‘Ze moeten maar zien dat ze me te pakken krijgen’ – NRC

web-0305zatbetsydefjpg

Honderd is Betty Bausch-Polak dit jaar geworden. Maar het had meer in de rede gelegen als ze gestorven was op haar drieëntwintigste. Of vierentwintigste.

Meer dan twintig onderduikadressen had ze nodig om de oorlog te overleven, als Joodse uit Amsterdam. En een flinke dosis geluk. Haar ouders en oudste zus hadden dat geluk niet: ze stierven in de kampen. Haar echtgenoot Philip werd door de Duitsers gefusilleerd.

Toch kun je gerust zeggen dat Betty Bausch haar leven te danken heeft aan meer dan alleen mazzel. Ze doorstond de oorlogsjaren met een portie gogme, creativiteit en vastberadenheid die vijfenzeventig jaar na dato nog altijd ontzag inboezemen.

„Ik heb levensgevaarlijke dingen gedaan,” zegt ze over de telefoon vanuit haar woonplaats Kfar Saba, in Israël. „Maar daar stond ik op dat moment niet bij stil. Pas later heb ik gedacht: belachelijk, hoe heb je dat kunnen doen?”

Ze groeide op als Betty Polak, de derde van vier kinderen in een welgesteld, sociaal bewogen Joods gezin in Amsterdam. Ze woonden in de Plantagebuurt; vanuit huize Polak keek je recht in de tuin van de Hollandsche Schouwburg – de plek van waaruit later driekwart van de Amsterdamse Joden op transport gezet zou worden.

Eén ding was de jonge Betty volstrekt duidelijk na de machtsovername van Hitler in 1933: hier dreigde een catastrofe voor de Joden. „Ik luisterde thuis naar zijn toespraken op de radio. Zet dat ding uit, zeiden de anderen in het gezin, we willen er niets van horen. Maar we konden eenvoudigweg niet zeggen: hier hebben we niets mee te maken. Helaas waren er niet veel mensen die er zo over dachten. Dus hield ik ook vaak m’n mond.”

Wie er wel zo over dacht, was Philip de Leeuw, de man met wie Betty in 1939 trouwde in de grote synagoge van Amsterdam. De Leeuw, die als reserve-officier onder de wapenen was geroepen vanwege de dreiging uit het oosten, had Mein Kampf thuis in de kast staan – en helemaal gelezen.

Toen in mei 1940 de bezetting aanbrak, wist Betty wat haar te doen stond: níet tegemoet komen aan de eisen van de bezetter. Dat betekende: zich niet laten registreren als Jood, geen fiets inleveren, de radio verstoppen. En later: geen jodenster dragen. „Ik dacht: ze moeten maar zien dat ze me te pakken krijgen.”

Eerst probeerden Philip en zij weg te komen uit Nederland. Maar hun pogingen om over te steken naar Engeland mislukten: de schepen bleken telkens op het laatste moment vol. „De derde boot waarmee we wilden gaan, is onderweg getorpedeerd en onder water gelopen.”

Dus begonnen Betty en Philip aan een zwervend bestaan door het land – eerst samen, toen gescheiden, later weer samen. Een van hun eerste adressen was het Apeldoornsche Bos, een Joodse psychiatrische inrichting op de Veluwe. Toen de kliniek in januari 1943 ontruimd werd en alle patiënten en personeelsleden op transport werden gesteld, kon het echtpaar op tijd wegkomen. „De arts had ons van tevoren ingelicht. We hadden een afspraak gemaakt met een boer, dat we met onze koffers naar hem toe konden komen en een paar uur op de boerderij verblijven.”

Ik heb het visbestek en een mantel van Juul meegenomen, als enige aandenken

Toen begon de onderduik pas goed. Ze kreeg valse identiteitspapieren. Betty Polak werd Jo Musch. Jo Musch werd Adrie Kool. Adrie Kool werd Ada Koole. Langer dan drie maanden bleef ze nooit op een adres. Haar ouders, broers en zussen bleven waar ze waren: tot haar grote verdriet had Betty ze niet aan hun verstand kunnen brengen dat onderduiken de enige optie was. „Ik zie m’n ouders nog staan, keurig aangekleed. Nee, zeiden ze, dat kunnen we niet doen, de mensen hebben ons nodig. Ze zijn weggehaald en nooit meer teruggekomen.”

Haar oudste zuster Juul was hetzelfde lot beschoren. Ze werd afgevoerd tijdens een grote razzia in 1943. Toen ze het nieuws hoorde, deed Betty een van die gevaarlijke dingen die ze naderhand onbegrijpelijk vond: met een reservesleutel ging ze het verlaten huis binnen. „Op tafel stonden nog de borden met de restanten van een visgerecht. Ik zag dat ze zo, in één keer, waren weggevoerd.” Ze had van alles kunnen meenemen uit het huis, maar ze deed het niet. „Daar kreeg ik ze toch niet mee terug. Ik heb het visbestek en een mantel van Juul meegenomen, als enige aandenken.”

Ze verbleef in die tijd bij de familie Althoff in Amsterdam, waar ze overdag op de baby paste. Op een middag ging de bel: voor de deur van de portiekwoning stonden twee Gestapo-agenten. „Ik dacht: o, mijn God. Mevrouw Althoff was boven, ze gaf Spaanse les aan huis. ‘Heren, wat komt u doen?’ gilde ik zo hard ik kon tegen die mannen. Ik kon nog net naar de kamer van mevrouw rennen en zeggen: denk erom, Gestapo.”

De mannen kwamen boven, maar Betty weigerde mevrouw Althoff in haar les te storen. „Dan word ik er meteen uitgegooid, zei ik tegen ze. Het is mijn taak om te zorgen dat ze ongestoord les kan geven.” Toen ze voet bij stuk hield, vroegen de Gestapo-agenten om haar papieren. „In mijn valse persoonsbewijs stond: litteken aan de keel rechts. Dat had ik speciaal door een bevriende arts laten zetten. Nou, dat litteken heeft mijn leven gered.”

web-0405zatbijbettyjpg
Betty Bausch-Polak met haar echtgenoot Philip de Leeuw.

Mislukte aanslag

In de zomer van 1944 werd Betty herenigd met haar man Philip. Ze vonden dicht bij elkaar een onderduikadres in Bilthoven. Philip werd actief in het verzet: hij kreeg de leiding over een ‘knokploeg’ van acht man.

Het mocht niet lang duren. Op de avond van 7 november mislukte een aanslag van Philips verzetsgroep op een spoorlijn in de buurt. Hij werd verraden, gevangengezet en kort daarop gefusilleerd in de bossen bij Veenendaal. Ook Betty werd gevangengezet, maar na enige tijd weer vrijgelaten.

Het lot van Philip vernam Betty pas toen ze een bezoek bracht aan het Gestapo-hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan. Een krankzinnige actie voor een Jodin met valse papieren, vond ze naderhand ook zelf. „Maar ik móest weten wat er met Philip was gebeurd. En dat kon ik alleen te weten komen bij de Gestapo.” Ze werd ontvangen door een hoge Gestapo-officier, die haar vertelde dat Philip dood was. „Hij ging weg en kwam terug met een horloge en ring. Die waren van Philip. Ik heb gezegd dat ik er geen belangstelling voor had. Daar kreeg ik hem toch niet mee terug. Daarna mocht ik opstaan en weggaan.”

Het waagstuk bij de Gestapo leidde tot achterdocht bij Philips voormalige makkers uit de illegaliteit. Hoe kon zij in hemelsnaam levend naar buiten zijn gelopen? De verzetskring verbrak alle contact, na de bevrijding werd ze zelfs twee dagen door een commissie ondervraagd.

Ik stond er totaal alleen voor, ik kon met niemand contact krijgen

Eenzelfde onverschrokkenheid legde Betty aan de dag bij de voedseltochten die ze ondernam in de hongerwinter. Ze was inmiddels ondergedoken in Oegstgeest, bij een alleenstaande moeder met drie kinderen die in een wolfabriek werkte. Toen het eten op begon te raken, ging Betty op een fiets met houten banden naar het oosten van het land, wol ruilen tegen eten.

Op haar tochten werd ze regelmatig staande gehouden door Duitse soldaten. „Als ik werd aangehouden, maakte ik in mijn beste Duits een praatje met die soldaten. ‘Och,’ zei ik, ‘wat ben ik blij dat u me aanhoudt. Ik ben zo moe van die fiets met houten banden, kunnen we even gezellig kletsen?’ Daarna reed ik weer vrolijk weg. Die militairen hebben nooit een tas van mij opengemaakt. Nooit.”

Mei 1945, de bevrijding kwam. Nederland vierde feest, maar voor Betty was er weinig reden tot vreugde. Haar ouders, schoonouders en oudste zus waren gedeporteerd, haar man was dood, ze wist niet waar haar broer Jaap was. „Ik stond er totaal alleen voor, ik kon met niemand contact krijgen.”

Jaap en zijn vrouw kwamen terug uit het kamp. Betty trof ze een paar weken na de bevrijding aan in Eindhoven, uitgemergeld, maar in leven. Van haar jongere zus Lies wist Betty al eerder dat ze op onwaarschijnlijke’ wijze aan de dood was ontsnapt: via een gevangenenruil tussen de Duitsers en de Britten kon ze vanuit Bergen-Belsen naar Palestina reizen. „Dat dat is gelukt, is werkelijk een wonder.”

Na de oorlog leverde ze een bescheiden bijdrage aan de publicatie van het dagboek van Anne Frank. Betty werkte inmiddels als ambtenaar op het ministerie van Landbouw, waar ze – uniek voor een vrouw – in de jaren vijftig en zestig carrière zou maken. „Vanuit mijn baan zat ik in de commissie die mocht bepalen wie er papier mocht krijgen.” Op een dag vertelde het bevriende historici-echtpaar Jan en Annie Romein over het dagboek van Anne Frank. Er was een uitgever gevonden, maar nog geen papier. „Ik heb die uitgever gebeld en gezegd: ik ga onmiddellijk zorgen dat jullie papier krijgen. Die man was dolgelukkig.”

Praten over de oorlog deed ze decennialang niet, dat was veel te pijnlijk. Pas in het nieuwe millennium, ze was al in de tachtig, begon Betty haar verhaal te doen, op scholen in Nederland en Duitsland. Ze schreef haar herinneringen op in een boekje, samen met haar zus Lies.

Nu woont ze permanent in Israël, waar ze begin jaren tachtig een huis kocht met haar tweede echtgenoot. Twee keer per jaar probeert ze naar Nederland te komen: rond 4 mei, en in november, voor de herdenking van Philips executie in Veenendaal. „Dat geeft me het gevoel dat zijn leven niet zomaar is weggegooid.”

Haar broer Jaap werd 102 jaar oud. „Dus heb ik tegen mezelf gezegd: ik moet sowieso ouder worden dan hij. Daar ben ik nu hard mee bezig.”

Met dank aan Aline Dijkshoorn. Voor dit artikel werd gebruik gemaakt van Bewogen stilte (2014) van Elisheva Auerbach-Polak, Betty Bausch-Polak en Nanda van der Zee.

via ‘Ik zie m’n ouders nog staan, keurig aangekleed voor transport’ – NRC

Advertisements

Neus Català i Pallejà (1915—2019)

Neus Català i Pallejà (1915—2019).jpg

Neus Català i Pallejà was born in 1915 in Els Guiamets, a village with 500 inhabitants in Priorat, a mountainous wine-producing region west of Barcelona. She was born in October, but her date of birth was registered as June 15 because her grandfather put the wrong date. She sometimes celebrated both birthdays.

Her father, Baltasar Català, was a barber and her mother, Rosa Pallejà, was a housewife. Her parents liked telling stories to Català and her brother, Lluís. A favourite was about Spartacus, the gladiator who took part in the slave rebellion against the Roman Empire that started in 73BC. It was to prove prophetic because Català, in her own way, challenged the might of the Third Reich.Even as a teenager she was imbued with the spirit of woman-to-woman solidarity that would sustain her through her wartime imprisonment, and took part in a women’s strike. “She was very politically independent. She was a natural feminist before these feminist organisations existed,” said her daughter, Margarita Català.When the Second Spanish Republic was declared in 1931, the ripples caused by the arrival of a socialist government reached Català’s remote village. She joined the youth wing of the United Socialist Party of Catalonia, moved to Barcelona and trained to be a nurse.When the country descended into civil war in 1936, she was caring for orphans and children of political refugees at a home north of Barcelona. Three years later, with Franco’s nationalist forces closing in on victory, she took 182 children across the border into France. They were known as the Children of Negrín, after Juan Negrín, the president of the Second Republic, who was forced into exile. She made sure they were adopted.Like many other Spanish left-wing exiles, she joined the French Resistance, through which she met her first husband, Albert Roger. They married in 1942 and their house was used to pass messages, documents and guns, and for sheltering political refugees. “Our honeymoon was to find a place where the Maquis could meet,” remembered Català.Their luck ran out in 1943 when they were betrayed by a local chemist and were arrested by the Gestapo. Both were tortured. Català was sent to a prison camp and deported the next year to Ravensbrück. Roger was sent to Sachsenhausen camp, but later died in Bergen-Belsen.Neus Català felt she was transformed from a human being into nothing more than a number, in her case 27,534, after entering Ravensbrück, a concentration camp that held only women prisoners.

She recalled that her captors treated her as if she was “worth less than a dog or a horse”, yet she refused to let them crush her spirit and lived to be one of the last survivors of the 130,000 French, Polish, Dutch and Russian women who entered the camp. More than half of them died there.Like many women, Català had to undergo humiliating medical checks carried out by the SS medics as she stood naked. They were subjected to gynaecological checks without any of the normal standards of hygiene. She said that if any woman was liked by one of the camp guards, they could end up in the camp brothel, from which no one emerged alive.

When she fell ill, camp medics believed she might have caught tuberculosis. A positive diagnosis would have meant execution. “For a week, before a second check-up, she believed she would die, but other inmates tried to help her pull through by cheering her up,” said a friend who did not want to be named. In the end, it was a false alarm.She had only been in Ravensbrück a month when the camp guards identified her as a “good worker” and sent her to Holleischen camp in the former Czechoslovakia to work in an armaments factory. Eager to sabotage the Nazi war effort, there she formed a group who called themselves the Lazy Commandos. They risked their lives by spitting into the powder used to make bullets and shells, having been told that this would compromise their effectiveness.Català was no stranger to covert operations of this sort, having joined the French Resistance after fleeing Spain when Franco’s nationalist forces won the civil war in 1939. The chance to resume surreptitiously disrupting the Nazi war machine gave her and her fellow inmates the strength to endure their captivity. They were charged with producing 10,000 bullets or shells each month, but claimed to have rendered thousands unusable.By the time the camp was liberated in 1945 she and her comrades were desperately ill. “We were just skulls with eyes,” she later said.

After the war, she returned to France and started her psychological recovery. However, Català was so damaged physically, she had to spend time in two medical homes. One compensation was that it was there that she met her second husband, Félix Sancho, who had also fought in the resistance.She presumed that because of what she had been through in the camp she would never be able to have children, but one day, thinking she had a bad stomach, discovered she was in fact pregnant. Her daughter, Margarita, became a psychologist. The couple also had a son, Lluís, who is the director of a library.From her home in Sarcelles, near Paris, she ran the International Committee of Ravensbrück and made it her job to try to collect the testimonies of all those Spanish women who had died in the camp. Her work was made harder because many Spaniards were classed by officials as French, having fled across the border at the end of the Spanish Civil War. She said later in life that her memories of Ravensbrück were always in black and white, never in colour.After years of campaigning, the German government conceded that part of the memorial at the site of the original Ravensbrück camp should be dedicated to the Spanish women who died there. From a grim prison cell, it became a site of remembrance.She remained a member of the Unified Socialist Party of Catalonia and continued her efforts to try to undermine the long dictatorship of Franco, which lasted from the end of the civil war in 1939 until his death in 1975.Sometimes she would flit across the border into Spain undercover and was photographed in Barcelona in 1957, strolling along La Rambla with her daughter. She was able to do this because she had French nationality through her first husband. She returned to Spain in 1978.In 2005 Català gained widespread recognition when she published From the Resistance to the Deportation: 50 Testimonies of Spanish Women. It told the stories of Spaniards who first fought Franco, then the Nazis before being sent to concentration camps. The book came just before Spain’s then Socialist government passed a law to grant greater redress to the victims of Franco.“She spent most of her life fighting against fascism, if not on the barricades, then by keeping alive the memory of those who died at the hands of the Nazis,” recalled Elisenda Belenguer, who wrote a biography of Català.Even as Català lay in her rest home days before her death, her daughter said she could be heard singing Italian and Russian revolutionary songs to celebrate the anniversary of the founding of the Second Spanish Republic on April 14, 1931.
Neus Català, Holocaust survivor, was born on October 6, 1915. She died on April 13, 2019 aged 103


Original article : Neus Català obituary | Register | The Times

‘Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald’

Het Amsterdamse gezin Krieg overleefde als een van de weinige gezinnen in zijn geheel de oorlog. Dochters Suze (87) en Mirjam (84) zwegen daarna over hun kampverleden. Hun verhaal is onderdeel van een expositie in het Stadsarchief.
Hanneloes Pen 
De zussen Mirjam (l) en Suze Krieg, die samen met hun ouders het kamp Bergen-Belsen overleefden ©Hanna Snijder

Over de oorlog praten doet Mirjam Krieg liever niet. Ze zit niet te wachten op medelijden, zegt ze. “Je wordt er ook ziek van als je erover praat. Wij zitten in een vat met een deksel erop.”

De zussen Suze en Mirjam Krieg om de tafel krijgen, kost enige moeite. Ze hebben periodes dat ze ‘even’ niet met elkaar praten. De laatste keer dat ze elkaar zagen, was een maand of tien ­geleden. “We hebben altijd mot. Over iets wat gezegd is, over kleine dingen. We zijn ook heel verschillend,” zegt de jongste, Mirjam.

Nu zitten ze samen op de bank, bij Suze thuis, en dat is ­bijzonder. Ze wachten ogenschijnlijk geduldig af tot de ­ander is uitgesproken. “Mag ik nu?”

Het gezin Krieg – vader, moeder, twee dochters – werd in 1943 naar Westerbork gedeporteerd en kwam zeven tot acht maanden later terecht in het concentratiekamp Bergen-Belsen. “Het wonderlijkste van het wonderlijkste is dat we het met zijn vieren hebben overleefd,” zegt Suze.

Hun ouders, Hans Krieg en Regina Sternlieb, vluchtten in 1933 met hun dochtertje Suze vanuit Breslau naar ­Amsterdam, waar dat jaar Mirjam werd geboren. Hans Krieg, componist en dirigent, werd directeur van de Joodsche Orkest-Vereniging Amsterdam en werkte voor het koor van de Liberaal Joodse Gemeente. Er kwamen bij hen thuis veel Duits-Joodse artiesten over de vloer.

Allesbehalve rijk
Mirjam: “Voor de oorlog hadden we het heel slecht, maar dat was onze redding om het kamp te overleven. Wij waren ­allesbehalve rijk. We hadden niets.”

Links Mirjam Krieg, rechts Suze Krieg ©Jeugdfoto

Suze: “We kregen samen één ijsje of konden samen een autoped huren voor een half uur.”

In de boekenkast staat een foto van de beide zusjes, acht en vijf jaar oud, in zomerjurkjes. Ze zijn aan het spelen vlak voor hun huis in de Molenbeekstraat in de Rivierenbuurt. Ze vormden een hecht gezin. Er was altijd muziek in huis. Hun vader zei ­altijd: “Eten is het voedsel voor het lichaam, muziek voor de ziel.”

Hans Krieg kreeg in de oorlog een Sperre, een speciale stempel, vanwege zijn functie als organist en koordirigent waarmee het gezin voorlopig was vrijgesteld van deportatie. In mei 1943 moesten ze echter verhuizen naar het Afrikanerplein in de Transvaalbuurt waarvandaan Joden werden gedeporteerd. “Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald,” zegt Suze.

Tot driemaal toe ontkwamen de Kriegs in Westerbork aan deportatie naar Auschwitz. De eerste keer speelde Hans Krieg in een revue, de tweede keer kreeg Suze hepatitis en later lag Mirjam in het ziekenhuis.

In Westerbork lukte het om op de zogenoemde Palestinalijst, voor uitwisseling tegen Duitse krijgsgevangenen, te worden geplaatst. Ze werden begin 1944 naar Bergen-­Belsen gedeporteerd.

Hun vader kwam te werken in het ‘schoenen-commando’, hun moeder in de gaarkeuken. De zusjes, toen tien en dertien jaar, waren de hele dag op zichzelf aangewezen. Ze moesten zelf hun eten organiseren in het kamp waar honger, kou en ziektes als tyfus en dysenterie heersten.

Op de laatste trein
Mirjam Krieg heeft haar verhaal in 2011 in het KRO-­programma De Wandeling verteld, opdat mensen de oorlog niet vergeten. “Eten? Het was net iets te veel om te sterven en te weinig om te leven,” zegt ze in het programma. “Het enige voordeel van Bergen-Belsen was dat er geen gaskamers waren, maar je ging er wel zelf dood.”

De her­in­ne­rin­gen aan het kamp raakt Suze niet meer kwijt. Op haar zeventiende werd ze diverse keren opgenomen

Suze: “Er is weinig aandacht besteed aan die paar kinderen die het kamp hebben overleefd. We kunnen je details vertellen waarvan je haren te berge rijzen, maar wij waren sterk. Ik heb ook nooit gedacht dat ik zou sterven. Ik dacht wel als onze ouders sterven, dan gaan wij er ook aan.”

Vanwege het oprukken van de geallieerde troepen werden de bijna zevenduizend gevangenen uit het kamp in drie treinen gezet en weggevoerd. De laatste trein, met het gezin Krieg, reisde twee weken doelloos rond. De trein werd bekend als het ‘verloren transport’. Die trein was het angstigste wat Mirjam is overkomen, zegt ze, omdat ­niemand wist wat er ging gebeuren.

In april 1945 werden ze uiteindelijk door het Rode Leger bevrijd in het Duitse Tröbitz. “We hebben een karren­wagen gehaald en mijn moeder erin gezet,” zegt Suze.

Een maand lang bivakkeerden ze in de omgeving in een leegstaand huis in een verlaten dorp. De kinderen vonden weckflessen met fruit en groenten in de kelders van huizen waarvan de bewoners op de vlucht waren geslagen. “Mijn ouders waren dood- en doodziek. Als wij toen niet voor ze hadden gezorgd, hadden ze het niet gered.”

Ze kwamen uiteindelijk weer terug in Amsterdam waar ze onderdak kregen bij familie in De Pijp. Suze had vlek­tyfus opgelopen en was in Limburg een tijd opgenomen. ­Uiteindelijk kregen ze via een kennis een woning op de Prins Hendriklaan in Zuid.

Elektroshocks
De herinneringen aan het kamp raakt Suze niet meer kwijt. Op haar zeventiende werd ze diverse keren opgenomen. Ze zat een half jaar op de gesloten afdeling van de ­Valeriuskliniek, waar ze werd gefixeerd en elektroshocks kreeg toegediend. De Joodse psychiater Max Hamburger nam haar in analyse, waarna ze een ‘redelijk’ leven kreeg.

Suze pakte  de draad geleidelijk weer op en kwam op het Amsterdams Lyceum terecht. Ze verzweeg haar kampverleden, net als haar zusje, dat op de ulo zat.

Het buurmeisje kwam naar me toe en zei: ‘Ze hebben jullie vergeten te vergassen’

Mirjam: “Het was zoiets absurds, zeker vergeleken bij het gewone leven. Het was een zwart donker gat in jezelf.”

Suze: “Je had veel beter niet uit de oorlog kunnen komen. Ik heb drie zelfmoordpogingen gedaan. Ik vond het leven onverdraaglijk. In het kamp stapte ik een keer in een ­deken en daar bleek een lijk te liggen. De Kapo sloeg me eens ­keihard toen ik doodziek was en mijn bed niet kon uitkomen om urenlang op appel te staan. Als je al die herinneringen kunt stopzetten, heb je nog een keus, anders niet.”

Terug in Nederland werden ze opnieuw geconfronteerd met Jodenhaat. Mirjam: “Aan de overkant woonde een ­gezin, zuivere antisemieten. Dat buurmeisje kwam naar me toe en zei: ‘Ze hebben jullie vergeten te vergassen.’ Ik kon geen woord meer uitbrengen. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt.”

Geestelijk sterk
Mirjam, moeder van twee kinderen, ging naar het ­conservatorium en werd sopraan en soliste van het Groot Omroepkoor. Samen met haar vader hield ze voordrachten en zanguitvoeringen over de geschiedenis van de Joodse muziek. In 2011 zong ze het herontdekte lied Waar Bleven de Joden van ons Amsterdam dat haar vader in 1947 had geschreven. ­

Waar zijn al de venters met fruit en met bloemen
en waar is de voddeman, die altijd kwam?
Waar zijn de tienduizenden hier niet te noemen?
Waar zijn toch de Joden van ons Amsterdam?

“Ik ben met mijn vader het hele land doorgereisd om ­overal op te treden, maar we hebben nooit meer over de oorlog gesproken. Niemand had zin in dat onderwerp.”

Suze ging als analist aan de slag in het laboratorium van de Sinai-kliniek (nu Sinai Centrum) in Amersfoort en werkte 25 jaar bij het Wilhelmina Gasthuis, Binnen Gasthuis en AMC. “Ondanks de misère heb ik toch een mooi ­leven gehad. Ik heb een capaciteit tot geluk. Het was ­natuurlijk ook heel fijn om na de oorlog weer als gezin ­samen te leven.”

Mirjam: “We zijn altijd heel hecht gebleven, ook door de ellende die we hebben meegemaakt. We zijn geestelijk sterk. Als je de verschrikkingen van het kamp overleeft, ben je oersterk. Het was een warm gezin ook. Mijn vader zei: ik ben in A grote terts getrouwd, met drie kruizen.”

 

via ‘Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald’ – Amsterdam – PAROOL