‘Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald’

Het Amsterdamse gezin Krieg overleefde als een van de weinige gezinnen in zijn geheel de oorlog. Dochters Suze (87) en Mirjam (84) zwegen daarna over hun kampverleden. Hun verhaal is onderdeel van een expositie in het Stadsarchief.
Hanneloes Pen 
De zussen Mirjam (l) en Suze Krieg, die samen met hun ouders het kamp Bergen-Belsen overleefden ©Hanna Snijder

Over de oorlog praten doet Mirjam Krieg liever niet. Ze zit niet te wachten op medelijden, zegt ze. “Je wordt er ook ziek van als je erover praat. Wij zitten in een vat met een deksel erop.”

De zussen Suze en Mirjam Krieg om de tafel krijgen, kost enige moeite. Ze hebben periodes dat ze ‘even’ niet met elkaar praten. De laatste keer dat ze elkaar zagen, was een maand of tien ­geleden. “We hebben altijd mot. Over iets wat gezegd is, over kleine dingen. We zijn ook heel verschillend,” zegt de jongste, Mirjam.

Nu zitten ze samen op de bank, bij Suze thuis, en dat is ­bijzonder. Ze wachten ogenschijnlijk geduldig af tot de ­ander is uitgesproken. “Mag ik nu?”

Het gezin Krieg – vader, moeder, twee dochters – werd in 1943 naar Westerbork gedeporteerd en kwam zeven tot acht maanden later terecht in het concentratiekamp Bergen-Belsen. “Het wonderlijkste van het wonderlijkste is dat we het met zijn vieren hebben overleefd,” zegt Suze.

Hun ouders, Hans Krieg en Regina Sternlieb, vluchtten in 1933 met hun dochtertje Suze vanuit Breslau naar ­Amsterdam, waar dat jaar Mirjam werd geboren. Hans Krieg, componist en dirigent, werd directeur van de Joodsche Orkest-Vereniging Amsterdam en werkte voor het koor van de Liberaal Joodse Gemeente. Er kwamen bij hen thuis veel Duits-Joodse artiesten over de vloer.

Allesbehalve rijk
Mirjam: “Voor de oorlog hadden we het heel slecht, maar dat was onze redding om het kamp te overleven. Wij waren ­allesbehalve rijk. We hadden niets.”

Links Mirjam Krieg, rechts Suze Krieg ©Jeugdfoto

Suze: “We kregen samen één ijsje of konden samen een autoped huren voor een half uur.”

In de boekenkast staat een foto van de beide zusjes, acht en vijf jaar oud, in zomerjurkjes. Ze zijn aan het spelen vlak voor hun huis in de Molenbeekstraat in de Rivierenbuurt. Ze vormden een hecht gezin. Er was altijd muziek in huis. Hun vader zei ­altijd: “Eten is het voedsel voor het lichaam, muziek voor de ziel.”

Hans Krieg kreeg in de oorlog een Sperre, een speciale stempel, vanwege zijn functie als organist en koordirigent waarmee het gezin voorlopig was vrijgesteld van deportatie. In mei 1943 moesten ze echter verhuizen naar het Afrikanerplein in de Transvaalbuurt waarvandaan Joden werden gedeporteerd. “Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald,” zegt Suze.

Tot driemaal toe ontkwamen de Kriegs in Westerbork aan deportatie naar Auschwitz. De eerste keer speelde Hans Krieg in een revue, de tweede keer kreeg Suze hepatitis en later lag Mirjam in het ziekenhuis.

In Westerbork lukte het om op de zogenoemde Palestinalijst, voor uitwisseling tegen Duitse krijgsgevangenen, te worden geplaatst. Ze werden begin 1944 naar Bergen-­Belsen gedeporteerd.

Hun vader kwam te werken in het ‘schoenen-commando’, hun moeder in de gaarkeuken. De zusjes, toen tien en dertien jaar, waren de hele dag op zichzelf aangewezen. Ze moesten zelf hun eten organiseren in het kamp waar honger, kou en ziektes als tyfus en dysenterie heersten.

Op de laatste trein
Mirjam Krieg heeft haar verhaal in 2011 in het KRO-­programma De Wandeling verteld, opdat mensen de oorlog niet vergeten. “Eten? Het was net iets te veel om te sterven en te weinig om te leven,” zegt ze in het programma. “Het enige voordeel van Bergen-Belsen was dat er geen gaskamers waren, maar je ging er wel zelf dood.”

De her­in­ne­rin­gen aan het kamp raakt Suze niet meer kwijt. Op haar zeventiende werd ze diverse keren opgenomen

Suze: “Er is weinig aandacht besteed aan die paar kinderen die het kamp hebben overleefd. We kunnen je details vertellen waarvan je haren te berge rijzen, maar wij waren sterk. Ik heb ook nooit gedacht dat ik zou sterven. Ik dacht wel als onze ouders sterven, dan gaan wij er ook aan.”

Vanwege het oprukken van de geallieerde troepen werden de bijna zevenduizend gevangenen uit het kamp in drie treinen gezet en weggevoerd. De laatste trein, met het gezin Krieg, reisde twee weken doelloos rond. De trein werd bekend als het ‘verloren transport’. Die trein was het angstigste wat Mirjam is overkomen, zegt ze, omdat ­niemand wist wat er ging gebeuren.

In april 1945 werden ze uiteindelijk door het Rode Leger bevrijd in het Duitse Tröbitz. “We hebben een karren­wagen gehaald en mijn moeder erin gezet,” zegt Suze.

Een maand lang bivakkeerden ze in de omgeving in een leegstaand huis in een verlaten dorp. De kinderen vonden weckflessen met fruit en groenten in de kelders van huizen waarvan de bewoners op de vlucht waren geslagen. “Mijn ouders waren dood- en doodziek. Als wij toen niet voor ze hadden gezorgd, hadden ze het niet gered.”

Ze kwamen uiteindelijk weer terug in Amsterdam waar ze onderdak kregen bij familie in De Pijp. Suze had vlek­tyfus opgelopen en was in Limburg een tijd opgenomen. ­Uiteindelijk kregen ze via een kennis een woning op de Prins Hendriklaan in Zuid.

Elektroshocks
De herinneringen aan het kamp raakt Suze niet meer kwijt. Op haar zeventiende werd ze diverse keren opgenomen. Ze zat een half jaar op de gesloten afdeling van de ­Valeriuskliniek, waar ze werd gefixeerd en elektroshocks kreeg toegediend. De Joodse psychiater Max Hamburger nam haar in analyse, waarna ze een ‘redelijk’ leven kreeg.

Suze pakte  de draad geleidelijk weer op en kwam op het Amsterdams Lyceum terecht. Ze verzweeg haar kampverleden, net als haar zusje, dat op de ulo zat.

Het buurmeisje kwam naar me toe en zei: ‘Ze hebben jullie vergeten te vergassen’

Mirjam: “Het was zoiets absurds, zeker vergeleken bij het gewone leven. Het was een zwart donker gat in jezelf.”

Suze: “Je had veel beter niet uit de oorlog kunnen komen. Ik heb drie zelfmoordpogingen gedaan. Ik vond het leven onverdraaglijk. In het kamp stapte ik een keer in een ­deken en daar bleek een lijk te liggen. De Kapo sloeg me eens ­keihard toen ik doodziek was en mijn bed niet kon uitkomen om urenlang op appel te staan. Als je al die herinneringen kunt stopzetten, heb je nog een keus, anders niet.”

Terug in Nederland werden ze opnieuw geconfronteerd met Jodenhaat. Mirjam: “Aan de overkant woonde een ­gezin, zuivere antisemieten. Dat buurmeisje kwam naar me toe en zei: ‘Ze hebben jullie vergeten te vergassen.’ Ik kon geen woord meer uitbrengen. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt.”

Geestelijk sterk
Mirjam, moeder van twee kinderen, ging naar het ­conservatorium en werd sopraan en soliste van het Groot Omroepkoor. Samen met haar vader hield ze voordrachten en zanguitvoeringen over de geschiedenis van de Joodse muziek. In 2011 zong ze het herontdekte lied Waar Bleven de Joden van ons Amsterdam dat haar vader in 1947 had geschreven. ­

Waar zijn al de venters met fruit en met bloemen
en waar is de voddeman, die altijd kwam?
Waar zijn de tienduizenden hier niet te noemen?
Waar zijn toch de Joden van ons Amsterdam?

“Ik ben met mijn vader het hele land doorgereisd om ­overal op te treden, maar we hebben nooit meer over de oorlog gesproken. Niemand had zin in dat onderwerp.”

Suze ging als analist aan de slag in het laboratorium van de Sinai-kliniek (nu Sinai Centrum) in Amersfoort en werkte 25 jaar bij het Wilhelmina Gasthuis, Binnen Gasthuis en AMC. “Ondanks de misère heb ik toch een mooi ­leven gehad. Ik heb een capaciteit tot geluk. Het was ­natuurlijk ook heel fijn om na de oorlog weer als gezin ­samen te leven.”

Mirjam: “We zijn altijd heel hecht gebleven, ook door de ellende die we hebben meegemaakt. We zijn geestelijk sterk. Als je de verschrikkingen van het kamp overleeft, ben je oersterk. Het was een warm gezin ook. Mijn vader zei: ik ben in A grote terts getrouwd, met drie kruizen.”

 

via ‘Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald’ – Amsterdam – PAROOL

Advertisements

Nietzsche in tien vrolijke lessen

Deze week verscheen een nieuwe vertaling van Nietzsches belangrijkste boek: De vrolijke wetenschap. Ruim een eeuw oud, maar ook de moderne mens kan er nog een hoop van leren.

De Volkskrant
Martine Prange
17/2/18

1.
Liefde: leren liefhebben van de omgeving – Heb de ander lief. Nee, niet als Bijbels gebod. Niet al je naasten, niet heel de mensheid. Dat is voor Nietzsche een te abstract fenomeen. Anderen en je omgeving liefhebben is een kwestie van dagelijkse training: probeer met een warm oog je omgeving te beschouwen en lief te hebben (VW 334). Ook beter voor de wetenschap (zie onder).

2.
Wetenschap: wetenschap moet niet bedreven worden als iets koels en ernstigs, maar met warmte en betrokkenheid. Wetenschappers moeten zich laten leiden door hun intellectuele geweten (VW 2; VW 335) en vrolijk zijn.

3.
Kunst: goede kunst is de stilering van een overvloed aan levenslust en de botsing van verschillende artistieke opvattingen (VW 370). Zie ook: Dionysisch pessimisme en stijl.

4.
Stijl: ook je eigen persoonlijkheid moet je stijl geven, als ware je zelf een kunstwerk. De uitdaging voor individuen is de overvloed aan levenslust en de strijd tussen verschillende culturele normen en opvattingen (wat Nietzsche later ook ‘wil tot macht’ noemt) te stileren tot een eenheid, een nieuwe stijl die als standaard en toetssteen zal fungeren van alles wat daarna komt (VW 290).

5.
Dionysisch pessimisme: versus Romantisch pessimisme. Het Romantische pessimisme wijst het leven af. Het Dionysisch pessimisme weet ook wel dat het leven absurd en zinloos is, maar stelt dat de uitdaging voor de mens is het desondanks te omarmen en lief te hebben (zie: amor fati).

6.
Amor fati: ‘houd van je lot’ of ‘de liefde tot het lot’ (daar zijn hele discussies over in de Nietzsche-literatuur). Het gaat niet om het accepteren van je leven, alsof je je fatalistisch neerlegt bij je lot, want het is nu eenmaal wat het is, en beter zal het niet worden. Het is je leven omarmen alsof je het zelf zo gewild hebt (VW 276). Zie ook: eeuwige terugkeer van het gelijke.

7.
Eeuwige terugkeer van het gelijke: dit is geen metafysica (althans, niet in dit boek, in Aldus sprak Zarathustra wel), maar een ethische imperatief: leef je leven zo dat je op de vraag of je het precies weer zo zou willen, hartgrondig ‘ja’ kunt zeggen. Dat wil niet zeggen dat je alles even leuk hebt gevonden, maar dat er in elk geval één ogenblik in je leven was dat al het andere (dat er nu eenmaal noodzakelijk aan voorafging en er noodzakelijk uit voortvloeide) de moeite waard maakte (VW 341).

8.
Dood van God: God is dood – we ervaren een terugkeer van religie in deze neo-Romantische tijd, waarin iedereen weliswaar met zijn blote voeten in de aarde wil staan, maar ook met zijn hoofd in de hemel wil zweven, het liefst de zevende. Maar God is echt dood. We zullen er dus zelf iets van moeten maken. Daarover niet getreurd: het is inderdaad zeer tragisch, maar het opent ook nieuwe horizonten en een grote vrijheid, bijvoorbeeld om zelf te denken (VW 125, VW 124, VW 343. Zie ook: denken).

9.
Denken: kost tijd. Tegenwoordig denkt men met ‘het horloge in de hand’, schrijft Nietzsche. Ofwel: men denkt niet meer, er is alleen nog verstrooiing. Filosofie en wetenschap moeten weliswaar vrolijk zijn voor Nietzsche, maar de lichtheid die hij bepleit is gericht tegen de ‘geest der zwaarte’ van Kant, Schopenhauer en Wagner, die een knieval maakten voor de moraal en daarmee uiteindelijk ‘het morele geweten’ voorrang gaven boven het intellectuele geweten. Vrolijk- en lichtheid betekenen ‘lichtvoetig’ en niet ‘leeghoofdig’. Pak dit boek op, voor een dosis vrolijke, humorvolle, speelse doch ernstige filosofie als otium en bellum (VM 329. Zie ook: Vrolijke wetenschap).

10.
Vrolijke wetenschap: kun je alleen ontwikkelen door ‘als een hagedis’ in de zon te luieren aan de Middellandse zee. Véél otium dus. Gooi De vrolijke wetenschap in een koffer en ga als de wiedeweerga naar Genua, waar Nietzsche dit boek schreef. De vrolijke wetenschap is namelijk ook een ode aan de Mediterranée, een echt ‘zuidelijk’ boek, geschreven ‘in de taal van de dooiwind’ (zie voorwoord).

Martine Prange is hoogleraar filosofie van mens, cultuur en samenleving aan Tilburg University en Nietzsche-kenner. Over Nietzsche schreef zij de boeken Lof der Méditerranée: Nietzsches vrolijke wetenschap tussen noord en zuid (Klement, 2005) en Nietzsche, Wagner, Europe (Walter de Gruyter, 2013).

Friedrich Nietzsche: De vrolijke wetenschap
Uit het Duits vertaald door Hans Driessen. Vantilt; 352 pagina’s; € 22,50.

https://www.volkskrant.nl/boeken/leer-nietzsche-kennen-in-tien-vrolijke-lessen~a4570071/

Aurelia Brouwers (1988-2018)

Aurelia Brouwers (1988-2018) kampte jaren met geestelijke problemen. Ze oogstte respect én woede met haar openlijke euthanasiewens.

NRC
Danielle Pinedo

Het was een wat kleurloos verkiezingsdebat, vorig jaar maart in Zwolle. Politici spraken anderhalf uur lang over integratie, vluchtelingen, arbeid en zorg. Tot een jonge vrouw het woord nam. Ze zei dat ze psychiatrisch patiënt was. En dat het in de psychiatrische zorg „heel erg mis gaat”. Wisten de sprekers dat wel?

Schrijver Özcan Akyol, die het debat leidde, vroeg of ze een voorbeeld kon geven. De vrouw vertelde dat zij onlangs uren onderkoeld in een bos had gelegen. „Ik wist niet meer wie ik was, hoe oud ik was en hoe ik heette.” Een ambulance had haar naar het politiebureau gebracht, maar de crisisdienst stuurde haar nog diezelfde avond naar huis. „Wegens bezuinigingen.”

De vrouw was Aurelia Brouwers. Twee weken geleden kreeg ze euthanasie wegens ondraaglijk psychisch lijden – iets wat relatief weinig voorkomt. Van de 6.091 mensen die in 2016 euthanasie kregen, hadden zestig een psychiatrische achtergrond, volgens de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie.

Aurelia genoot landelijke bekendheid omdat zij via sociale media openhartig schreef over haar euthanasiewens. Daarmee oogstte zij respect én woede. Aurelia was een voortrekker in de mondiale euthanasiebeweging, maar zij werd ook geconfronteerd met een petitie, ondertekend door tienduizend mensen, om haar van euthanasie te weerhouden.

Door haar persoonlijke benadering van een gevoelig thema werden mensen aan het denken gezet, zegt Bart Bouwman, voorzitter van het CDJA in Overijssel. Aurelia woonde in Deventer en was actief CDA-lid. Ze bezocht partijbijeenkomsten – vaak in groene CDA-shawl. Bouwman: „Daar deelde zij haar ideeën over hulpverlening en euthanasie. Maar nooit op een drammerige manier. Door over zichzelf te vertellen, maakte ze problemen bespreekbaar. Het werd niet politiek.”

In Het meisje met de schaar. Dagboek van een krasser (2011) vertelt Aurelia haar levensverhaal. Ze werd geboren in een gezin met lieve ouders, die haar „een stabiele basis” gaven. „Ik was een vrolijk kind, slim volgens iedereen en erg levendig”, schrijft ze. De geestelijke problemen die ze vanaf haar veertiende ontwikkelde, kwamen voor velen als een schok.

Aurelia was nog een baby toen ze met haar ouders naar Duitsland verhuisde. De sfeer onder kinderen op school daar was hard. Als hoogsensitief en invoelend kind – haar woorden – leed ze daaronder. Ze piekerde veel, schrijft ze. „Ik begin na te denken over alle mensen die op een gruwelijke manier zijn vermoord in de oorlog. De joden in de Tweede Wereldoorlog, mensen in de Vietnamoorlog en de vrij recente oorlog in de Balkan. In mijn gedachtes voel ik de angst van slachtoffers. Ik rijd mee in de treinen naar Auschwitz en sterf in de gaskamers.”

Ook haar perfectionisme en geldingsdrang zaten Aurelia in de weg. Als ze een taak niet uitmuntend uitvoerde, stelde ze voor haar gevoel niets voor. „Ik strafte mezelf al op jonge leeftijd”, schrijft ze. „Dat deed ik door mezelf dingen te ontzeggen die ik graag wilde. Als ik bijvoorbeeld zin had in cola, nam ik expres geen cola. Had ik zin om met poppen te spelen, dan pakte ik een boek.”

Belangrijk lijkt de dag dat Aurelia naar een gesprek over de dood luistert, tussen haar ouders en een paar vrienden. Ze is dertien en raakt bevangen door angst, schrijft ze in haar boek. „Wat heeft het leven nog voor zin als we toch allemaal doodgaan, als ons lichaam vergaat tot as en onze ziel voor altijd is verdwenen? Ik word bang voor het einde, elke seconde beangstigt me, want elke seconde betekent weer een seconde dichter bij de dood.”

Eenmaal terug in Nederland gaat Aurelia naar het Isendoorn College in Warnsveld. Ze is vijftien als haar mentor haar ouders uitnodigt voor een gesprek en aanraadt hulp te zoeken voor hun dochter. Met moeite haalt ze haar vwo-diploma.

In de jaren die volgen zal ze vele zelfmoordpogingen doen. Ze krijgt onder meer de diagnoses borderline, complexe en chronische posttraumatische stressstoornis, hechtingsproblematiek, obsessief-compulsieve stoornis en angststoornis. Het leidt tot een lange reeks behandelingen en medicamenten, waaronder beeldende therapie, groepstherapie, antidepressiva en antipsychotica. Zonder noemenswaardig resultaat.

Aurelia was kwetsbaar, zegt goede vriend Toon Krijthe. Hij typeert haar als „iemand die wel wat positieve aandacht kon gebruiken”. Maar Aurelia was volgens hem ook een krachtige vrouw met doorzettingsvermogen. Dat blijkt niet alleen uit haar optredens bij politieke bijeenkomsten, maar ook uit het feit dat ze het leven zo lang heeft vol gehouden. „Aurelia heeft altijd geroepen dat ze de 25 nooit zou halen. Toch is ze 29 geworden.”

Voor Aurelia was het leven een marteling, zegt Krijthe. Ze sleepte zich door ieder uur. En tegelijkertijd was ze „vreselijk creatief”. Aurelia schreef, breide en haakte. „Bij het leeghalen van haar huis zijn we even lang bezig geweest met de hobbykamer als de rest. Ik heb weleens tegen haar gezegd: eigenlijk heb je geen tijd om dood te gaan.”

Maar de meeste tijd stak Aurelia volgens Krijthe in haar missie: euthanasie voor mensen met psychische problemen bespreekbaar maken. Dat is een groot taboe, merkte hij tijdens hun twaalf jaar lange vriendschap. „Zeker als je jong bent. Jonge mensen horen gevoelsmatig niet dood te gaan.”

Dat maakte het niet makkelijk de euthanasie bij te wonen. Maar hij deed het toch, zegt Krijthe, want hij voelde dat zijn goede vriendin in een uitzichtloze situatie zat. „Aurelia wilde niet zozeer dood, ze wilde dat het lijden zou stoppen. Ze had alles geprobeerd. Geen behandeling hielp. Dat besef maakte het draaglijk afscheid van haar te nemen.”

Vorig jaar meldde Aurelia zich aan bij de Levenseindekliniek. Die gaf – samen met een onafhankelijke psychiater – begin december toestemming voor euthanasie. Een paar weken later volgde het akkoord van de SCEN-arts (Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland).

Vanaf dat moment streepte Aurelia op een whiteboard de dagen weg. Bij haar geplande sterfdag – 26 januari – stond in grote letters ‘euthanasie’, met een smiley erachter. „Dat was typisch Aurelia”, zegt Krijthe. „Ondanks alles een gevoel voor humor hebben en dat als houvast gebruiken.”

 

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/02/10/voor-aurelia-was-het-leven-een-marteling-a1591735

Euthanasie in psychiatrie is politiek uiterst gevoelig

Aurelia wilde niets liever dan het doorbreken van het taboe rondom euthanasie in de psychiatrie. Kan haar wens postuum slagen? Vanuit politiek Den Haag blijft het vooralsnog overwegend stil.

Aurelia Brouwers
Aurelia Brouwers © FOTO HISSINK

Politici lijken hun vingers nauwelijks te willen branden aan het heikele onderwerp euthanasie in de psychiatrie. Veel partijen doen er het zwijgen toe op vragen van deze krant over de toename van het aantal psychiatrisch patiënten dat jaarlijks euthanasie krijgt. Alleen oppositiepartij SP kwam met een inhoudelijke reactie op het thema.

De afgelopen vrijdag via euthanasie overleden en uitbehandelde Deventer psychiatrische patiënte Aurelia Brouwers (29) heeft zelf ondervonden hoe zwaar het traject is om op een waardige manier te kunnen sterven. Politicoloog Margo Trappenburg, hoofddocent bestuurs- en organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht, constateert dat de huidige coalitie in het regeerakkoord min of meer heeft afgesproken het thema ‘euthanasie’ te mijden. ,,De visies zijn te verschillend. Dat wordt overigens ook open en bloot toegegeven in het akkoord.”

Heikele thema’s omzeilen

In de periode voor het eerste ‘paarse kabinet’ was het volgens Trappenburg niet ongebruikelijk om heikele thema’s te omzeilen. ,,Toen had je vaak een christelijke partij en een niet-christelijke partij in het kabinet. Moeilijke onderwerpen werden dan gedepolitiseerd, zoals wij dat noemen. Dan lieten de politici het over aan de rechters. Of er werd een commissie ingesteld die het mocht onderzoeken. Dit kabinet valt een beetje terug op dergelijke patronen: ze laten medisch-ethische onderwerpen aan de Kamer over.”

Maar het debat over euthanasie gaat volgens Trappenburg al lang niet meer alleen tussen mensen die wel geloven en mensen die dat niet doen. ,,Tegenwoordig zijn er in de politiek ook andere redenen om kritisch te zijn over euthanasie, bijvoorbeeld omdat de geestelijke gezondheidszorg onder druk staat.”

Bom

In het regeerakkoord is dit onderwerp helemaal dichtgetimmerd

Edwin van der Aa

Parlementair verslaggever Edwin van der Aa van deze krant stelt dat het onderwerp ‘euthanasie’ als een bom onder dit kabinet ligt. ,,Elke uitspraak die niet binnen het regeerakkoord past, kan die bom laten ontploffen.”

Van der Aa ziet dat er een compromis tussen de vier partijen is gesloten. ,,In het regeerakkoord is dit onderwerp helemaal dichtgetimmerd.” Grofweg komt het compromis er op neer dat het onderzoek naar behoefte aan euthanasie bij voltooid leven (geopperd door D66) doorgaat en dat Kamerlid Pia Dijkstra haar voorstel daarover mag indienen, maar daar blijft het verder bij. Van der Aa verwacht dat het onderzoek nog lang gaat duren. ,,Dat komt nooit deze kabinetsperiode af. Dat is eigenlijk het compromis.”

Zorgen

Deze krant benaderde de afgelopen weken meerdere politieke partijen in de Tweede Kamer, zowel coalitiepartijen als in de oppositie. Met vragen als: zijn er zorgen over de toename van het aantal euthanasiegevallen onder psychiatrische patiënten, of juist niet? En wat vinden de partijen van de kritiek van psychiaters, die stellen dat bezuinigingen in de GGZ voor extra problemen zorgen?

Antwoorden kwamen er nauwelijks. D66 en ChristenUnie reageerden in algemene termen dat aan alle regels voldaan moet worden. De PvdA weigerde commentaar. Sommige partijen, zoals de PVV en het CDA, reageerden helemaal niet. Alleen de SP kwam met een uitgebreide, inhoudelijke reactie.

Ook buiten ‘Den Haag’ is het taboe niet zomaar verleden tijd. Dimence, de organisatie die Aurelia bijstond, reageerde zaterdag met een summiere verklaring, waarin stond dat aandacht voor dit onderwerp gevaar kan opleveren voor kwetsbare burgers.

Openheid

Psychiater Menno Oosterhoff bepleit in zijn blog in Medisch Contact echter voor openheid. ,,Het is zeker belangrijk steeds te blijven benadrukken dat euthanasie bij psychische problematiek een aller-allerlaatste stap is. Een stap die pas gezet wordt als het lijden zo ondraaglijk en uitzichtloos is dat het alleen beëindigd kan worden door een eind aan het leven te maken. Gelukkig is dat zeldzaam en zal een behandelaar zich hierbij pas neerleggen, als de patiënt niet langer kan/wil en het oneerlijk wordt hem daarin niet te erkennen. Dan volgt er een uitgebreide procedure om te beoordelen of daadwerkelijk euthanasie kan worden verleend. De zorg van GGZ-instellingen over een aanzuigende werking deel ik dan ook helemaal niet.”

,,En ik ben ook niet bang dat mensen het sneller gaan opgeven vanwege de mogelijkheid van euthanasie. De patiënt zelf is degene die het meest indringend ervaart dat hij bij deze stap zijn leven verliest. Ik geloof niet dat betere bekendheid van de mogelijkheid van euthanasie ertoe zal leiden dat iemand deze stap te makkelijk gaat zetten. En anders is er altijd nog een uitgebreide, zorgvuldige procedure om dat te voorkomen.”

via Euthanasie in psychiatrie is politiek uiterst gevoelig | Deventer | destentor.nl

Wim Slabbinck in De vragen van Proust

De Morgen

De Franse schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Dertig directe vragen, evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: seksuoloog Wim Slabbinck (35). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?
Wim Slabbinck. ©© Stefaan Temmerman

1. Hoe oud voelt u zich? 

“Op de meeste ­momenten voel ik me 28. Ik ben 35, maar voel me jonger omdat ik toch vaak zie dat mensen met de jaren conservatiever worden, onverdraagzamer ook. Veel van mijn generatiegenoten waren in hun jeugd linkser dan ze nu zijn. Ze schuiven langzaam naar rechts op.”

 

2. Wat is uw belangrijkste eigenschap?
Mijn optimisme. Als therapeut train ik me om het positieve in mensen te zien. Dat helpt mij enorm om mijn medemensen te waarderen. Om te begrijpen dat hun gedrag vaak voortvloeit uit een context waar ze vaak niet voor gekozen hebben. We noemen iemand een verkrachter of een geweldpleger of een voyeur of een exhibitionist, maar die mensen zijn natuurlijk veel meer dan ­datgene wat ze verkeerd gedaan hebben. Van jongs af aan heb ik meegekregen dat je mensen nooit mag vastpinnen op een bepaald kenmerk. Onze identiteit bestaat uit zó veel facetten, en die moeten we proberen te zíén en te waarderen.”

 “Mijn job. Ik heb eerst geschiedenis en antropologie gestudeerd en daarna seksuologie in de richting geneeskunde. Het was heel fijn om opeens kennis te maken met exacte wetenschappen. Maar een nadeel was de toch wel beperkte, medische kijk op seksualiteit. Er wordt nog altijd te veel vanuit lichamelijke disfuncties gedacht, niet vanuit de mens als geheel. Dat vind ik wat beangstigend. Want seksualiteit heeft vooral te maken met hoe de mens in zijn omgeving staat.

“Er is nog altijd enorm veel onwetendheid en onbegrip over ­seksualiteit, en tegelijk ook heel veel schaamte om de stap te zetten naar een seksuoloog. Wat me telkens weer verwondert, is dat we als koppel over alles discussiëren: of we kinderen willen of niet, welk interieur we willen, welke auto we gaan kopen, wat we gaan eten, maar over seks praten we niet. Hoe wil je bemind ­worden? Wat verlang je in bed? Welke vorm van relatie wil je? Daar maken we geen afspraken over. We doen maar wat. Omdat we verliefd zijn of omdat het zo hoort.

“Door over seks te zwijgen, creëren we een taboe, met als gevolg dat we er veel te veel belang aan hechten en veel te hoge ­verwachtingen koesteren. We gaan ervan uit dat we heel ons leven lang met dezelfde persoon goede seks moeten hebben. Eerlijk gezegd, ik betwijfel of dat wel kan. Het lijkt me een utopie. En een bron van frustratie.

“Ik pleit dus voor wat meer relativering. Een relatie kan en moet niet perfect zijn. Als je focust op de goede aspecten ervan, ben je sneller geneigd om de mindere er ook bij te nemen. Wat we in de praktijk vaak zien, is dat wat in het begin aantrekt, na een tijd afstoot. Bij die paradox moeten we toch even stilstaan.

“Eigenlijk hebben we nog altijd een heel traditioneel idee van mannelijke en vrouwelijke seksualiteit. We blijven in stereotypen denken. Mannen moeten altijd zin hebben, moeten altijd klaar­komen, en vrouwen moeten wachten op het initiatief van de prins op het witte paard. Ik kan de #metoo-beweging alleen maar ­toejuichen, maar ze zet de tegenstellingen wel weer op scherp. Vrouwen komen van Venus en mannen van Mars, dat idee is ­precies weer helemaal terug. Dat frustreert mij. Dat die kijk niet verandert. Als we dat probleem niet bij de wortel aanpakken en jongeren geen degelijke seksuele opvoeding geven, zitten we hier over 20, 30 jaar opnieuw. Met #stillmetoo of zo. Waarom voeden we jongens en meisjes op een verschillende manier op? Op die manier trekken we ze wel uit elkaar, hè.

“Mijn papa had een enorme boekencollectie en op mijn 16de vond ik er Human Sexual Response, het standaardwerk van Masters en Johnson, dé pioniers van de seksuologie. Ik heb het in twee, drie nachten verslonden, super­interessant vond ik dat. Ik had wel al een keer gevreeën, maar had eigenlijk geen flauw idee wat seks allemaal kon inhouden. Dat boek lezen was zo verhelderend, ook al was het in de jaren 60 geschreven. Het leerde me enorm veel bij over opwinding, orgasmen, het lichaam van man en vrouw. Het is zo belangrijk dat jongeren die kennis aangereikt krijgen. Daar wil ik me dus graag voor inzetten, om seks meer bespreekbaar en toegankelijk te maken en mensen een ­realistischer kijk te bieden op relaties.”

4. Wat beschouwt u als uw grootste prestatie? 

‘Toen de kat stierf, was dat een heel emotioneel moment. We hebben gehuild en bij elkaar troost gezocht’

“Ooit zei een prof me dat je het niet in je hoofd moet halen om zelfstandig seksuoloog in hoofdberoep te ­worden. Dat was volgens hem financieel onhaalbaar. Toen wist ik: dát wil ik later doen. Ik vind het nog altijd de beste keuze die ik ooit heb gemaakt. En het is natuurlijk niet eenvoudig. Een seksuologisch consult wordt nog altijd niet terugbetaald en van mond-tot-mondreclame moet je het ook niet hebben. Maar ik doe wel wat ik wil doen en hoef enkel aan mezelf verantwoording af te leggen. Als ik daardoor wat minder verdien, dan is dat maar zo.”

5. Wat wilde u worden als kind? 

“Wielrenner. Ik maakte als kind mijn eigen Tour de France, met mijn vriendjes. We reden elke dag dezelfde ronde rond een paar voetbalvelden. Jammer genoeg had ik niet de benen om het te maken.” (lacht)

6. Wat was voor u een moment van opperste geluk? 

“1 september 1997, toen ik startte op een school met dertien jongens en honderd meisjes. (lacht) En de dag waarop ik met mijn deeltijdse job stopte en mijn ­praktijk als seksuoloog begon.”

7. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken? 

“Geluk loert om elke hoek, je moet het enkel willen zien. Wakker worden en je nog eens kunnen omdraaien, een onverwachte kus van mijn vriendin, mijn eerste koffie van de dag, mijn dagelijks fietstochtje van 300 meter naar mijn praktijk, alle gesprekken die mij als therapeut weer iets ­bijbrengen, dat gevoel wanneer je onder de lakens kruipt en je benen strekt…

“We zouden wat meer aandacht mogen hebben voor alle kleine dingen die we zo langzamerhand als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen.”

8. Wat is het decadentste wat u ooit hebt meegemaakt? 

“Mijn papa was een reisjournalist en soms hadden we de luxe om met hem mee te gaan. Zo herinner ik mij een vakantie naar de Dominicaanse Republiek toen ik 8 was. We logeerden in een all-in­hotel, waar werkelijk alles aanwezig was. Het leek wel een perfecte wereld. Tot we naar het strand gingen om een zandkasteel te bouwen en merkten dat 20 centimeter onder het zand een betonlaag zat. Alles was fake. Dan zie je opeens de leegheid rondom je. Die vorm van toerisme, die ­decadentie in die gated communities, is niks anders dan een nieuwe vorm van kolonialisme.”

9. Wat is uw zwakte? 

“Mijn relativeringsvermogen. Soms vind ik goed goed genoeg. Dan denk ik: ‘Allez gast, je zou toch meer kunnen bereiken’. Maar hóéf je altijd alles uit jezelf halen, dat is de vraag natuurlijk. Ik kan zo genieten van gewoon thuis zijn, een boek lezen, iets op het gemak doen.”

10. Waar hebt u spijt van? 

“Ik heb niet altijd iedereen blij gemaakt met mijn beslissingen. Hoe dan ook denk ik dat het belangrijk is dat we ­keuzes blijven maken, hoe moeilijk ze soms ook zijn. Het positieve zit in het zoeken naar je mogelijkheden en niet in het blijven tobben over de gevolgen van je keuzes.”

11. Wat is uw grootste angst? 

“Dat we de aardbol in een rotvaart aan het opgebruiken zijn. Het grootste risico voor de mens is gewoon de mens zelf. Einstein heeft dat ooit gezegd en ik ben het daar volledig mee eens.”

12. Wanneer hebt u voor het laatst gehuild? 

Wim Slabbinck:”Ik ben bang dat we de aardbol in een rotvaart aan het opgebruiken zijn. Het grootste risico voor de mens is gewoon de mens zelf.” ©© Stefaan Temmerman

“Bij de dood van mijn kat. We hebben geen ­kinderen en aan die kat waren we heel erg gehecht. Ik had ze ­dertien jaar geleden gekregen van een vriend die het moeilijk had. Op een dag stond hij voor mijn deur en zei hij: ‘Hier, zorg jij er maar voor’. In het begin was ze panisch. Ze heeft zich een jaar lang op onze zolder verborgen, tot ze plots naar beneden kwam en op onze schoot kwam zitten. Wonderlijk om die transformatie mee te maken.

“Toen ze stierf, was dat een heel emotioneel moment. We hebben gehuild en bij elkaar troost gezocht. Rouwen heeft tijd nodig.”

13. Wat kan u plots uit uw humeur halen? 

‘Ik heb weinig schaamte. Ik vind dat we ons niet hoeven te ­schamen voor het feit dat we een mens zijn’

“Apathie. Bekrompenheid. Dat idee van: zolang wij het hier maar goed hebben. Neem nu de situatie met die Sudanese vluchtelingen. Alsof ze ons hier alles gaan afnemen. Natuurlijk niet! Alsof we het als maatschappij niet aankunnen om die ­mensen te ontvangen. Polarisering ook. Hoe Jean-Marie Dedecker het verkleinwoord #metoo-tje gebruikt. Dat is toch pure provocatie! Wat wil je daar nu mee bereiken? Je drijft mensen nog verder uit elkaar.”

14. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan? 

“Toen een goede vriend een vriendin van mij bedroog, me vroeg te zwijgen, haar opnieuw bedroog en me opnieuw vroeg te zwijgen. Ik kan veel relativeren, maar als het op is, is het op. Toen ik haar op de hoogte bracht, ben ik ingestort. Mentaal. Echte agressie ken ik echter niet.”

15. Waar schaamt u zich soms voor?

“Ik heb weinig schaamte. Ik vind dat we ons niet hoeven te ­schamen voor het feit dat we een mens zijn.”

16. Welke kunstvorm beroert u het meest? 

“Het surrealisme. Dalí, Gaudí. Picasso. Omdat die hun eigen kijk hebben op de werkelijkheid. Ik denk dat ik als mens ook wel altijd op zoek ga naar mijn eigen interpretatie van de ­werkelijkheid.”

17. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad? 

“In het eerste middelbaar vroeg een leerkracht ­godsdienst ons of iemand het gevoel kende van plotse gelukzaligheid. Ik wist maar al te goed wat hij bedoelde. Het gevoel, zonder concrete aanleiding, van intense, zinderende vreugde dat je ­helemaal vervult. Hij vertelde ons dat dát het contact met God was. Sinds ik niet meer geloof, heb ik het des te meer.” (lacht)

18. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Op dat vlak kan ik zeker niet klagen. Leg me een dag in de zon en ik ben vijftig tinten bruiner. Maar net zoals iedereen heb ik ooit wel complexen gehad. De neus mocht wel iets minder geprononceerd, de benen wat langer. Maar niets waar ik me nu nog zorgen om maak.”

19. Wat vindt u erotisch? 

“Fantasie vind ik onderschat. In deze tijden van porno heb ik paradoxaal genoeg vaak cliënten die zich nét over hun fantasieën zorgen maken. Eigenlijk moeten we onze verbeelding koesteren: de ongebreidelde ­slagkracht ervan toont aan dat ze ons belangrijkste geslachtsorgaan is.

‘Eigenlijk hoeft seks niet zo veel te ­betekenen. Het heeft te veel gewicht, is te beladen’

“Ik merk dat heel veel mensen een haat-liefde­relatie hebben met hun fantasieën, dat ze er zich vaak schuldig over voelen. Zo heb ik een cliënt die vaak langskomt omdat hij fantaseert over seks met andere vrouwen. Maar dat is heel normaal. We weten immers uit onderzoek dat veel mensen fantaseren over anderen dan hun partner. En dat is oké. Fantasie is een heel goede manier om met je eigen seksualiteit om te gaan. In een relatie is het heel belangrijk om naast je gedeelde emoties je eigen ­fantasieën te hebben. Binnen de meeste koppels is praten over masturbatie nog altijd een taboe. Mannen masturberen achter hun laptop en gooien stiekem hun zakdoekjes weg, wat een schijnheilige, triestige boel. Maar ik ken ook wel koppels die elkaar erotische verhalen ­vertellen, en dat vind ik schoon.

“Al duizenden jaren geeft de mens erotiek vorm via zijn fantasie. En nu gaan we dat vervangen door pornografie. Daar is op zich niets verkeerds mee, maar je verbeelding is zoveel rijker, omdat je je eigen wereldje, je eigen personages kunt creëren. Het is zo bevrijdend en verruimend om in je eigen fantasie op te gaan. Het is zo’n krachtig medium om tot rust te komen. Noem het een vorm van mindfulness.”

20. Wat is uw goorste fantasie? 

Wim Slabbinck: “Ik wil niet eindigen in een wirwar van buisjes en slangen.” ©© Stefaan Temmerman

“Dat de mens op een dag beseft: eigenlijk hoeft seks niet zo veel te ­betekenen. Dat zou een enorme bevrijding zijn, niet alleen voor mij, maar ook voor de rest van de mensheid. Seks heeft te veel gewicht, is te beladen. Partners kunnen nu eenmaal andere behoeften of verwachtingen of biologische beperkingen hebben. De maatschappelijk aanvaarde oplossingen om die problemen aan te pakken zijn heel beperkt. Mochten we met seks wat natuurlijker omgaan, we zouden veel frustraties de wereld uit ­helpen. Het aantal diersoorten dat monogaam is, kun je op je één hand tellen. (lacht) Overspel hoeft mensen niet uit elkaar te ­drijven, zolang je er maar stevige afspraken over maakt. De band die we met elkaar hebben, is veel belangrijker.”

21. Welk dier zou u willen zijn? 

“Een bono­bo. We denken beiden vaker aan seks dan aan slaap of aan eten en delen 99,6 procent van ons DNA. We kunnen er veel van leren.”

22. Hoe is/was de relatie met uw ouders? 

“Die is altijd goed geweest. Mijn ouders zouden alles doen voor mij. Ik heb de luxe gehad mezelf te kunnen ­ontwikkelen binnen een veilige structuur. Over geld of eten heb ik me nooit ­zorgen hoeven te maken. Dat heeft me natuurlijk gevormd. Ik besef maar al te goed dat niet iedereen dat geluk heeft.

“Mijn ouders reisden veel en graag. Ze spendeerden hun geld liever aan reizen dan aan hun huis. Ook dat heb ik van hen ­meegekregen.”

23. Welke eigenschappen waardeert u in anderen? 

“Humor. Openheid. Relativering. Empathie. Authenticiteit.”

24. Hoe definieert u liefde? 

‘Als er eens een week geen seks is, dan is dat maar zo. Liefde betekent ook de ander mindere periodes gunnen. Dat vergeten we vaak’

“In essentie ­betekent liefde voor mij dat je je door de ander geaccepteerd voelt. In een relatie moeten geborgenheid en avontuur in evenwicht zijn. Heel veel koppels rijden zich vast in de veiligheid en gezelligheid van hun cottage­bestaan. Samen knus aan het haardvuur, dat is best tof, maar soms moeten de hormonen ook eens door je lijf razen. Spanning opzoeken kan enorm stimulerend zijn voor een relatie.

“Liefde houdt voor mij ook een toekomstvisie in, een gemeen­schap­pelijk doel. Daarom vallen veel mensen na hun pensionering in een zwart gat; er is geen doel meer, professioneel noch privé.”

25. Hoe wilt u bemind worden? 

“Een gevoel van verbondenheid vind ik heel belangrijk. Ik heb dat nodig om er dagelijks energie uit te putten. Binnen die verbondenheid kun je elkaar veel vrijheid geven. En als er eens een week geen seks is, dan is dat maar zo. Liefde betekent ook de ander mindere periodes gunnen. Dat vergeten we vaak.”

26. Hoe zou u willen sterven? 

“Het liefst van al wil ik sterven op een moment dat ik nog bij zinnen ben. Stop me niet in een woon-zorgcentrum. Zo deprimerend. Als ik voel dat het op is, wil ik de keuze hebben om zelf uit het leven te stappen. Ik wil niet eindigen in een wirwar van buisjes en slangen.”

27. Welk maatschappelijk probleem raakt u? 

“De bekrompenheid waarmee we omgaan met de vluchtelingenproblematiek. Hoe wij met al onze materiële rijkdom erin slagen zo hoog te scoren in de zelfmoordstatistieken. Hoe haatdragend we kunnen zijn tegenover mensen met een andere huidskleur of een andere seksuele oriëntatie. Hoe onverdraagzaam en bits we kunnen zijn.

“Je merkt dat ook aan de klaagcultuur op sociale media. Tien jaar geleden was Facebook een echte bevrijding: iedereen kreeg plots een stem. Als je ziet tot wat dat nu verworden is! Ik moet soms echt walgen van wat ik lees. Neem nu de hele #metoo-hetze. Eigenlijk is het absurd dat we zulke moeilijke discussies voeren op een medium waar je geen non-verbale communicatie hebt. Je hebt geen context. We kúnnen elkaar daar gewoon niet begrijpen. Je ziet alleen maar een korte weergave van een gedachte, die op zo veel manieren geïnterpreteerd kan worden. Zo kwetsen we elkaar alleen maar meer. Al die mensen die elkaar zitten te bekritiseren, zouden ze niet beter hun tijd in iets nuttigs investeren, denk ik soms. Om iets op te bouwen.”

28. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens? 

 “Eigenlijk niet, ook al kom ik uit een heel wit dorp, Sint-Kruis, een deelgemeente van Brugge. Mijn broer had een Indiase jeugdvriend, die vaak bij ons thuis kwam. Ik heb me daar nooit vragen bij gesteld. Wat we wel deden op school, was het rosse kindje pesten. Dat is ook een vorm van discriminatie. Als ik iemand mijn excuses wil aanbieden, dan is het wel hem. Daar heb ik echt spijt van.”

29. Wat betekent geld voor u? 

“Met geld­zaken ben ik niet bezig. Ik huur een appartement en een praktijk. Aan eigendom hecht ik weinig belang.”

30. Hoe werkt u mee aan een betere wereld? 

“Mijn woon-werkverkeer is korter dan mijn woon-bakkerverkeer. Daarnaast probeer ik stil te staan bij de kleine dingen in het leven.”