Zelf compassie

Als je geen compassie toont met jezelf, raak je zo opgebrand

Marco Visser

Wie strenger is voor zichzelf dan voor collega’s, holt een doodlopende weg in. Hoog tijd voor een oefening in zelfcompassie.

Een lezer voelde zich afgelopen week niet zo lekker. Verkouden, beetje duizelig. Het liefste wilde ze een paar dagen thuis blijven, maar daar kon volgens haarzelf geen sprake van zijn. Terwijl ze wel tegen haar collega’s zegt dat ze naar huis moeten als ze met hoofdpijn op het werk verschijnen.

Hetzelfde patroon ziet ze als collega’s zichzelf over de kop rennen. Doe eens rustig aan, zegt ze dan. Maar als ze zelf behoefte heeft aan rust, gaat er nog een tandje bij. Dat klinkt sociaal en empathisch, maar ergens voelt de lezer uit de zorgsector dat zij met deze houding een doodlopende weg in rent. Is er een uitweg?

Wel volgens psychiater Remke van Staveren. Zij is de initiatiefnemer van Hart voor de GGZ, een beweging die werken met compassie en zelfcompassie in de zorg wil bevorderen. De uitweg voor de lezer ligt in zelfcompassie, een begrip dat uit het boeddhisme komt. “De boeddhistische leer zegt dat je geen compassie kunt beoefenen zonder zelfcompassie”, zegt Van Staveren. “Dat is de kernboodschap aan de zorgverlener die de vraag stelde. Want zonder zelfcompassie is het moeilijk compassie te hebben met de patiënten.”

Even lukt dat nog wel, maar op langere termijn raakt iemand opgebrand. “Dat zie je massaal gebeuren in de zorg. Je moet echt eerst om jezelf denken. Zelfcompassie zou een grondhouding moeten zijn. Daar rust een groot deel van je mentale welzijn op”, zegt Van Staveren. En wie goed in zijn vel zit, heeft de energie om compassie met de ander te tonen.

Opvoeding

Zo logisch als het klinkt, zo lastig is het om begripvol en vergevingsgezind te zijn voor jezelf. Hoe komt dat? Volgens Van Staveren hangt dat deels samen met opvoeding. “Denk eerst om de ander, hoor je vaak. Maar je zou eerst aan jezelf moeten denken en dan aan de ander.”

Wie wil weten of hij of zij te weinig zelfcompassie heeft, moet luisteren naar de innerlijke stem. Die stem klinkt bij veel mensen geregeld als een strenge criticus. “Als mensen niet tevreden zijn over wat ze hebben gedaan, spreken zij zichzelf bestraffend toe. Maar stel je eens de volgende vraag: wat als je beste vriend dezelfde fout had gemaakt, zou je dan ook zo reageren? Als je begripvoller zou zijn, waarom kun je dat dan niet voor jezelf opbrengen? Het is een goede oefening in zelfcompassie, jezelf afvragen of je tegenover een vriend milder bent dan tegenover jezelf.”

Advertisements

12 Rules for Life

WTF? Where do these fruitcakes come from?

Om de Canadees Jordan B. Peterson (1962) te hebben zien aankomen, had je heel goed moeten opletten. Hij gaf als klinisch psycholoog les, eerst op Harvard en daarna aan de Universiteit van Toronto, en publiceerde negentien jaar geleden zijn enige andere boek, het weinig opgemerkte Maps and Meaning. Daarna raakte hij actief op webfora en begon video’s op YouTube te zetten. In die video’s had hij het over alles – over de klassieke mythen, negentiende-eeuwse westerse filosofen, kunst, literatuur, Disney-films, maar vooral over de invloeden van en in de bijbel. Vanuit de bijbel waaierde hij uit naar andere thema’s: betekenis zoeken, opoffering, zelfrespect.

Op een ik-draai-er-niet-omheen-knul-toon sprak hij een steeds groter wordende groep kijkers toe over het leven. En het leven is hard, het is lijden, we moeten niet denken dat iedereen aardig, tolerant, meegaand, conflict vermijdend mag zijn. Trap niet in de progressieve ideologieën dat we alles met elkaar kunnen delen. De wereld bestaat uit een verzameling competitieve hiërarchische systemen, en je moet je rug rechten en je mouwen oprollen om status, geld en liefde te verwerven.

In 12 Rules for Life borduurt hij hierop verder. Het leven is verdeeld in twee mogelijkheden, zegt hij. In orde en in chaos. Orde is verkend terrein: ‘Dat is de honderden miljoenen jaren oude hiërarchie van plaats, status en autoriteit. (…) Orde is stam, religie, haard, huis en land. Het is de warme geborgen huiskamer waar de haard brandt en de kinderen spelen. Het is de vlag van de natie. Het is de waarde van de valuta. Orde is de vloer onder je voeten en je plannen voor de dag. Het is de grootsheid van traditie, de rijen schoolbanken in het klaslokaal, de treinen die op tijd rijden, de kalender en de klok.’ En, zegt hij herhaaldelijk, orde is mannelijk.

Chaos daarentegen is vrouwelijk, irrationeel, onvoorspelbaar: ‘Chaos is wat zich, eeuwig en ongelimiteerd, uitstrekt voorbij de grenzen van alle staten, alle ideeën en alle disciplines. Het is de buitenlander, de vreemdeling, het lid van een andere bende, het geruis in de struiken ’s nachts, het monster onder het bed, de ingehouden woede van je moeder, en de ziekte van je kind. Chaos is de vertwijfeling en de ontzetting die je voelt als je schandelijk verraden bent. Het is de plaats waar je terechtkomt als je wereld instort; als je dromen verdampen, je carrière een knauw krijgt of je huwelijk op de klippen loopt. Het is de onderwereld van sprookjes en mythen, waar de draak en het goud dat hij eeuwig bewaakt naast elkaar bestaan.’

Die chaos neemt toe, door ons eigen toedoen, schrijft Peterson. Sinds het moment dat Nietzsche God dood verklaarde zijn we ons morele kompas verloren, het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk verdwijnt de laatste veertig jaar zienderogen, waarheden die millennia onze normen bepaalden worden weggerelativeerd. De millennials die zich nu inschrijven bij geesteswetenschappen om de beste boeken ooit geschreven te mogen lezen, krijgen niets van de morele waarden van die boeken mee; in plaats daarvan krijgen ze ideologische identitaire aanvallen op de teksten. Peterson beschrijft dat hij op een congres een hoogleraar een groep studenten hoort vertellen dat hij en zijn vrouw – gezien de staat van de planeet – bewust maar één kind hebben genomen, en dat zij moeten overwegen hetzelfde te doen, als ze zichzelf als ethische wezens beschouwen. Peterson vindt het exemplarisch voor de ‘anti-humane’ intellectuele elite: die wil dat je je schaamt dat je bestaat, en dan vooral als je een man bent. >

Daarmee is meteen duidelijk wat de doelgroep van Peterson is: jonge mannen die op school en op het werk voorbij worden gestreefd door vrouwen en door minderheden. Ze voelen zich vernederd, overbodig, ze worstelen met fluïditeit en relativisme, missen een autoriteit, leidende (vader)figuren, en zoeken naar iets dat betekenis geeft.

En dus heeft Peterson twaalf regels opgesteld. Hij begint met de kreeft. Als een kreeft een gevecht met een andere kreeft heeft verloren, en bijvoorbeeld een voelspriet is kwijtgeraakt, dan verandert zijn fysionomie. Hij wordt banger, kleiner, zijn hersenen krimpen zelfs. Zo komt hij bij zijn eerste regel: wat er ook gebeurt, als je niet wilt dat je hersens krimpen: loop rechtop, schouders naar achteren.

Sara is aan het sterven, maar niemand wil haar helpen

Ze is 30 jaar, maar weegt nog geen 30 kilo. Zeer bewust is ze zich van het diepe zwarte gat waarin ze al drie jaar zit, de hel die anorexia heet. Sara* wil ontsnappen, maar er is geen hand die haar uit het moeras trekt. Dit is Sara’s noodkreet.

Yoni Pasman 
Sara is 30 jaar, maar 30 kilo weegt ze niet meer ©FOTOPERSBUREAU HISSINK

Al sinds ik Sara volg, vraagt ze wanhopig om hulp. In een jaar tijd schreef ze zeker tien klinieken aan, waarvan zeven in de laatste vier weken. Slechts één kliniek nam haar aan, Amarum in Zutphen. Maar daar ging ze anderhalve maand geleden weg, na een verblijf van vijf maanden. Ze boekte geen progressie omdat de aanpak van de kliniek niet bij haar paste.

De enige reden waarom Sara in Zutphen wél werd aangenomen, is omdat ze vergaten naar haar BMI te kijken – de waarde waarmee je objectief kunt kijken of iemand op een gezond gewicht is. Onder de 18,5 wordt het zorgelijk. Onder de 14 ben je psychisch niet stabiel. Sara heeft een BMI van 12. Dus wordt ze nergens toegelaten. Ze moet eerst aankomen.

Bij een zo lage BMI als die van Sara, moet iemand naar het ziekenhuis. Aan de sondevoeding, zo snel mogelijk kilo’s erbij krijgen. Met alle gevaren van dien. Want een lichaam dat zo lang is uitgehongerd, kan niet zomaar zwaarder worden. ‘Refeeding syndroom’ heet dat, en het is levensgevaarlijk. Bovendien verdwijnt de eetstoornis daarmee niet.

Sara deed het drie keer eerder, de laatste keer toen ze in Zutphen werd behandeld. Dat ging met veel weerstand – de ziekte is sterk bij haar. In gewicht aankomen zónder daar zelf voor gekozen te hebben, werkt vaak averechts. Na elke sondevoeding is de terugval des te groter.

Manipulatief

Kilo’s zijn Sara’s grootste vijand – althans, van haar ziekte dan. Ze heeft twee uitingsvormen: een gezond deel en een eetgestoord deel. Dat laatste is leugenachtig en manipulatief. Het is een stem in haar hoofd die haar dingen influistert. Niet alleen hoe ze tegen anderen moet doen, ook hoe ze over zichzelf moet denken en hoe ze zichzelf moet afstraffen.

Soms is haar gezonde deel sterker dan haar stoornis, en komt ze een beetje aan.

Soms is haar gezonde deel sterker dan haar stoornis, en komt ze een beetje aan. Pondje na pondje. Dan maken we de gekste plannen. Een paar dagen Parijs, een speeddatesessie… We verkneukelen ons als we fantaseren over onze toekomst, lachen met tranen in onze ogen. Maar dan neemt de ziekte het toch weer over. Want er hoeft maar een kleine tegenslag te zijn, of ze kijkt met minachting naar zichzelf. Dan moet elke gram worden afgestraft. Dat doet ze niet alleen door te weinig te eten. Ze heeft bewegingsdwang. De anorexia vertelt haar dat ze móet bewegen om af te vallen. Als dat gebeurt, zie ik niet meer Sara, maar die leugenachtige ziekte. Die kan ze niet zomaar uitzetten. Net zomin als je een nies kunt inhouden.

Ja, het begint vaak eerst met een onschuldig dieet. Maar na een tijdje wordt het een dwangneurose, zoals een verslaving of ernstige smetvrees. ‘Gewoon eten’ is er dan niet meer bij. Ze kan niet meer eten omdat ze met zichzelf in de knoop zit. Omdat ze onverwerkte jeugdtrauma’s heeft. Ze is bang om weer te voelen, want de eetstoornis schakelt bijna alle emoties uit. Ze gaat pas weer eten als er iets aan haar angst is gedaan. Eerst moet ze psychisch herstellen, daarná kan ze pas lichamelijk herstellen. Maar ze heeft hulp nodig.

Losgelaten

Nu zit ze thuis, alleen. Heeft ze wekelijks een gesprek met haar psycholoog van Amarum, de Zutphense kliniek. Meer hulp krijgt ze niet.

Sara – 30 jaar en amper 30 kilo – wil niet meer leven met haar ziekte, anorexia nervosa. Haar vriendin Yoni (rechts) begrijpt haar, maar wil haar niet verliezen. ©FOTOPERSBUREAU HISSINK

Ik ging laatst met haar mee naar zo’n gesprek, luisterde en stelde kritische vragen. Echte antwoorden kregen we niet. De psycholoog bevestigde het probleem, net als alle klinieken die ik belde voor dit verhaal. Eetstoornispatiënten bij wie een standaardbehandeling niet aanslaat en sondevoeding geen optie meer is, vallen tussen wal en schip. Ze worden losgelaten, terwijl juist zij het hoogste risico lopen.

Sara weet ongeveer wat ze nodig heeft. Werd er maar meer naar haar geluisterd. Gingen ze er maar niet blind vanuit dat ze psychisch niet helder is – want dat is ze best. Hielden ze maar minder vast aan normen en namen ze haar maar op. Want ze wil echt beter worden.

Inmiddels heeft Sara geen energie meer om het te proberen. Ze belt en belt, naar allerlei klinieken, zelfs in het buitenland. Alle hebben wachtlijsten van minstens tien weken. Ze beloven nog dezelfde week terug te bellen, maar doen dat niet. En als ze er dan achteraan belt, blijkt er soms niks gebeurd. En uiteindelijk is het antwoord altijd nee. Nee, je kunt niet bij ons komen. Want je moet eerst aankomen. Radeloos wordt ze ervan.

Hart

Ondertussen slaat mijn hart over bij elk telefoontje met haar naam in het scherm. Altijd ben ik bang haar moeder aan de lijn te krijgen, met het slechte nieuws. Elke dag gaat het door mijn hoofd, als ze een paar uur niet reageert op appjes. Dan zie ik haar ineens liggen, in een kist, dat kleine mensje. En zit ik te hikken van verdriet.

Soms is het zo donker dat ze liever opgeeft. ,,Dit is geen leven”, zegt ze dan. Lachen doen we de laatste tijd maar weinig. Plannen maken al helemaal niet meer. ,,Uitzichtloos”, noemde ze haar situatie vorige week.

Via de huisarts heeft ze inmiddels een gesprek geregeld met De Levenseindekliniek. Natuurlijk wil ze léven. Ze wil alleen dit leven niet meer – met die anorexia. En hoewel ik niet zonder haar wil, begrijp ik haar. Want dit ís geen leven.

Klok

Hoe wreed. Want die intelligente vrouw, de grappenmaker, het attentste, liefste en mooiste mens dat ik ken, heeft nog zoveel te bieden. Voordat ze ziek werd, stond ze voor iedereen klaar. En zelfs nu, terwijl ze zo zwak is, doet ze nog vrijwilligerswerk. Voor de schouwburg, en tot voor kort ook voor VluchtelingenWerk. Ze oordeelt niet, over niemand, behalve zichzelf.

Dat mooie mens mogen we niet verliezen. Er moet iets gebeuren – en snel. Want de klok tikt. Onverbiddelijk.

* De naam Sara is gefingeerd. Ze wil niet met haar echte naam in de krant. Na haar herstel – want daar blijft ze op hopen – wil ze iets met haar ervaringen doen. Mocht dat niet lukken, dan wil ze niet haar leven lang achtervolgd worden door haar verleden. Toch wil ze de ziekte een gezicht geven. Dus kiest ze ervoor wél met foto, maar niét met naam in de krant te gaan.

De Dichter des Vaderlands over de verkiezingen

Staat

Verlos ons van de hooligans, het brullen in de straten. Van treinen die niet rijden en van de themaweek. Van volledig automatisch doorgeladen haten,de liegende politicus. De koffie en de cake.

Verlos ons van vergunningen en van ons welvaartsvet. Pyjamadag. Bejaardenflat. Van het burgerbijstandsteam en vaste inlooptijden. Van hoofddoekvrees, van religieus besnijden. Van lange rijen op Schiphol,

de aanklampmails van goede doelen. Van posterhoofden, viltstifttrekkers, peervormigheid en sta-op-stoelen. Van aftapping en pseudovraag. Van mensen die mijn land zeggen en hun buurt bedoelen.

Van dertig soorten pindakaas en zestig soorten brood. Van sushibar,vuurwerkshow en dansen na de dood. Verlos ons van de bontkraagen van de kansenwijken. Van kaas met plastic randen

en van speelgoed voor de rijken. Van voorlichting met aardbeismaak. Digitaliseren. Van witgewassen auto’s die je nergens kunt parkeren. Van optimisme, beeldschermliefde, hypnotherapie.

Van de Hitler-vergelijking en de rok over de knie. Van Facebookrel, begrotingsfout, van dreigen met de hel. Van de weekheid der nuance en de domheid van het geld.

Van vegasnack en suikertaks. Van metrolijn en brekend steen. Van ingevlogen superfruit. Van hoogbegaafdheid in groep 1. Van kleuren voor volwassenen en kinderen die roken.

Van mantelzorg en schuldgevoel. Van balancerend koken. Van cowboys, indianen, van speelgoedactivisme en studerende vandalen.Van steeds gekwetste zielen. Van stropdaspolemiek.

Van alle holle vragen op de labels aan de thee. Van twitterpolitiek en ijsbeertjes op zee. Van vragenuur. Van kast, van muur, van doeners die niets blijvends meer bedenken.

Van denkers die wel weten maar niet doen. Van alle rare woordenen hun nutteloze schrijvers. Van standbeeldangst en valse roem. Verlos ons van de goddelozen en de predikanten.

Van thuiscompost en CO2. Van lekker tegen-alles, lekker voor-me-eigen. Van kankerroepers, tegelfluimers. Sissers, graaiers, hijgers. Verlos ons van parkeerbeleid, de taart met genderkleur,

de wachtmuziek, het supermarkthumeur. Van fietsendief, van festivals en van reclameborden. Van dichte mist. Van verre pijn. Middenweg en polderleed. Quinoasnorren. Sportschoolzweet.

Van jezelf te moeten zijn. Verlos ons van de hypotheek. Verlos ons van de huur. Van jonge boerendochters, comazuipend in een schuur. Verlos ons van de meerderheid.

De eenzaamheid. Het zaad. De varkenskop, de knuffelploeg, de knieval voor de haat. Verlos ons van de meningen en van het stemlokaal.Van privacy. Van ironie. Verlos ons allemaal.

Ester Naomi Perquin.

Schrijver L.H. Wiener schreef F. Starik een mail, maar kreeg nooit antwoord – Starik was namelijk al overleden

Afgelopen vrijdag overleed dichter F. Starik. Daags tevoren hadden hij en schrijver L.H. Wiener afgesproken in café De Engelse Reet.
L.H. Wiener
Café De Engelse Reet in Amsterdam ©Hollandse Hoogte / Paul van Riel

Beste Frank,

Wist jij dat café De Engelse Reet in de Begijnensteeg te Amsterdam op zondag gesloten is? Ik niet, anders was ik er op zondag 18 maart uit Haarlem niet naartoe gegaan, want ik houd niet van nutteloze acties. Maar ik stond dus wel mooi voor een neergelaten rolluik en een dichte deur. Ik had er als saluut aan ons verkennende, daarna openhartige en uiteindelijk zo innemende gesprek nogmaals het glas willen heffen. Aan hetzelfde tafeltje bij het raam, maar nu alleen en ten afscheid. Het adjectief innemend mag hier wel in dubbele betekenis worden opgevat, want we dronken beiden dubbele consumpties. Jij een chique Van Wees-jenever naast een vaasje bier en ik een borrel cola met ijs.

Ik ben toen maar naar café Scharrebier op de hoek van de Foelie Dwarsstraat en het Rapenburgerplein uitgeweken, om daar onze ontmoeting te bestendigen.

Wij raakten voor de eerste keer in gesprek in de Westergasfabriek, weet je nog, tijdens die literaire manifestatie met de speelse naam Manuscripta, waarbij je me uitgelaten en hartelijk begroette, terwijl je dacht dat ik een ander was. Die snaak deugt, dacht ik toen meteen, want zelf denk ik ook vaak dat ik een ander ben.

En kort geleden troffen we elkaar in Paradiso, tijdens de beurs voor kleine uitgevers, waar je me op nuchtere toon vertelde dat je een hartaanval had gehad en niet meer dronk. Waar een hartaanval al niet goed voor is.

De dood liet ons toen niet meer los, waarbij je plotseling met een wel heel curieuze mededeling kwam: de exacte datum van je eigen dood

Het was toen dat we afspraken elkaar nu eens echt te ontmoeten, in café de Engelse Reet, waar je Menno Wigman regelmatig trof, meestal op donderdag. De dichters van De eenzame uitvaart en De poule des doods. Een laatste groet aan de in eenzaamheid gestorven medemens, verzameld in Een steek diep, schetsen van verloren levens. Eerzaam werk, diepe buiging.

Voor iemand die niet meer dronk zette je een behoorlijk tempo in, het werkwoord demarreren drong zich op. Nu spuug ik er zelf ook niet in en na een half uur taxeerde ik het gelag op rond de 50 euro. Ons gesprek kwam al gauw op Menno en zijn kwaliteit als dichter. Jij wist dat hij postuum de Ida Gerhardt-prijs zou krijgen, tja. Ik vertelde je dat ik de dag na zijn begrafenis alleen naar Zorgvlied ben gegaan om hem de laatste eer te bewijzen. En hoe onwezenlijk ik het vond dat hij daar onder al die bloemen in de grond moest liggen. De dood liet ons toen niet meer los, waarbij je plotseling met een wel heel curieuze mededeling kwam: de exacte datum van je eigen dood. Die lag vast en was bepaald op 13 december 2019, door wie ben ik vergeten. Bij het afscheid sloeg je een arm om me heen, een soort halve knuffel. Toen riep je luid de ober aan: ’70 procent voor mij, 30 procent voor deze meneer!’

Je antwoordde niet, omdat je toen al dood was

Op vrijdag 16 maart 2018 om 16.24 uur schreef ik je de volgende e-mail:

Ik kijk op gisteren terug met een goed gevoel. Als je er geen bezwaar tegen hebt reken ik je vanaf nu tot een bevriende mogendheid. Ruzie krijgen kan altijd nog wel, maar voorlopig zie ik geen mogelijkheden. Dat ik me tijdens het wederzijds signeren met mijn eigen pen diep in mijn vinger prikte moet freudiaans bepaald zijn. Maar de onderbewuste drijfveer ontgaat me vooralsnog. Of het zou moeten zijn dat ik liever inkt in mijn aderen heb dan bloed. Ja, dat is het. Na je vertrek ben ik nog ‘even’ blijven zitten om de rekening alsnog in evenwicht te brengen. En vanmorgen bleek dat ik nergens open lag en dus veilig ben thuisgekomen. Blijf gezond, dat is gewoon het beste.

Je antwoordde niet, omdat je toen al dood was.

Onze vriendschap was de kortste uit mijn leven.

Ik groet je, F. Starik.

Een echte dichter is zijn tijd vooruit.

L.H. Wiener

F. Starik: het laatste interview met de dichter voor eenzame doden

Eind vorige maand sprak Trouw-journaliste Sybilla Claus uitgebreid met dichter en schrijver F. Starik, voor een verhaal over zijn stichting Eenzame Uitvaart. De reportage, hieronder gepubliceerd, bleek de laatste te zijn over het werk van Starik: vrijdag overleed hij onverwacht op 59-jarige leeftijd.
Sybilla Claus 
F. Starik (met bril) op 27 februari op begraafplaats Sint Barbara bij de uitvaart van de Ier Alan Brian Ray. Dichteres Anneke Brassinga heeft zojuist haar gedicht voorgedragen en gooit aarde op de kist. ©Werry Crone

Slechts een paar hardlopers trotseren de kou in het Amsterdamse Westerpark. Waar verscholen in het park begraafplaats Sint Barbara ligt, luiden de klokken. In de kapel omringen zes grote kaarsen in staande kandelaars de kist van Alan Brian Ray (75). De Ier leefde in Amsterdam-Oost in een veertig jaar niet schoongemaakte woning. Hij had alle ramen dichtgetimmerd en het plaatsje achter vakkundig met rotzooi gevuld.

Er zijn genoeg steden in Nederland waar een dode zonder na­be­staan­den direct van de koelcel naar het graf gaat

Het consulaat kon geen familie vinden, de gemeente betaalt zijn uitvaart. De kist is de goedkoopste, spaanplaat met papierfolie in eikenprint, maar oogt mooi, met een rood-oranje gemeentelijk bloemstuk erop en een wit lint zonder tekst. Op de eerste rij links zitten de dragers, op de rij rechts twee dichters. Op rij vier zit de uitvaartbegeleidster. Dat is het.

Meneer Ray – vereenzaamde Amsterdammers zijn vaker van het mannelijk geslacht – is voor stichting Eenzame Uitvaart al de 226ste dode. Dat klinkt oneerbiediger dan het is. Er zijn genoeg steden in Nederland waar een dode zonder nabestaanden direct van de koelcel naar het graf gaat. Dankzij een groep bevlogen dichters gaat dat er in de hoofdstad heel wat warmer aan toe.

Dichter van dienst is vandaag Anneke Brassinga van de Poule des Doods, zoals zij zichzelf noemen. Die zorgt er alweer zestien jaar voor dat niemand in Amsterdam alleen van de wereld afscheid moet nemen.

‘Is hij bang
sinds die ene is weggegaan of nooit gekomen,
vreest hij de wereld die hem dwars door de ruit heen
kan raken? Kwam je nog buiten, Alan – ‘s nachts
misschien bij nieuwe maan in de donkerste uren
van vrede voor hen wie alles te veel is?’

draagt zij voor. Daarna legt Brassinga het gedicht gevouwen op de kist, en buigt kort. Na het laatste muziekstuk brengen de dragers Ray naar buiten. Van een volgstoet is geen sprake. Alleen de twee donker geklede dichters lopen achter hen aan.

Bijbaan

De man die in 2002 de Poule des Doods en de Amsterdamse versie van Eenzame Uitvaart oprichtte opent later zijn huisdeur in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt in een strak zwart pak. De kraag van zijn witte overhemd wijkt uiteen in grote punten.

F. Starik is een van de zeldzame Nederlanders die meerdere begrafenispakken in de kast heeft hangen. Uitvaarten zijn voor hem een bijbaan geworden. Sinds zijn bemoeienis met de Eenzame Uitvaart is de dood nog vaker in de gedachten van Starik. Hij coördineert alles, schrijft standaard na afloop een verslag – inclusief het gedicht – voor de website en voor de nieuwsbrief.

Neem zijn muziekcollectie. In de loop der jaren heeft Starik aardig wat cd’s verzameld. “Ik werd zo moe van altijd dezelfde nummers van Bach. Dus heb ik ook de muziek naar me toegetrokken.” In plaats van ‘drie keer licht klassiek’ – standaardbegrip in de uitvaartwereld – verzint Starik voor iedereen wat anders. Bij meneer Ray begint de muziek met een Ierse nocturne. Na het gedicht volgt Neil Young met een kinderkoor dat onverwacht vrolijk ‘We know the way, to get you back home’ zingt. Het slotstuk is een ‘Irish Blessing’.

De muziek mag ook niet te gek klinken. Want altijd is er een kans dat er op het laatste moment toch een bekende komt opdagen.

In het dagelijks leven staat er altijd een extra oortje open: kan Starik daar wat mee? Voor de 80-jarige gay meneer die eind februari als eerste aan de beurt was, had Starik eigenlijk een gay dichter op het oog. Voor hem werd het muziek van Jimmy Scott. “Een man die zo hoog zong als een vrouw.” Voor de 66-jarige Duitser die na hem kwam koos hij operaliedjes zoals ‘Immer Leise’. “Ik hoop dat hij het kon verstaan.”

Lees verder onder de foto

F. Starik ©Patrick Post

Maar als die Duitser nou een oude rocker was, vol tattoos? Dat was hij niet, weet Starik. “Ik hoor telefonisch de ambtenaar uit die de woning van de overledene bezoekt. De kamer van deze man bevatte niet veel persoonlijke zaken.” De muziek mag ook niet te gek klinken. Want altijd is er een kans dat er op het laatste moment toch een bekende komt opdagen.

Baby

Onuitwisbaar vindt de dichter het beeld van een eenzame uitvaart van een baby. Dat kleine kistje dat een uitvaartondernemer op haar handen voor zich uit draagt. Het komt te vaak voor, neem de nooit opgeloste dood van de baby van de Sloterplas in de zomer van 2016. “De politie denkt dan al snel aan de mensenhandel of gedwongen prostitutie.”

Iedereen houdt van baby’s. Maar de groep dichters van Eenzame Uitvaart beheerst de kunst om zelfs bij een rotzak een lichtstraal te ontdekken. Starik vindt het ‘ontroerend’ hoe iemand die zijn hele familie van zich weet te vervreemden, zijn eigen waarheid creëert: “Mijn favoriet is de man die zichzelf een heldhaftig verleden had toebedacht. In de oorlog hadden de Duitsers in zijn hand geschoten, had hij altijd verteld, waardoor zijn middelvinger permanent recht omhoog stond. Zegt zijn zus telefonisch tegen mij: ‘Oh dat was gewoon een ongelukje met een zaag.’”

De groep dichters van Eenzame Uitvaart beheerst de kunst om zelfs bij een rotzak een lichtstraal te ontdekken

Starik voelde zich niet belogen. “Zo’n detail maakt me juist gelukkig. Iedereen heeft recht op zijn eigen verhaal. Dat is toch mooier dan zeggen dat je een mislukkeling bent.” Het is een vorm van je trots behouden in deze veeleisende tijden. En daarom is deze man die onmogelijk in de omgang was, en bij leven verschrikkelijk alleen, de dichter dierbaar. Hij vindt trouwens altijd wel een haakje om iemand te mogen. De deelnemende dichters hebben allemaal een bovengemiddelde fascinatie voor de dood en datzelfde zwak voor buitenbeentjes – in overheidsjargon: zorgmijders – dat Starik kenmerkt.

Tien dagen dood thuis

Neem de drugsverslaafde die begin februari werd gevonden in de Ten Katestraat. Een dwangmatig verzamelaar, Braziliaan van oorsprong. Nog geen vijftig, tien dagen alleen dood thuis gelegen dus niet meer toonbaar. Overlastgever, vervuilde woning, wellicht een onbedoelde overdosis, aldus het rapport van de gemeente. Wegwezen, denkt de doorsnee passant dan. Het wonder van de Eenzame Uitvaart is dat dichter Thomas Möhlmann er bij zijn afscheid een heel andere draai aan weet te geven: hij maakt in zijn gedicht weer een kind van hem. ‘Het kind van alle mensen dat vergeefs probeerde zichzelf bijeen te vinden en bewaarde wat het verloor.’

Lees verder onder de foto

F. Starik (rechts) kijkt toe hoe de kist van Alan Brian Ray op de draagbaar wordt getild. ©Werry Crone

“Ik zoek altijd een match tussen dode en dichter”, zegt Starik thuis. Eva Gerlach groeide op in Suriname en schreef een jaar geleden het gedicht Bruya (‘Verwarring’ in het Sranantongo) voor een Surinaamse man.

Van mijn generatie was Wigman altijd met afstand de beste dichter. Zijn dood heeft me erg aan­ge­gre­pen.

F. Starik

De in februari overleden Menno Wigman was stadsdichter en bevriend met Starik. Wigman was een van de eersten die zich bij de Poule des Doods aansloot. In 2016 schreef hij een gedicht voor een Italiaan die in een lege woning in Amsterdam-Noord woonde.

‘Ik heb vanochtend voor je huis gestaan.
We deelden jarenlang dezelfde buurt.
Dezelfde wolken prijkten voor je raam.
We namen geld op uit dezelfde muur
en leefden even scheef als mensenschuw.’

Dichten, drinken en roken horen voor sommigen onafscheidelijk bij elkaar. Na een hartinfarct dat hem vorig jaar vier maanden lam legde heeft Starik de drank afgezworen. Zo sterk was Wigman niet, hij vond een leven zonder maar niks.

En zodoende moest Starik vorige maand spreken voor zijn goede vriend, die al op zijn 51ste overleed aan een geheimzinnige hartkwaal. “Van mijn generatie was Wigman altijd met afstand de beste dichter. Zijn dood heeft me erg aangegrepen.” Starik wil Wigmans naam op de website van Eenzame Uitvaart nog niet van een kruisje voorzien. Dat zou het afscheid onomkeerbaar maken.

Voor het leven

Ook dichters Wim Brands, Rogi Wieg, Adriaan Jaeggi en Simon Vinkenoog hebben de groep al verlaten. Zelfdoding, kanker, ouderdom. Sommigen haken bij leven af uit de Poule des Doods. Neeltje Maria Min had al zoveel uitvaarten van zichzelf dat ze het niet meer trok. Voor anderen als Anneke Brassinga is het een levenslange toezegging. Drie dagen kan ze met zo’n dode bezig zijn, maar na de uitvaart is het klaar. Voor Starik is het evenmin een project. “Dit ga je aan voor het leven.”

Toch wenst zelfs hij soms de dood weg. Dat kan niet. Dan is hij maar tevreden als ‘het loopt’. Dat wil zeggen als de juiste muziek wordt gedraaid, de goede voordracht wordt gehouden en de dragers niet te veel hoesten bij de uitvaart.

Langzaam laat de voorloper deze ochtend op Sint Barbara de kist in het gedolven graf zakken. Dit is de sectie waar drie ‘vreemden’ boven elkaar begraven worden. Iemand heeft een gerbera op het gedicht gelegd. De dichters sluiten af met het gooien van schep zand op de kist . Ze lopen terug richting koffiekamer.

Echt eenzaam zijn de uitvaarten feitelijk niet, meent Starik achteraf. Beheerder Richard Degenkamp van de begraafplaats is er vaak bij, net als een uitvaartondernemer, vier tot acht dragers, soms een gemeenteambtenaar, de dichter van dienst en hijzelf. “Samen zijn we toch een alternatieve familie.”

Jaarlijks 400 doden

De gemeente Amsterdam betaalt jaarlijks de begrafenis van zo’n 400 doden. Over de eerste twee maanden van 2018 staat de teller al op 94. Het idee is dat er geen onderscheid mag bestaan tussen wie wel of geen geld heeft. Bij gemiddeld vijftien mensen per jaar gaat niemand komen. Dan verzorgt Eenzame Uitvaart de laatste eer.

F. Starik (1 juli 1958-16 maart 2018)

Dichter, auteur en beeldend kunstenaar F. Starik overleed afgelopen vrijdag op 59-jarige leeftijd. Hij was van 2010 tot 2011 stadsdichter van Amsterdam. Na het overlijden van burgemeester Eberhard van der Laan plaatste Het Parool in oktober een dank-gedicht van Starik groot op de verder lege voorpagina. In 2013 schreef hij in Trouw columns over zijn dementerende moeder: ‘Moeder doen’, die ook in boekvorm verschenen.

‘Liefde komt niet ineens terug als de dood nadert’

Eva (69) wilde na ruim veertig jaar huwelijk scheiden; en toen werd haar man ziek.

Door: Corine Koole

 

‘Liefde komt niet ineens terug als de dood nadert’

‘Het was op een zondagochtend begin 2015. Mijn man en ik zaten rechtop in bed tegen de kussens, toen ik tegen hem zei: ‘Ik hou niet meer van je, ik ga weg.’ Mijn man begreep er niets van. Hij wilde weten waarom. Drieënveertig jaar waren we getrouwd geweest en nu wilde ik plotseling alleen verder? Hij was niet radeloos. Eerder van zijn à propos. En na een tijdje vroeg hij: ‘Hoe vertel ik dit de mannen van de tennisclub?’ Zelf voelde ik grote opluchting, eindelijk had ik de knoop doorgehakt. Ik begreep zijn verbazing wel, we hadden geen slecht huwelijk in de zin van ruzies en scheldpartijen. Het was meer dat we elkaar, zo kwam het me voor, emotioneel niet langer nodig hadden. Sinds mijn man niet meer werkte, voelde hij zich afgeschreven en was hij erg negatief. Hij hoefde de krant maar open te slaan ‘s ochtends of het mopperen begon. Een paar jaar ervoor, toen het plotseling bergafwaarts ging met zijn bedrijf, hadden we alles moeten verkopen, tot ons huis aan toe. Dat had hem geknakt. Het beeld van zichzelf als de creatieve grote man paste ineens niet meer, en het lukte hem niet daar een ander, bevredigend beeld voor in de plaats te zetten. Op de een of andere manier was de melodie uit ons huwelijk. Wij waren een gewoonte geworden waarin we elkaar de kleinste tekortkomingen zonder stemverheffing verweten. Zijn reacties op mijn avondjes uit met vriendinnen bijvoorbeeld verliepen altijd volgens hetzelfde patroon: eerst ging hij ongerust bellen waar ik bleef en dan werd hij kwaad omdat ik het zonder hem naar mijn zin had. Veel zinnen begon hij met: ‘Had je niet even…’ of: ‘Kon je niet beter…’ Een paar keer heb ik gesuggereerd een relatietherapeut te raadplegen, maar dan haalde hij getergd zijn schouders op en maakte een afwerend gebaar. Die zondagochtend, halfzittend in bed, zei ik: ‘Misschien vraag je je af waarom nu. Het antwoord is heel eenvoudig: nu zijn we nog net jong genoeg om kans te maken op een nieuw leven, over tien jaar niet meer.’

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik op dat moment al een tijdje aan het zoeken was naar een appartementje. Het klinkt misschien cru, maar in feite was dit huwelijk een vergissing van ons beiden. Toen ik er in zat, zag ik dat maar half. Ik werkte in zijn bedrijf en inzien dat ons huwelijk niet genoeg voorstelde, zou verregaande consequenties hebben gehad. Noem het opportunisme, lafheid of gewoon verantwoordelijkheidsgevoel voor onze economische eenheid en het gezin. Het heeft me jarenlang gekost om de moed die nodig was voor dit enorme besluit bijeen te rapen. En nu het zover was, werd ik niet geraakt door verdriet; noch door het mijne, noch door dat van hem. De kogel was door de kerk en hij trok als reactie een muur op en concentreerde zich op de praktische afhandeling. In afwachting van mijn verhuizing bleef ik bij hem wonen, toen hij op een avond enorme buikpijn kreeg. De volgende ochtend meldde hij zich bij de huisarts; even later bleek in het ziekenhuis dat hij blindedarmontsteking had als gevolg van een tumor aan zijn darm die zo groot was dat uitzaaiingen waarschijnlijk leken. Ik herinner me hoe ik na de operatie aan zijn bed zat, de artsen hadden ons zojuist het slechte nieuws verteld. Ik zei, niet uit misplaatst altruïsme, maar eerder uit diezelfde functionele vanzelfsprekendheid waarmee we jaren getrouwd waren geweest: ‘Maar dan blijf ik natuurlijk bij je om voor je te zorgen.’ Mijn man keek me aan en knikte.

‘Je zieleheil is je dus meer waard dan je aardse geluk.’

Vanaf dat moment waren we weer man en vrouw, zoals we de drieënveertig jaar ervoor waren geweest. Ik begeleidde hem bij zijn artsenbezoeken en zocht hem op in het ziekenhuis. Voor familie en vriendinnen was er niets veranderd, want afgezien van de kinderen had ik niemand iets verteld over ons voornemen te gaan scheiden. Iedereen benaderde ons vol mededogen en tegen mij zeiden ze: ‘Wat vreselijk ook voor jou.’ Mijn man hospitaliseerde binnen een paar weken. Al snel kon hij alleen nog praten over de gang van zaken in het ziekenhuis. En ik zorgde voor hem als een verpleegster. Er was compassie, geen liefde. Misschien zou je verwachten dat onze gesprekken ineens van aard veranderden, dat we plotseling inzagen dat we elkaar al die jaren gewoon voor lief hadden genomen, en we opnieuw iets in elkaar gingen ontdekken van die twee jonge mensen die we ooit waren – maar dat bleef allemaal uit. Liefde komt niet ineens terug bij de aankondiging van het einde, zijn dood was niet intiem. Mijn man flirtte gewoontegetrouw met de verpleegsters. Pas als we alleen waren, zag ik in zijn ogen de angst om te sterven. Tot mijn verbazing vroeg hij toen wel een psycholoog aan zijn bed. Even schoot door me heen: je zieleheil is je dus meer waard dan je aardse geluk, want voor ons huwelijk weigerde je alle hulp. Mijn man overleed. Op de begrafenis memoreerde ik de mooie gebeurtenissen in ons huwelijk, want natuurlijk waren die er ook. We waren dan geen lovers meer, maar wel vrienden; er was niemand met wie ik zo van onze kleinkinderen kon genieten als met hem.

Een jaar geleden meldde zich een vriend van mijn man, een tennismaatje. Hij verontschuldigde zich dat hij niet eerder iets had laten horen, maar zijn eigen vrouw was overleden in dezelfde tijd als mijn man. We spraken een paar keer af en gingen wandelen, en na een half jaar zoenden we en werden verliefd. Hij is iemand die met zijn camera vrolijk door veld en bos rent en alles vastlegt. Ik was totaal vergeten hoe sexy een gelukkige man kan zijn. En het mooiste van alles: hij begint nooit een zin met: ‘O, ik had wel verwacht dat je…’ Hij corrigeert me wel, want niets ontsnapt aan zijn aandacht. Maar hij maakt nergens een punt van. Kwesties krijgen geen kans meer om na te galmen.’

Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Eva gefingeerd.