En nu ben ik dood – Patricia de Martelaere

Het is veeleer zo dat er, letterlijk, niets is dat blijft – het is het niets zelf dat blijft, en tot dit grote niets behoren wij zelf ook. Onze grote fout – die zorgt voor onze grote ontreddering – is dus dat we onszelf beschouwen als ‘iets’ te midden van het onherbergzame en bedreigende niets. In werkelijkheid is het net andersom: het niets is onze thuishaven en onze ziel terwijl het juist het ‘iets’ is dat ons daarvan weglokt en ons in zijn sluiers gevangen houdt.

door Xandra Schutte 11 maart 2009 – verschenen in De Groene nr. 11
https://www.groene.nl/2009/11

EEN VAN DE ESSAYS van de Vlaamse schrijfster en filosofe Patricia de Martelaere, die vorige week woensdag overleed aan de gevolgen van een hersentumor, heet ‘En nu ben ik dood’. Ze haalt daarin een van de fantastische verhalen van Edgar Allan Poe aan, waarin een hypnotiseur experimenteert op een stervende. De patiënt wordt onder hypnose gebracht, de eerste uren gebeurt er niets, de stervende lijkt te slapen. Dan dooft plotseling de blos op zijn wangen, krijgt zijn huid een lijkkleur en komt uit zijn mond een zwarte, trillende tong te voorschijn. Als de hypnotiseur vraagt of hij slaapt, antwoordt de man met een onmenselijke stem: ‘Ja – nee. – Ik heb geslapen – en nu – ben ik dood.’

Het essay is niet alleen treffend omdat het over de dood gaat. Patricia de Martelaere heeft veel over de dood bespiegeld. ‘Over leven, kunst en dood’ luidt de ondertitel van haar bekendste essaybundel Een verlangen naar ontroostbaarheid (1993). Wie is er bang voor de dood? heette een lezing die apart in boekvorm verscheen. Ze stemde in met Freud, volgens wie het levende wezen één ding wil: terug naar de volkomen spanningsloze toestand van de dood. En ze raakte steeds meer gecharmeerd van het taoïsme, waarin het rad van leven en dood ook onophoudelijk doordraait. De Martelaere interesseerde zich niet zozeer voor de korte tijd dat ze leefde, als wel voor die onvatbaar lange periode dat ze er niet meer zou zijn.

In een van de spaarzame vraaggesprekken met haar vertelde ze dat ze voortdurend in het besef van de dood leefde, dat als ze haar kinderen gedag zei ze altijd bedacht dat het de laatste keer kon zijn: ‘Daarom zeg ik ze bijna altijd gedag vanuit het idee “vaarwel”. Maar niet op een sentimentele manier of zo. (…) Waar het om gaat is dat, juist omdat de dood altijd en overal op ons loert, elk moment “in orde” moet zijn.’

‘En nu ben ik dood’ is echter ook om een andere reden kenmerkend voor het denken van De Martelaere. Een dode die spreekt, die van zichzelf zegt dat hij dood is, dat is volstrekt onmogelijk. Wie ik zegt, wordt verondersteld klaarwakker aanwezig te zijn. De Martelaere ontmantelt, met hulp van Derrida, die veronderstelling: niet aanwezigheid, maar afwezigheid is kenmerkend voor elk spreken. Wie ‘Ik wandel’ of ‘Ik eet’ zegt, is niet aan het wandelen of eten, maar aan het spreken; hij valt als spreker niet samen met degene die wandelt of eet.

Om De Martelaere te citeren: ‘Wie “ik” zegt, of sterker nog, “ik ben mijzelf”, bevestigt hiermee ook onvermijdelijk dat hij niet zichzelf is maar iemand die als het ware van buiten naar zichzelf kijkt. (…) Wie “ik” zegt, zegt dus eigenlijk voluit: “Ik spreek over mij”, of zelfs: “Ik ben niet ik”.’

Het is ongetwijfeld dat filosofische overbewustzijn geweest dat maakte dat De Martelaere weigerde zich aan het gekrakeel van de media over te geven – ‘mediaschuw’ heet je dan meteen. Toen haar roman Littekens in 1990 was genomineerd voor de AKO-prijs, wilde ze bij de uitreiking op tv niet in beeld komen, maar hoe ze ook probeerde weg te duiken, de camera’s roken sensatie. Ze zat nooit aan bij Pauw & Witteman en voorgangers, gaf nooit een human interest-interview, ze wilde zelfs niet over haar literaire werk praten, alleen de filosofe kon om toelichting van haar denkbeelden worden gevraagd. Ze wilde zichzelf niet sprekend wegtoveren. Ze was ook te zeer doordrongen van het adagium van Wittgenstein, een van haar favoriete filosofen: waar je niet over spreken kunt, daarover moet je zwijgen.

VEEL IS ER DAN ook niet over haar bekend. Patricia de Martelaere werd in 1957 geboren in Zottegem, studeerde filosofie in Leuven, promoveerde op het scepticisme van de Verlichtingsfilosoof David Hume en was als hoogleraar wijsbegeerte verbonden aan de universiteiten van Leuven en Brussel. Ze debuteerde in 1988 als romanschrijfster met Nachtboek van een slapeloze en schreef daarna nog vier romans. Haar indrukwekkende liefdesroman Het onverwachte antwoord (2004) kreeg nominaties voor alle commerciële literaire prijzen.

Ze oogstte vooral lof voor haar briljante essays, gebundeld in onder andere Verrassingen (1997) en Wereldvreemdheid (2000), waarin ze peinsde over de grote levensvragen, over liefde, kunst en dood. ‘Patricia de Martelaere is de enige filosofe in dit taalgebied’, schreef dichter Herman de Coninck terecht, ‘die van filosofie niet alleen iets onacademisch, iets begrijpelijks, maar ook iets aangrijpends kan maken. Denken is een ramp. De essays van De Martelaere zijn wanhopige rampenplannen.’

Niet alleen haar essays, ook haar romans waren rampenplannen. Want hoe terughoudend Patricia de Martelaere was tegenover de buitenwereld, zo intens en heftig was de binnenwereld van haar denken en voelen. Ze kon zich best laten verrassen door literatuur die commentaar geeft op het menselijk bestaan, die ons even redt van de moordende vanzelfsprekendheid van het alledaagse leven. Van literatuur die oplucht, die ‘lekker deprimerend is’: ‘Je bent geschokt, je huilt een potje en bent misschien een paar uur van slag, maar daarna voel je je weer prima.’ Maar in haar eigen werk ging ze veel verder. Zij wilde schrijven over het domein waarover je niet kunt spreken. Ze wilde de ‘ongrijpbare’ wereld en de ‘orde der dingen’ tonen en de taal hanteren alsof er geen taal meer is.

Misschien moeten we daarom niet te veel over haar praten, ook niet nu ze er niet meer is, maar haar essays en romans, die moeten we lezen en herlezen.

Advertisements