprong muziek. En daarna literatuur. Ik word zelden echt geraakt door beeldende kunst. Misschien omdat ik er ­weinig van af weet. Ik hou wel van Caravaggio of Caspar David Friedrich, of van René Magritte. Maar ik krijg er geen krop in de keel van.”

17. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

Maarten Boudry: “In het pleistoceen had ik het wellicht niet lang uitgezongen, als jager-verzamelaar.” ©© Stefaan Temmerman

“In mijn kindertijd, toen ik nog in God geloofde, heb ik daar wel op gehoopt, en zelfs geprobeerd om ze kunstmatig op te ­wekken, maar ik ben er nooit in geslaagd. Ik heb ook nog nooit gehallucineerd. Mijn verbeelding is wellicht te schraal.

“Als kind besefte ik wel al snel dat het christendom eigenlijk een bespottelijke religie is. Dus lach ik ermee. Ik vind dat je met alles mag lachen. Mensen die blasfemie willen verbieden, die vinden dat Charlie Hebdo het verdiend of zelf gezocht heeft, vind ik je reinste intolerantie. Spotten met religie daarentegen vind ik geen uiting van onverdraagzaamheid. Niemand is verplicht om Charlie Hebdo te kopen of naar een comedian als Bill Hicks te luisteren. Waarom zou je niet met een profeet mogen lachen? Hoezo? Van de weerom­stuit ga ik net méér met religie spotten, omdat er zo’n taboe op rust.

Rik Torfs mag geloven wat hij wil, een salafist mag geloven wat hij wil, maar ik heb wel het recht om het te doorprikken. Ik kan niet verdragen dat er speciaal respect wordt geëist voor iets wat geen bijzonder respect verdient. Niemand kan het recht opeisen om niet beledigd te worden, dat zou intolerant zijn, want dan beknot je mijn vrije menings­uiting. Dan krijg je het dictaat van de langste tenen.

“Het is zeker niet zo dat ik alle gelovigen minacht. In debat met academische theologen kan ik wel bijtende spot gebruiken. Zij kiezen er heel bewust voor, met alle kennis die ze hebben, om te geloven. En als hoog­opgeleiden ­verkeren ze volledig in de gelegenheid om zelf uit te zoeken dat het niet klopt. Dan moeten ze ook maar tegen spot kunnen.”

18. Hoe kijkt u naar uw lichaam?

“Ik heb het al wel eens vervloekt, wegens gezondheids­perikelen. In het pleistoceen had ik het wellicht niet lang uitgezongen, als jager-verzamelaar. Maar de natuurlijke selectie heeft me nog niet te ­grazen genomen. Ah, wetenschap en vooruitgang!”

19. Wat vindt u erotisch?

“Een elegante hidjab.” (lacht)

20. Wat is uw goorste fantasie?

“Ik heb geen fantasie. De werkelijkheid is veel te mooi.” (lacht)

21. Welk dier zou u willen zijn?

‘Ik hou niet van mensen die te snel ­ver­ont­waar­digd zijn. Die zwelgen in hun eigen gelijk, zelfs bij alledaagse on­be­nul­lig­he­den’

“Liefst een roofdier met niet te veel natuurlijke vijanden, dus bovenaan in de voedselketen. Liever eten dan gegeten worden. Doe mij maar een manoel, een wilde Aziatische kat. Of nog beter: een gedomesticeerd mormel, dat ganser dagen kan luilekkeren.”

22. Hoe is/was de relatie met uw ouders?

“Ik mag mezelf gelukkig prijzen: ik ben in een ­liefdevol nest opgegroeid.

“Mensen die al hun problemen toeschrijven aan hun ouders, bekijk ik wel met argwaan. Ik heb daar een heel goed boek over gelezen, The Nurture Assumption van Judith Rich Harris, en daaruit blijkt, als je dat echt gaat onderzoeken en statistisch in kaart brengt, dat de invloed van ouders op het karakter van hun kinderen gering is. Behalve bij misbruik en verwaarlozing, natuurlijk.”

23. Welke eigenschappen waardeert u in anderen?

“Relativerings­vermogen. Ik hou niet van mensen die te snel ­verontwaardigd zijn. Die zwelgen in hun eigen gelijk, zelfs bij alledaagse onbenulligheden. Empathie vind ik belangrijk, de bereidheid om een ander standpunt te begrijpen.

“Zelf­relativering houdt ook in dat je jezelf bespot. Dat je met elkaar kunt lachen en dat mag vrij hard zijn. Ik vind het leuk om met mensen om te gaan die ook een dikke huid hebben. Bij mijn goede vrienden vind ik het comfortabel dat ik me niet moet inhouden. Dat ik gewoon kan zeggen wat er in mij opkomt en dat zij weten: hij meent dat niet. Want mijn soort humor is wel vaak scherp en sarcastisch, en niet iedereen kan daarmee ­overweg.”

24. Hoe definieert u liefde?

“Biochemisch natuurlijk. De vraag die ik wellicht het vaakst krijg, luidt: ‘Is liefde een illusie?’ Nee, want natuurlijk bestaat liefde. Tenzij je je pakweg verbeeldt dat ze wederzijds is wanneer dat niet het geval is. Dan is het zins­begoocheling.

“Verliefdheid is een biochemisch proces, en liefde ook. We moeten er ook geen mysterie van maken.

“Liefde is biologisch. We zijn een vrij monogame soort. Het is belangrijk voor de overleving van menselijke kinderen dat een koppel aan elkaar klit en dat ze elkaar graag genoeg zien om bij elkaar te blijven, ook als het wat moeilijk gaat. Als er bij jager-verzamelaars een vader aanwezig is bij de opvoeding, zijn de overlevings­kansen van het kind veel groter. Bij andere ­diersoorten is dat anders.

‘Bemind worden ís al een gunst. Willen mensen nu ook bepalen hóé ze bemind willen worden? Verwende nesten!’

“Ik geloof wel dat je met iemand samen kunt zijn voor de rest van je leven, maar wat dat betreft ben ik een koele scepticus, omdat ik meteen aan de statistieken denk. Ik wil niet cynisch klinken, maar je moet toch wel wat geluk hebben. En je moet ook de persoonlijkheid hebben om met iemand samen te leven. Wat als je echt een lastig karakter hebt? Ik moet meteen denken aan de sketch van Louis C.K. (Amerikaanse comedian, red.): ‘There’s someone for everyone? Nope, and stop saying it because it’s mean for those people who never find anybody.’ Ik denk dat dat wel klopt. Dat is bijna een soort van magisch idee, dat er op elk potje een dekseltje past.”

25. Hoe wilt u bemind worden?

“Bemind worden ís al een gunst. Willen mensen nu ook bepalen hóé ze bemind willen worden? Verwende nesten!”

26. Hoe zou u willen sterven?

“Een zelfgekozen dood, zoals Seneca die kalm zijn polsen ­doorsneed in een warm bad en ook nog een gifbeker dronk. Al werd hij er wel toe gedwongen door keizer Nero. Een pijnloze en vrij snelle dood dus, na een voltooid leven.”

27. Welk maatschappelijk probleem raakt u?

“Religieuze intolerantie. Niet omdat het objectief de grootste boosdoener is, maar omdat veel mensen er blind voor zijn en religie een hand boven het hoofd houden.”

28. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?

Maarten Boudry: “Geld is louter een middel. Maar wel een zeer handig middel.” ©© Stefaan Temmerman

“Nee. En voor iemand zegt dat we allemaal diep vanbinnen racisten zijn: de impliciete-associatie­test, die peilt naar ­onderhuidse racistische denkbeelden, is inmiddels doorprikt. Het is een waardeloos instrument.

“Neemt niet weg dat het lastig blijft om volledig kleurenblind te zijn. Ik moet soms opletten dat ik niet aan over­compensatie doe, door vriendelijker of welwillender te zijn tegenover ­mensen met een andere huidskleur. Dat soort zachtaardig paternalisme kan ook ergerlijk zijn voor de persoon in kwestie.”

29. Wat betekent geld voor u?

“Geld is louter een middel. Maar wel een zeer handig middel. Ik heb niet de behoefte om meer geld uit te geven dan ik verdien. Uiteraard. (lacht) Maar ook niet om meer geld te verdienen dan mijn collega, mijn broer of wie dan ook. Op andere vlakken heb ik wel een competitief trekje, qua publicaties bijvoorbeeld.

“Ik geef veel geld uit aan eten. Niet in dure restaurants, dat doe ik zelden, maar omdat ik nogal lui ben, ik kook zelden. Ik ga iets afhalen in een pizzeria. Koken stelt mijn geduld op de proef en ik vind koken voor jezelf zo inefficiënt.”

30. Hoe werkt u mee aan een betere wereld?

“Ik ben een aanhanger van de filosofie van Effectief Altruïsme, die mensen aanspoort om op een rationele en zo effectief mogelijke wijze aan liefdadigheid te doen. Daarvoor heb ik The Pledge ondertekend, een eed om 10 procent van je inkomen af te staan aan effectieve goede doelen. Dat is in mijn geval vooral de Against Malaria Foundation, de meest efficiënte organisatie die klamboes verspreidt ter bescherming tegen malaria.”

What We Owe to Others: Simone Weil’s Radical Reminder – The New York Times

Seventy-five years ago, the French philosopher and mystic Simone Weil joined Charles de Gaulle’s Free French movement in London. We do not know if the Catholic and conservative general, who never met Weil, knew she had left her post as a professor of philosophy in order to work on assembly lines, left her family to fight alongside anarchists in Spain and left her country to escape the anti-Semitic Vichy regime. All we do know is that de Gaulle read Weil’s plan to parachute white-uniformed nurses onto battlefields, armed only with the obligation to succor the injured and sacrifice their own lives. Setting down the paper, de Gaulle blurted: “But, she’s crazy!”

De Gaulle was right about the plan, but not the person. In fact, Weil’s reflections on the nature of obligation offer a bracing dose of sanity in our perplexing and polarizing times. During the final months of her life — she died in the summer of 1943 — Weil wrote of several of her most subversive and seminal texts. (That they were essentially position papers for the Free French makes them all the more extraordinary.) This is particularly true for “Human Personality” and “Draft for a Statement of Human Obligations,” both of which are devoted to distinctions Weil insists upon personal rights and impersonal duties.

When we talk about justice today, we almost always find ourselves talking about rights we believe are entrenched in nature and have been enshrined in our founding documents. This language reflects a liberal conception of human action and interaction, casting us as rational agents who reach agreements with one another through calculation and negotiation. Moreover, as the philosopher Charles Taylor has argued, while each of us “has a conception of the good or worthwhile life,” none of us accepts “a socially endorsed conception of the good.” In essence, the ideal of right has ceded to the ideal of rights.

The problem, for Weil, with the liberal conception of rights — and the laws that codify them — is that it is rooted in the personal, not the impersonal. Our society, she insists, is one where personal rights are tied at the hip to private property. Taking his cue from Weil, political theorist Edward Andrew suggests that a rights-based society “is the consensual society where everything is vendible at constitutional conventions or the marketplace.” This reveals what Weil, like Thomas Hobbes, believes to be the sole universal truth concerning human affairs: certain groups will always wield greater clout than other groups. “Rights talk” deals with the relative and alienable, not absolute and inalienable. For Weil, the old joke about our legal system — “How much justice can you afford?” — takes on a tragic immediacy.

Moreover, the emphasis on “inalienable human rights”— a phrase, Weil declares, history has shown to be meaningless — blinds us to the only true good, one rooted in what Weil calls the “impersonal.” This term, paradoxically, describes what is most essential to our flesh and blood lives: the needs shared by all human beings and the obligations (and not rights) to one another that they entail. These needs, listed in her “Draft for a Statement of Human Obligations,” include nourishment and clothing, medical care and housing, as well as protection against violence. (Though opposed to capital punishment, Weil made an exception for rape.)

With her knack for striking illustrations, Weil confronts us with the limits of rights claims. “If someone tries to browbeat a farmer to sell his eggs at a moderate price, the farmer can say: ‘I have the right to keep my eggs if I don’t get a good enough price.’ But if a young girl is being forced into a brothel she will not talk about her rights. In such a situation, the word would sound ludicrously inadequate.”
This is why, when we ask why we have less than others, we are getting personal, but when we ask why we are being hurt, we are getting impersonal. And for Weil, the impersonal is good in every sense of the word. In the case of her illustration, Weil finds the notion of rights ludicrous because the girl is not being cheated of a profit. Instead, she is being cheated of her very humanity. There is no true compensation for such acts. And yet, by confusing personal rights with impersonal (or universally shared) needs, we burden ourselves with a language that deflects us from what is truly at stake. As Weil declares: “There is something sacred in every human being, but it is not their person. It is this human being; no more and no less.”
While Weil was responding to the crisis of Western democracies confronting the challenge of fascism, her essays can also help us think about our own crisis of political governance and legitimacy. Take the current debate over the Trump administration’s proposal to cut funding for the Supplemental Nutrition Assistance Program, known as SNAP, or food stamps. Rather than receiving cash installments on their electronic benefit-transfer cards, those enrolled in the program will instead receive boxes of tinned and canned food.
Fortunately, the proposal seems fated for the shredding machine, but it still serves as a useful example. Those using rights language would reply that the government hasn’t the right to cut their money payments because they have the right to do their own shopping. But we can also frame the criticism in obligation language: “It is unjust to replace financial assistance with box meals, which will punish both our physical and emotional well-being.” While the first response would ignite what Weil calls the “spirit of contention,” the latter response might “touch and awaken at its source the spirit of attention.”
In other words, such a reply asks us to forget about ourselves and instead attend to other lives. Moral situations require, as one of Weil’s great fans, Iris Murdoch, wrote, an “unsentimental, detached, unselfish and objective perspective.” Such attentiveness allows a moral and political clarity that “rights language” simply cannot. Paying attention, for Weil, is the most fundamental of our obligations. It forces us to recognize that what she calls “le malheur,” or suffering, lies in store for all of us. “I may lose at any moment,” she wrote, “through the play of circumstances over which I have no control, anything whatsoever I possess, including things that are so intimately mine that I consider them as myself.”
This includes my sense of autonomy, reflected in so banal an act as buying groceries, but also in much more dramatic acts. The contemporary philosopher Andrea Nye suggests that Weil also throws a bracing light on the debate over abortion. In effect, the related notions of obligation and attention offer a third way between those who claim the fetus’s right to life and those who insist upon a woman’s right to choose. Rejecting these rights-based claims, Nye writes, a “Weilian feminist might listen to the women themselves as they attempt to make sense of their lives in order to come to a binding sense of what must be done to restore social balance and create a society in which obligations do not conflict.” Such an approach might invite a woman seeking an abortion to fully attend to a situation which does not implicate her alone.
I do not mean to present all this as a panacea to our current political predicament, one that Weil would surely dismiss, as she did France’s on the eve of World War II, as an “incredible barrage of lies, of demagogy, of boasting admixed with panic,” one of “disarray, in sum a totally intolerable atmosphere.” Yet, even if her insights into what she called the “social drama” do not always lead to clarity, they do oblige us to consider how politics would change if we made room for obligation.
Robert Zaretsky is a professor at the Honors College, University of Houston, and author of “Boswell’s Enlightenment.”

via What We Owe to Others: Simone Weil’s Radical Reminder – The New York Times

Hoe een oude foto een herinnering letterlijk kleurt – Het Parool

Simone Hoang

Simone Hoang (35), die is geadopteerd, ontdekte iets vreemds aan de foto’s van haar biologische, Vietnamese familie. “Ik heb maar een paar spullen om hen te herinneren, waaronder een setje foto’s. Het viel me op dat de kleuren van de omgeving klopten, maar dat de gezichten van mijn familieleden bijna niet herkenbaar waren. Hun gezichten waren niet kleurecht, het waren weinig gedetailleerde, donkere vlakken. Ik wilde uitzoeken hoe dat kwam.”

Aangemoedigd door Wende Wallert, conservator van de kunstcollectie van de Vrije Universiteit en tentoonstellingsmaker, diepte Hoang dat onderzoek uit. In de hal rondom de aula van de VU zijn twee keer per jaar tentoonstellingen waarin kunst en wetenschap worden gecombineerd. De vorige tentoonstelling ging over geur in de kunst; dit weekend opende een expositie over kleur. De aanleiding is het onderzoek van Wil Uitgeest, die in 2016 bij de faculteit der Godgeleerdheid promoveerde op de werking van kleuren, dus hoe kleuren zich gedragen en hoe we ze ervaren.

Voor de groepstentoonstelling vroeg Wallert vijf hedendaagse kunstenaars om het proefschrift (of een samenvatting) te lezen en er met hun kunstwerken op te reageren. De werken van Steven Aalders, Simone Hoang, Kianoosh Motallebi, Karin Trenkel en Rutger de Vries gaan allen over de ervaring van kleur.
Hoang koppelt in haar werk herinneringen aan kleur. Wallert had Hoang benaderd naar aanleiding van een solotentoonstelling vorig jaar bij galerie Fontana, waarin zij geur middels fotografisch materiaal zichtbaar maakte. “Geur verdwijnt, maar ik geloof dat als je geur omzet in een visuele vorm, je die herinnering ook kunt vasthouden.” Hiertoe ontwikkelde zij filmrolletjes in baden parfum. Het filmrolletje dat uit het bad met Dolce & Gabbana Light Blue kwam, was opvallend genoeg eerder rozig dan lichtblauw. In haar nieuwe serie laat ze zien hoe oude foto’s herinneringen kleuren – letterlijk.

Want waarom klopte de huidskleur van haar biologische familie niet in de foto’s? Hoang las dat de eerste kleurennegatieven van Kodak, de Ektacolor en de Kodacolor, drie kleuren slecht konden vastleggen: bruin, rood en geel. En dat zijn nou net de kleuren die essentieel zijn om verschillende huidskleuren goed weer te kunnen geven. Witte huid oogt natuurlijk, maar bij een getinte huid ging het mis.

“Kodak noemde de Ektacolor ‘normaal’, en dat vond ik interessant, omdat de fabrikant daarmee de norm bepaalt. Als je naar een foto kijkt, wil je geloven dat je een natuurgetrouwe weergave ziet van wat zich voor de lens afspeelde, maar in oude foto’s klopten sommige kleuren dus niet. De fabrikant bepaalt hoe je die wereld ziet en herinnert.”

Bruin, rood en geel zaten wel in de negatieven, maar kwamen er bij het standaardontwikkelproces van Kodak niet goed uit. “Ik denk dat in de jaren veertig en vijftig hun meeste klanten wit waren, en de kleuren zodanig waren afgesteld om hen zo goed mogelijk vast te leggen. Nadat chocoladefabrikanten en meubelmakers aan de bel hadden getrokken dat bepaalde tinten niet goed uitkwamen, heeft Kodak het procedé verbeterd. Maar bruin, rood, en geel blijven moeilijke kleuren om vast te leggen. In mijn werk wil ik Kodak niet verwijten dat zij bepaalde groeperingen buitensloten, wat mij vooral raakt is dat we in het begin gekleurdheid niet goed met kleurenfilm konden vastleggen.”

In de donkere kamer legde Hoang onbelichte rolletjes Ektacolor uit de jaren vijftig in een zuur dat ervoor zorgde dat alle kleuren die in de emulsielagen van het negatief besloten zaten naar voren kwamen. Vervolgens haalde ze die kleuren middels een scheikundig proces uit elkaar. In de VU hangen drie afdrukken, vergroot tot een menselijke maat, van de ‘moeilijke’ kleuren bruin, rood en geel. “Ik heb de materie ontleed en laat nu zien wat je daarvoor niet kon zien. Met die ongeziene kleuren wil ik bezoekers bestaand materiaal op een andere manier laten waarnemen: zo kun je ook naar kleur kijken.”

Colourbomb, t/m 1/5 in VU-expositieruimte rondom de Aula, VU-hoofdgebouw, De Boelelaan 1105.

via Hoe een oude foto een herinnering letterlijk kleurt – Het Parool