‘Ze moeten maar zien dat ze me te pakken krijgen’ – NRC

web-0305zatbetsydefjpg

Honderd is Betty Bausch-Polak dit jaar geworden. Maar het had meer in de rede gelegen als ze gestorven was op haar drieëntwintigste. Of vierentwintigste.

Meer dan twintig onderduikadressen had ze nodig om de oorlog te overleven, als Joodse uit Amsterdam. En een flinke dosis geluk. Haar ouders en oudste zus hadden dat geluk niet: ze stierven in de kampen. Haar echtgenoot Philip werd door de Duitsers gefusilleerd.

Toch kun je gerust zeggen dat Betty Bausch haar leven te danken heeft aan meer dan alleen mazzel. Ze doorstond de oorlogsjaren met een portie gogme, creativiteit en vastberadenheid die vijfenzeventig jaar na dato nog altijd ontzag inboezemen.

„Ik heb levensgevaarlijke dingen gedaan,” zegt ze over de telefoon vanuit haar woonplaats Kfar Saba, in Israël. „Maar daar stond ik op dat moment niet bij stil. Pas later heb ik gedacht: belachelijk, hoe heb je dat kunnen doen?”

Ze groeide op als Betty Polak, de derde van vier kinderen in een welgesteld, sociaal bewogen Joods gezin in Amsterdam. Ze woonden in de Plantagebuurt; vanuit huize Polak keek je recht in de tuin van de Hollandsche Schouwburg – de plek van waaruit later driekwart van de Amsterdamse Joden op transport gezet zou worden.

Eén ding was de jonge Betty volstrekt duidelijk na de machtsovername van Hitler in 1933: hier dreigde een catastrofe voor de Joden. „Ik luisterde thuis naar zijn toespraken op de radio. Zet dat ding uit, zeiden de anderen in het gezin, we willen er niets van horen. Maar we konden eenvoudigweg niet zeggen: hier hebben we niets mee te maken. Helaas waren er niet veel mensen die er zo over dachten. Dus hield ik ook vaak m’n mond.”

Wie er wel zo over dacht, was Philip de Leeuw, de man met wie Betty in 1939 trouwde in de grote synagoge van Amsterdam. De Leeuw, die als reserve-officier onder de wapenen was geroepen vanwege de dreiging uit het oosten, had Mein Kampf thuis in de kast staan – en helemaal gelezen.

Toen in mei 1940 de bezetting aanbrak, wist Betty wat haar te doen stond: níet tegemoet komen aan de eisen van de bezetter. Dat betekende: zich niet laten registreren als Jood, geen fiets inleveren, de radio verstoppen. En later: geen jodenster dragen. „Ik dacht: ze moeten maar zien dat ze me te pakken krijgen.”

Eerst probeerden Philip en zij weg te komen uit Nederland. Maar hun pogingen om over te steken naar Engeland mislukten: de schepen bleken telkens op het laatste moment vol. „De derde boot waarmee we wilden gaan, is onderweg getorpedeerd en onder water gelopen.”

Dus begonnen Betty en Philip aan een zwervend bestaan door het land – eerst samen, toen gescheiden, later weer samen. Een van hun eerste adressen was het Apeldoornsche Bos, een Joodse psychiatrische inrichting op de Veluwe. Toen de kliniek in januari 1943 ontruimd werd en alle patiënten en personeelsleden op transport werden gesteld, kon het echtpaar op tijd wegkomen. „De arts had ons van tevoren ingelicht. We hadden een afspraak gemaakt met een boer, dat we met onze koffers naar hem toe konden komen en een paar uur op de boerderij verblijven.”

Ik heb het visbestek en een mantel van Juul meegenomen, als enige aandenken

Toen begon de onderduik pas goed. Ze kreeg valse identiteitspapieren. Betty Polak werd Jo Musch. Jo Musch werd Adrie Kool. Adrie Kool werd Ada Koole. Langer dan drie maanden bleef ze nooit op een adres. Haar ouders, broers en zussen bleven waar ze waren: tot haar grote verdriet had Betty ze niet aan hun verstand kunnen brengen dat onderduiken de enige optie was. „Ik zie m’n ouders nog staan, keurig aangekleed. Nee, zeiden ze, dat kunnen we niet doen, de mensen hebben ons nodig. Ze zijn weggehaald en nooit meer teruggekomen.”

Haar oudste zuster Juul was hetzelfde lot beschoren. Ze werd afgevoerd tijdens een grote razzia in 1943. Toen ze het nieuws hoorde, deed Betty een van die gevaarlijke dingen die ze naderhand onbegrijpelijk vond: met een reservesleutel ging ze het verlaten huis binnen. „Op tafel stonden nog de borden met de restanten van een visgerecht. Ik zag dat ze zo, in één keer, waren weggevoerd.” Ze had van alles kunnen meenemen uit het huis, maar ze deed het niet. „Daar kreeg ik ze toch niet mee terug. Ik heb het visbestek en een mantel van Juul meegenomen, als enige aandenken.”

Ze verbleef in die tijd bij de familie Althoff in Amsterdam, waar ze overdag op de baby paste. Op een middag ging de bel: voor de deur van de portiekwoning stonden twee Gestapo-agenten. „Ik dacht: o, mijn God. Mevrouw Althoff was boven, ze gaf Spaanse les aan huis. ‘Heren, wat komt u doen?’ gilde ik zo hard ik kon tegen die mannen. Ik kon nog net naar de kamer van mevrouw rennen en zeggen: denk erom, Gestapo.”

De mannen kwamen boven, maar Betty weigerde mevrouw Althoff in haar les te storen. „Dan word ik er meteen uitgegooid, zei ik tegen ze. Het is mijn taak om te zorgen dat ze ongestoord les kan geven.” Toen ze voet bij stuk hield, vroegen de Gestapo-agenten om haar papieren. „In mijn valse persoonsbewijs stond: litteken aan de keel rechts. Dat had ik speciaal door een bevriende arts laten zetten. Nou, dat litteken heeft mijn leven gered.”

web-0405zatbijbettyjpg
Betty Bausch-Polak met haar echtgenoot Philip de Leeuw.

Mislukte aanslag

In de zomer van 1944 werd Betty herenigd met haar man Philip. Ze vonden dicht bij elkaar een onderduikadres in Bilthoven. Philip werd actief in het verzet: hij kreeg de leiding over een ‘knokploeg’ van acht man.

Het mocht niet lang duren. Op de avond van 7 november mislukte een aanslag van Philips verzetsgroep op een spoorlijn in de buurt. Hij werd verraden, gevangengezet en kort daarop gefusilleerd in de bossen bij Veenendaal. Ook Betty werd gevangengezet, maar na enige tijd weer vrijgelaten.

Het lot van Philip vernam Betty pas toen ze een bezoek bracht aan het Gestapo-hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan. Een krankzinnige actie voor een Jodin met valse papieren, vond ze naderhand ook zelf. „Maar ik móest weten wat er met Philip was gebeurd. En dat kon ik alleen te weten komen bij de Gestapo.” Ze werd ontvangen door een hoge Gestapo-officier, die haar vertelde dat Philip dood was. „Hij ging weg en kwam terug met een horloge en ring. Die waren van Philip. Ik heb gezegd dat ik er geen belangstelling voor had. Daar kreeg ik hem toch niet mee terug. Daarna mocht ik opstaan en weggaan.”

Het waagstuk bij de Gestapo leidde tot achterdocht bij Philips voormalige makkers uit de illegaliteit. Hoe kon zij in hemelsnaam levend naar buiten zijn gelopen? De verzetskring verbrak alle contact, na de bevrijding werd ze zelfs twee dagen door een commissie ondervraagd.

Ik stond er totaal alleen voor, ik kon met niemand contact krijgen

Eenzelfde onverschrokkenheid legde Betty aan de dag bij de voedseltochten die ze ondernam in de hongerwinter. Ze was inmiddels ondergedoken in Oegstgeest, bij een alleenstaande moeder met drie kinderen die in een wolfabriek werkte. Toen het eten op begon te raken, ging Betty op een fiets met houten banden naar het oosten van het land, wol ruilen tegen eten.

Op haar tochten werd ze regelmatig staande gehouden door Duitse soldaten. „Als ik werd aangehouden, maakte ik in mijn beste Duits een praatje met die soldaten. ‘Och,’ zei ik, ‘wat ben ik blij dat u me aanhoudt. Ik ben zo moe van die fiets met houten banden, kunnen we even gezellig kletsen?’ Daarna reed ik weer vrolijk weg. Die militairen hebben nooit een tas van mij opengemaakt. Nooit.”

Mei 1945, de bevrijding kwam. Nederland vierde feest, maar voor Betty was er weinig reden tot vreugde. Haar ouders, schoonouders en oudste zus waren gedeporteerd, haar man was dood, ze wist niet waar haar broer Jaap was. „Ik stond er totaal alleen voor, ik kon met niemand contact krijgen.”

Jaap en zijn vrouw kwamen terug uit het kamp. Betty trof ze een paar weken na de bevrijding aan in Eindhoven, uitgemergeld, maar in leven. Van haar jongere zus Lies wist Betty al eerder dat ze op onwaarschijnlijke’ wijze aan de dood was ontsnapt: via een gevangenenruil tussen de Duitsers en de Britten kon ze vanuit Bergen-Belsen naar Palestina reizen. „Dat dat is gelukt, is werkelijk een wonder.”

Na de oorlog leverde ze een bescheiden bijdrage aan de publicatie van het dagboek van Anne Frank. Betty werkte inmiddels als ambtenaar op het ministerie van Landbouw, waar ze – uniek voor een vrouw – in de jaren vijftig en zestig carrière zou maken. „Vanuit mijn baan zat ik in de commissie die mocht bepalen wie er papier mocht krijgen.” Op een dag vertelde het bevriende historici-echtpaar Jan en Annie Romein over het dagboek van Anne Frank. Er was een uitgever gevonden, maar nog geen papier. „Ik heb die uitgever gebeld en gezegd: ik ga onmiddellijk zorgen dat jullie papier krijgen. Die man was dolgelukkig.”

Praten over de oorlog deed ze decennialang niet, dat was veel te pijnlijk. Pas in het nieuwe millennium, ze was al in de tachtig, begon Betty haar verhaal te doen, op scholen in Nederland en Duitsland. Ze schreef haar herinneringen op in een boekje, samen met haar zus Lies.

Nu woont ze permanent in Israël, waar ze begin jaren tachtig een huis kocht met haar tweede echtgenoot. Twee keer per jaar probeert ze naar Nederland te komen: rond 4 mei, en in november, voor de herdenking van Philips executie in Veenendaal. „Dat geeft me het gevoel dat zijn leven niet zomaar is weggegooid.”

Haar broer Jaap werd 102 jaar oud. „Dus heb ik tegen mezelf gezegd: ik moet sowieso ouder worden dan hij. Daar ben ik nu hard mee bezig.”

Met dank aan Aline Dijkshoorn. Voor dit artikel werd gebruik gemaakt van Bewogen stilte (2014) van Elisheva Auerbach-Polak, Betty Bausch-Polak en Nanda van der Zee.

via ‘Ik zie m’n ouders nog staan, keurig aangekleed voor transport’ – NRC

Advertisements