Escher

Bibeb interviewt Escher: ‘Ik vind wat ik zelf maak het mooiste en ook het lelijkste’

In 1968 gaf M.C. Escher met tegenzin toe aan een gesprek met interviewer Bibeb. Nu, vijftig jaar later, volgt er een documentaire over de wiskundige principes van de kunstenaar. ‘Ik merk wel dat ik te doen heb met iemand die niets van de techniek afweet.’

Door BIBEB
Beeld EDDY DE JONGH
BIJ VN, DOOR HOOFDREDACTEUR WARD WIJNDELTS

Het vraaggesprek dat VN’s meesterinterviewer Bibeb deze maand vijftig jaar geleden heeft met de dan al wereldberoemde graficus M.C. Escher is uitzonderlijk. Zo uitzonderlijk, dat de makers van Escher-documentaire Het oneindige zoeken, Marijnke de Jong en Robin Lutz, ontzettend blij zijn als ze het artikel, dat op 20 april 1968 werd gepubliceerd, onder ogen krijgen. Het is een ‘geweldig open’ gesprek, schrijft De Jong ons, waar ze in de film ‘heel dankbaar gebruik van hebben gemaakt’.

Het uitgangspunt van de documentaire van Lutz en De Jong is een passage uit een brief die Escher in 1969 schreef aan een Amerikaanse verzamelaar: ‘I fear that there is only one person in the world who could make a really good film about my prints: myself.’ Het leidde ertoe de makers enkel eigen woorden van Escher gebruikten om een beeld over diens leven en werk te schetsen. En dat zorgde er weer voor dat onderstaand vraaggesprek een belangrijk onderdeel van de film is.

‘Nee, ik voel er niets voor,’ zei de graficus M.C. Escher toen ik hem vroeg om een interview. En: ‘Goed, als u dat risico nemen wilt’ zei hij, na mijn voorstel toch naar hem toe te gaan en af te wachten, hoe we op elkaar zouden reageren. Wat nu volgt is het resultaat van twee middagen in zijn atelier in Baarn. Dat wordt, net als de rest van het huis, door een grote omringende tuin gescheiden van de weg en de buren. We zitten naast elkaar bij de tekentafel, waarboven, aan een stok, pas afgedrukte houtgravures drogen. Verder hangt nergens werk van hem, ook niet in zit- en eetkamer. Hij verdraagt het niet om zich heen. Op een kast: bollen, kubussen, prisma’s van papier, hout en glas.

M. C. Escher (mager, vrij lang, blik — althans nu — speels, uitdagend): ‘Mijn werk heeft niets met de mens, niets met psychologie te maken. Ik ben veel celebraler dan Willink. Ik wens helemaal niet diep te zijn. Ik weet dat ik in dit werk niets verberg. Als Carel Willink een naakte juffrouw in een straat schildert, denk ik: wat heeft die juffrouw daar te maken? Meneer Willink zegt: in drie dagen smijt ik dat naaktje erop. Waarom doet hij dat? Die rookwolk vind ik wel leuk, een aardig idee, maar die twee naakte juffrouwen, de ene groter en dichtbij, de andere verderop en klein… nee. Dat hij die huizen zo schildert, daarop zeg ik: ja… de gevels maken op mij de indruk van iets lugubers. Het is dus een lugubere straat. Mijn werk is niet luguber. Als je Willink vraagt: waarom zijn die naakte juffrouwen daar, krijg je geen antwoord. Bij mij krijg je altijd antwoord als je vraagt: waarom…’

Ik (wijs in zijn boek ‘M.C. Escher, grafiek en tekeningen’ een prent aan): ‘Waarom zit dat mannetje achter tralies?
‘Het gaat niet om dat mannetje maar om het huis, dat helemaal ónmogelijk is. Ik moest die onmogelijkheid illustreren met figuurtjes, het mannetje is er één van.’
Hij is de enige, die er niet uit kan. Bent u het?
‘Best mogelijk. In ieder geval heeft de jongen op de bank (buiten het kubusachtige huis zonder gevels) alleen aandacht voor de kubus’ (in z’n hand).
Bent u die jongen?
‘Ik ben liever de man met de kubus dan de gevangene, misschien ben ik een projectie van beiden. Maar het gaat mij alleen om het leuke idee: dit is een onbestaanbaar huis, een impossible object.’

Belvédère (1958 Litho), MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Ik, na bladeren in het boek: ‘En dit?
‘Dat heb ik getekend in de gewelven van de St. Pieter in Rome. Hierin ligt het lijk van een bisschop en dat — (grote sprinkhaan, soort Doodbidder, op de borst van het stenen beeld van de bisschop, op de deksel van een sarcofaag) — is een Biddende Jonkvrouw. De vrouwelijke exemplaren eten bij voorkeur zes, zeven echtgenoten op. Kijk, die geweldige grijparmen. Ze zit doodstil te wachten tot een echtgenoot op de proppen komt en daarbij in een houding of ze bidt! Ik dacht, je moet de onzin van het bidden… ’t Is een persiflage, maar ook ernstig bedoeld. Hij kijkt er ernstig bij en zij ontzettend wreed. ’t Is een vreselijke aanstelster, doet of ze bidt… Ze kwam op m’n papier zitten, ik heb haar zo kunnen natekenen.’

Dit heeft toch wel met mensen te maken.
‘Dat is geen goed voorbeeld. Ik heb dit gemaakt op de grens van een nieuwe periode, het valt erbuiten.’
Ik blader in het boek:‘Ik ga er nog eentje uitkiezen.
‘Ik merk wel dat ik te doen heb met iemand die niets van de techniek afweet.’
Waarom?
‘U zegt, ik zal er nog eentje uitkiezen. Wat ik doe is heel iets anders dan schilderen. Willink maakt een eenling. Ik nooit. Ik maak iets om te vermenigvuldigen, omdat dat in me zit.’

DUIZELIG

Deze is vreemd, als je lang kijkt word je duizelig.’
‘Die is interessant. Ik heb die gemaakt in de St. Pieter. Ik zat daar (hoog in de koepel) enige uren lang. Telkens kwamen er vreemdelingen langs, die zeiden: gut wordt u niet duizelig. Dan zei ik ja, dat is juist de bedoeling. Dat is de kwintessens van deze prent. Ik wou het gevoel van duizeligheid uitbeelden. Toen ik die maakte wist ik niet, dat waar verticalen samenkomen je in het nadir kijkt.

U bent knap in wiskunde, he?
Escher schiet in de lach: ‘Helemaal niet. Ik heb er nooit voldoende voor gehad. Het leuke is, ik schijn wiskundige theorieën aan te snijden zonder het zelf te weten. Nee hoor, ik was een heel dom jongetje. Ik heb een ellende gehad op de burgerschool. Het enige lichtpunt was de tekenles, niet omdat ik zo goed tekenen kon, maar omdat het het enige soelaas was in een afschuwelijke tijd. En te denken dat wiskundigen hun boeken illustreren met mijn plaatjes. En ik met al die wijze mannen omga als frère et compagnon. Men denkt altijd dat mathematici stoffige oude heren zijn. Ze zijn vrolijk, kinderlijk, erg speelzuchtig, met al hun dikke koppen die barsten van de kennis zijn het kwajongens.’

Denkt u nog wel es aan die schooltijd?
‘Ik heb nog tien jaar daarna angstdromen gehad.’

Mathematici zijn vrolijk, kinderlijk, erg speelzuchtig, met al hun dikke koppen die barsten van de kennis zijn het kwajongens.

Werd u gesard?
‘Nee, de leraren plaagden me niet, maar de angst niet mee te kunnen. En als je nu bedenkt dat grote wiskundigen mijn werk interessant vinden, omdat ik in staat ben hun theorieën te illustreren. Ze kunnen zich helemaal niet voorstellen dat ik zo slecht was in wiskunde. Ik snap er zelf ook niets van. Ik begreep niet dat je iets moest bewijzen wat iedereen ziet. Ik zag het, ik wist, het is toch zo… Maar jawel hoor, je moest het bewijzen. Ik ben er bovenuit gekomen toen ik me realiseerde, dat ik wat anders kon. Ik dacht, dat ik een nietsnut was.’

Hoe deden ze thuis?
‘Ik kom uit een milieu waar geen artiesten in waren en ja, dat heeft wel m’n werkkracht gestimuleerd, ik wou tonen dat ook een artiest, nou ja, ik heb een hekel aan dat woord, het wel een eindje schoppen kan. Ik was een rare eend in de bijt, he? ’t Is gewoon een kwestie van zelfvertrouwen. Mijn zoons zijn alle drie exact ontwikkelde mensen. Ze vinden het niet zo geweldig wat ik maak. Ze hebben gelijk. Een wetenschaps-mens is betrouwbaar, een artiest niet. Wij hebben geen normen. Als een man van de wetenschap iets doet wat niet goed is, wordt hij op z’n vingers getikt. Kunstenaars doen maar wat. Op enkele uitzonderingen na, zoals Dali, daarvan zie je dat ie wat kan, afgezien van het feit dat hij gek is.’

BEELDHOUWERS

‘Deze twee in de lucht zwevende spiralen die een geheel vormen en het hoofd van een man en een vrouw weergeven is luguber.’
Helemaal niet. Ik heb eerst die (een spiraal waarop de ogen, mond, het voorhoofd van een vrouw) gemaakt maar ik kan niet goed hebben dat iets wordt afgesneden. Ik dacht, waarom is dat mens hier afgesneden? Toen heb ik die twee gemaakt, die een eindeloosheid hebben. ’t Is ook bedoeld als reactie tegen beeldhouwers. Ik zie daar een beetje op neer, nee dat is niet goed gezegd, beeldhouwers zijn te beperkt. Ze denken zelf dat het heel wat is, maar boetseren kan iedereen. Tekenen is veel moeilijker, veel onstoffelijker.

Band (1956 Litho). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Wij kunnen veel meer suggereren. Ik heb deze in ’35 gemaakt. Toen keek geen mens er naar om, nu verkoop ik ze nog voortdurend, vooral naar Amerika — Ik kan van m’n werk onbegrijpelijk veel verkopen. Ik zou miljonair kunnen, zijn. Als ik in m’n atelier assistenten had, die ik zou laten werken, zouden ze de hele dag houtsneden moeten afdrukken om aan de vraag te voldoen. Ik denk er niet aan. Wat moet ik met het geld? Ik heb drie zoons, die hebben het goed. Nog meer centjes, daar kunnen ze alleen maar slecht van worden.’

‘Sinds wanneer kunt u zoveel verkopen?’
‘’t Wordt hoe langer hoe erger. Sinds zes, zeven jaar is het nijpend, kan ik het lang niet aan. Vooral na m’n boek, maar al vóór die tijd ging het aardig.’

Hoeveel vraagt u voor een afdruk?
‘Vierhonderd gulden, dat is eigenlijk te weinig omdat de vraag te groot is. Van deze alleen al (zijn bekende Dag en nacht: witte en zwarte vogels die elkaars achtergrond vormen boven een wit dag en een zwart nachtlandschap, tevens elkaars spiegelbeeld) kunnen de Amerikanen niet genoeg krijgen. Het gaat maar door. Er wordt wel gevraagd hoe groot de oplage is. Er is geen oplaag. Ik druk bij zolang ik kan. Het gaat hier om de idee van de vlakvulling door object en achtergrond. Je kan niet zowel die witte als de zwarte vogels zien. Néé, dat kunt u niet.
Ik heb het met een oogarts erover gehad. Onze ogen zijn gewend aan het fixeren van een bepaald object, op dat moment is alles eromheen achtergrond. Als ik u aankijk, zie ik niet tegelijk die kast. Het is zeker niet diepzinning.’

Dag en nacht (1938, Houtsnede). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Was u opgewonden door die vondst?
‘Ja. Ik was veertig, dat is de leeftijd waarop de meeste mensen het scherpst zijn. Het is wel een piek in het menselijk leven. Het was een heel rijke tijd voor mij. Ik was toen uit Italië weg. Ik was het Italiaanse landschap, de architectuur kwijt en er moest iets anders voor in de plaats komen… Dat stimuleerde het ontstaan van innerlijke beelden.

Mijn vader leefde toen nog, hij is 96 geworden. Hij schudde z’n wijze hoofd van ingenieur. Ik kom uit een familie van exact ontwikkelde mensen, hij vond het métier van mij maar zo zo… Hij heeft nooit geweten dat het een geldbron zou zijn. Het is gewoon een bankbiljet. Je drukt het af en dan krijg je er zoveel voor. Een grote lap bankbiljet, ’t is eigenlijk gewoon geld drukken. Ik doe het met een benen lepeltje. Ik gebruik geen pers. De ouwe Japanners deden het ook zo. ’t Is veel beter maar het duurt veel langer. Maar ’t is ook het behoud van de plank. Na dertig jaar is die nog uitstekend.’

Hoe ging het toen u niets verdiende?
‘Mijn ouders waren gelukkig vermogender dan die van vele collega’s. Moeite om aan de kost te komen heb ik nooit gehad. Ik heb nooit armoede gekend, ik kon doorzetten wat ik zelf wou… Maar zelf wist ik de waarde er helemaal niet van.’

WILLINK

‘U had het daarnet over Willink.’
‘Ja, ik bewonder z’n vakmanschap. Het valt me een beetje van hem tegen dat hij zoveel aandacht aan seks schenkt. Maar ja een mens is zoals hij is en Willink heeft getoond dat hij wat kan. Ik heb een vriendje dat seks ook zo verschrikkelijk belangrijk vindt, maar de ontwikkeling van de menselijke geest gaat ver boven de seks uit. Ik vind al die artikelen over sex, daar zit iets hinderlijks in, een grote overdrijving. Net of er niets anders bestaat.’

Natuurlijk, lichaam en geest zijn één, natuurlijk. Goed, ik ben er een beetje af, niet alleen door m’n leeftijd. Ik ben voor de vierde keer in m’n buik geopereerd, dan (lacht) praat je wel anders hoor. Het is voor mij nu een gesloten terrein. Hoe het vroeger was, komt niet ter sprake. Ik vind seks, ach al deze dingen nu een beetje belachelijk. De mensen denken dat alles erom draait… Mijn werk is er los van. Nu kan je zeggen ouwe steriele kerel… maar er zijn vele andere aandriften.

En ik kan wel medelijden hebben met Willink. Ik sta op een ander plan nu, terwijl hij, naar ik begrepen heb, er nog midden in zit. Kort geleden ben ik geïnterviewd door iemand van een Engels blad. Ze hadden het per brief aangevraagd. Ik wist niet wie er komen zou. Het bleek een hippie te wezen. Een heel aardig hippie, in een leren rokje tot hier, zwart leren billen. Ik moest er zo om lachen. Ze heeft een leuk stuk geschreven, ook met kritiek hoor. Nou, ze vond me om te zien een negentiende-eeuwse figuur, burger lijk… ik begrijp dat wel, zo’n kind komt uit Londen in het ingeslapen Baarn…

Ik heb het hier (de drukproef), ze schrijft… his goaty beard… Ze vond me een ouwe vent met een geitesik. En gisteren kreeg ik bezoek van Engelse artiesten, een man en een vrouw. Hij uitgedost als paljas, helemaal in blauw en rood. Zij met hele kringen om de ogen. Wel leuk hoor. Love- innetjes. Kwamen bloemen aanbieden. Ik begrijp het niet. Aan de ene kant waarderen ze mijn werk, terwijl ik niets zie in wat ze nu maken. Ik wandel steeds in raadselen. Er komen telkens jongelui die zeggen: u maakt ook opart. Ik weet helemaal niet wat het is, opart. Dit werk maak ik al dertig jaar lang.’

Ik begrijp het niet. Aan de ene kant waarderen ze mijn werk, terwijl ik niets zie in wat ze nu maken. Ik wandel steeds in raadselen.

Voor welke buitenlandse bladen bent u nog meer geïnterviewd?’
‘In Time en Life heeft een artikel over me gestaan. Ik vroeg de journalist, wat krijg ik daar nou voor. Die man zei: ik betaal geen cent, maar je zal er van horen. En er kwamen brieven uit de hele wereld, tot uit Honoloeloe toe. Nog steeds trouwens.’

Dr. L. Gans zei dat u als lastig bekend staat.’
‘Hij heeft me gevraagd voor die Bols Taverne. Maar dat wil ik helemaal niet. Dat is voor jonge kunstenaars die het moeilijk hebben. Lastig, ja, kunsthandelaars vinden mij lastig. Ik doe het allemaal zelf he, wat heb je aan zo’n tussenman. Ik heb maar één prijs, dat betekent dat de kunsthandel duurder moet zijn. Nou weet ik wel, die mensen moeten ook leven, het is een métier. Of métier, het is gewoon winkeliersmentaliteit. Zo geweldig bewonderen kan ik het niet. Ze hoeven zich er niet op te laten voorstaan, wij doen het.’

ROTLACHEN

Hebt u de tentoonstelling van Rauschenberg gezien?’
‘Daar weet ik niets van. Een vriend zei, ga mee, dan lach je je rot. Ik ben er niet geweest. Ik weet niet waarom je je rot lacht. Willink zegt dat De Wilde voor één ding honderdduizend gulden wou geven. Dat in Nederland dergelijke toestanden worden geduld, dat ze door de museummensen worden geduld is onaannemelijk. Ze zijn stapelgek. Het is het sprookje, de kleren van de keizer. Hele volksstammen gaan mee… Maar ik wil het niet te erg veroordelen. Ik weet het niet, ’t is een gesloten deur voor mij.’

Heeft het Stedelijk werk van u?’
‘Heel weinig. Boymans wel, een flinke collectie. Sandberg voelde er niks voor. Zag terecht, dat het niet modern was. ’t Kan mij helemaal niet schelen. Ik kan op dit moment toch niet aan wat ze vragen. Mijn lange prent Métamorfose komt nu zes maal vergroot geschilderd op de postkantoormuur in Den Haag. Ik moest er drie meter bij maken. In totaal zijn er nu zeven, dat wordt twee-en-veertig meter. In zwart, wit en kleur. In juni is er al een stukje te zien, dat zal dan groeien… ’t Kost verschrikkelijk veel geld. Ik ben óók niet goedkoop. Ik vind het op m’n ouwe dag een soort zwanezang. Ik heb aan de drie meter, die erbij moesten, een half jaar gewerkt.

Zwarte en witte blokken veranderen in salamanders, die honingraten worden, daarna larven, bijen, zwarte vogels, terwijl uit de achtergronden witte vissen ontstaan die in de tegengestelde richting zwemmen.

Ik had wel sterk de idee, kan ik het wel volbrengen… Ik ben vier keer geopereerd, de laatste keer in Toronto en het verdomde lichaam moet je iedere dag verzorgen, dat kost tijd. Metamorfose heb ik dertig jaar geleden gemaakt, gek dat men er weer op terug komt …Ir. Bast, toen nog directeur-generaal van de PTT, had gezegd, als je mij een plezier wil doen, nemen jullie een ding van Escher. Hij had het in zijn vergaderzaal en als hij zich verveelde, keek hij ernaar. Hij zei, ’t is leuk voor mensen die in de rij staan, dan zien ze vogeltjes, vissen… Kijk.’

Escher rolt de zeven meter lange prent uit. Zwarte en witte blokken veranderen in salamanders, die honingraten worden daarna larven, bijen, zwarte vogels, terwijl uit de achtergronden witte vissen ontstaan die in de tegengestelde richting zwemmen.

‘Zodra je het een oogje geeft begint het te leven en als je het een bek geeft, is het al een dier. Hier veranderen vogels in ruiten, dan wordt het plastisch, kijk kubussen, een huisje, een stad. Het aardige van de opdracht was, dat het m’n eigendom blijft. Ik mag het verder verkopen. Ik heb het in z’n geheel al naar Amerika verkocht.’

PSYCHIATER

De stad verandert in een schaakbord. Schaakt u?
‘In Zwitserland zaten we ’s winters opgesloten in de sneeuw, daar was ik lid van een schaakclub. Ja, wat moest ik doen in die ellendige sneeuw. Daar heb ik die rare ideeën gekregen van vogels, vissen, lucht, water.’
Nachtmerrieachtig.’
‘Dat is helemaal voor jullie verantwoording. Ik heb nooit bij een psychiater op de stoel gelegen. ‘’t Heeft ook iets van toveren. Houdt u van sprookjes?
‘Vroeger heb ik veel van Grimm gehouden. Als kind, ook als jongen was ik er enorm door gegrepen. Nu herlees ik The Hobbit, van Tolkien, de tocht van die dwergen. Er is geen werkelijkheid bij. Waarom (blik van alle speelsheid ontdaan) moet je net je neus gedrukt worden op die ellendige werkelijkheid. Waarom mag je niet spelen.’

Waarom vraagt u dat?
‘Soms heb ik het gevoel: mag dat nou wel. M’n werk is niet ernstig genoeg. Als je dit doet, terwijl op de tv die afschuwelijke Vietnam geschiedenis… Ik heb vrienden, toneelmensen, die woedend zijn omdat ik niet meega naar de schouwburg. Ik heb een keer ‘De dood van een handelsreiger’ gezien, een prachtig stuk, maar ik wil er niet meer heen. Daarom leef ik niet. Het leven is ellendig, dat weet ik ook wel. Ik lig niet voor m’n plezier wakker. Ik slaap slecht, als ik wakker lig neem ik The Hobbit. Die beschrijvingen zijn zo echt alsof hij er zelf heeft gewoond.

Ik leef helemaal in dat bos met de spinnen, dat is ook een werkelijkheid: géén werkelijkheid. Ik weet niet goed wat ik beginnen moet met de werkelijkheid, m’n werk heeft er niets mee te maken. Ik weet dat het fout is. Ik weet dat het je plicht is om mee te douwen, mee te helpen opdat het zich alle maal ten goede keert. Maar ik ben niet geïnteresseerd in de mensheid. Ik heb een grote tuin om me al die lieden van het lijf te houden. Maar in m’n gedachten komen ze binnen. Roepen ze: wat moet jij met die grote tuin. Daar hebben ze gelijk aan. Maar ik kan alleen werken als ik niet merk dat ze er zijn.

Ik voel niet zo broederlijk. Ik heb een stuk of drie, vier vrienden nog van de burgerschool in Arnhem. Die zoek je dan uit, omdat ze bij je passen. Ik heb ze niet losgelaten. Sommigen zijn dood.’

HOLLAND

Een bewonderaarster van u zei: aan z’n werk te zien zou je zeggen dat hij wreed is.
‘‘t Heeft niets met wreedheid te maken. Misschien is ze boos dat ik niet genoeg van de mensen houd, hen afwijs. Het kan ook een soort angst zijn voor de mens. Ik was als jongen erg kwetsbaar. Daar komt bij, hier in Holland mag niks. Ik herinner me dat ik in Den Haag liep met een rol tekenpapier onder m’n arm. Plotseling riep iemand in m’n gezicht: Ik met me rol! En hoe vaak ik niet uitgescholden ben: vanwege m’n sikje. Bè roepen ze, bè.’ Lacht. ‘M’n zoon is erg anti-Hollands. Ik ben het op mijn manier ook wel.’

Hoe kwam u op dat dier met vier mensenvoeten. U noemt het Wentelteefje, het loopt trappen op en af en als het haast heef kan het zich oprollen.
‘Dat idee kreeg ik toen ik op de fiets zat. Ik dacht, wat idioot, nou rol ik met wielen over de grond, dat gaat veel makkelijker dan te voet, dat knippen. God heeft vergeten dat wiel te maken, dat is stom geweest, daarom moet ik het maar doen. Ik heb het beest eerst moeten boetseren. Daarmee heb ik nooit moeite, met tekenen wel, dat kan ik niet goed, dat vind ik verschrikkelijk moeilijk, tekenen.’

(1951 Litho). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Hij neemt uit een kist drie Wentelteefjes van klei in gestrekte, in halve en helemaal opgerolde houding. Zet er een verdroogde kikker naast en een enorme mier van klei, op een gasplaat.

‘Willink weet niet waarom hij die naakte juffrouw in de straat zet, maar ik heb die mier gebuikt omdat een mathematicus uit Engeland me schreef: als je plannen hebt om een hand van Möbius te maken, dan moet je, om te illustreren dat die band maar één oppervlak heeft, er een mier in zetten, want die loopt maar door. Deze heb ik heel goed bestudeerd. Ik had hem uit het bos. Hij liep als een razende rond, na drie dagen was hij dood en een goed model. Nog voordat hij verkrampt was, heb ik hem vastgelijmd aan de pootjes. Het gekke is, het is geen echte mier, maar een grote Haarboskever. Toch zat hij in een mierenhoop, wat deed hij daar? Dat hij geen mier is zie je aan die knobbel. Meneer Hillenius zal dat leuk vinden. De knobbel heb ik eraf gelaten natuurlijk. Neemt van de stok boven m’n hoofd een prent waarop de Band van Möbius, in de vorm van een brede achtbaan, waarin zeven grote rode mieren kruipen. En toont de drie planken die voor deze afdruk nodig zijn, één voor het zwart, het rood en het grijs.

Band van Möbius II (1963, Houtsnede). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Vroeger wist ik niet wat tijd was, ik ging maar door. Daar bestond mijn leven uit. Uit weinig meer dan dat. Nu, als ik met iets bezig ben, heb ik angst, denk ik elk ogenblik, misschien is het het laatste, tussen twee prenten in vind ik zelfmoord een aardige gedachte. Ik zou een club op willen richten van zelfmoordenaars. Alleen na je zeventigste kan je lid worden en het moet onder leiding staan van een medicus. Het mogen er niet te gek veel zijn. En zo nu en dan zegt eentje: het moet gebeuren. Dan wordt hij om zeep geholpen.

Als ik met iets bezig ben, ben ik als de dood om dood te gaan. Stel je voor, dat ik het niet klaar kan krijgen. Het zou geen verlies zijn, maar wèl voor mij. Als het af is, zie ik wat in de zelfmoordclub. Op dit ogenblik niet. Nee. Nu wil ik beslist niet dood.’

WIT-ZWART

‘De naam Wentelteefje is bedrieglijk, het is een somber dier, en het staat voor niets.
‘Er is niets dat zich rollend kan voortbewegen in de natuur, alleen een egel als je hem een trap geeft. Ja, dat wiel heeft onze lieve heer vergeten te maken, een stommiteit van onze lieve heer. Net of hij zo lief is. God kan er alleen zijn als er als tegenpool de duivel is. Dat is het evenwicht. Die dualiteit vind ik persoonlijk wel heel treffend. Maar dat schijnt ook niet te mogen. De mensen worden over dit soort dingen zo diepzinnig, dat je er al heel gauw niet meer bij kan. Terwijl het is zo simpel, wit-zwart-dag-nacht, de graficus leeft ervan.’

U zei dat u zo cerebraal was, ik merk het niet erg.
‘Ik ben met passie gaan werken toen ik ontdekte, dat ik zelf dingen had, die eruit moesten, dat ik iets kan uiten wat een ander niet heeft. Dat begon in Zwitserland met die domme bergen. Italië, het landschap, de mensen, die zeggen me wat. Zwitserland niet en Holland nog veel minder. We zijn noodgedwongen naar Zwitserland gegaan in ’34.

Van Mussolini’s fascisme hadden we als vreemdelingen geen last maar toen onze eigen zoon op school zo’n pakje aan moest trekken, néé…

Ik heb veel kameraden die zweren bij Picasso. Die zouden niet zonder Picasso kunnen leven, ze gaan ervan uit: hij heeft dat gedaan en wij gaan erop dóór.

Je moet eerst een heleboel opslurpen van je omgeving en dan gaat het erom het eruit te halen. Wat in je is moet eruit.

Maar ik begon met niks. Diertjes in mekaar zetten, uitknobbelen tot ze samen het vlak vullen is iets, wat anderen niet hebben gedaan. Ik moest het helemaal zelf doen, dat kost inspanning, geduld, tijd. En het wordt moeilijker naarmate je ouder wordt. Want dan word je minder gegrepen door het denkbeeld, dat je wilt uitvoeren. Dan ga je meer tijd verbeuzelen. Ze zeggen Escher heeft allerlei dingen uitgevonden, die vlakverdeling, dingen die speciaal van mij zijn en een beetje buitengewoon zijn misschien… Maar die zijn er door de gunstige omstandigheden uitgekomen. Ik had het voorrecht behalve ontwikkelde ook vermogende ouders te hebben. Ik ben niet als Vietnamees geboren. Je moet eerst een heleboel opslurpen van je omgeving en dan gaat het erom het eruit te halen. Wat in je is moet eruit.

Vandaar al die mensen, die prentjes van me kopen… ik zeg altijd: maak toch zelf wat… Probeer wat, doe zelf wat. Het irriteert me. Ik vind het lief, dat ze er echt centjes voor over hebben. Dat is (lacht) de enige norm die je hebt. Zonder centjes kan het niet. Ik krijg hier mensen van wie ik weet, dat ze het moeilijk kunnen missen en het er toch voor overhebben. Dat is een prettige gedachte… De enige norm is het stomme geld. Er zijn zulke aardige mensen bij, jonge architecten… Het brengt ze misschien toch op gedachten. Irriterend vind ik het als mensen slijmerig doen. Dames, die zo hemels gaan kijken. Dan denk ik: wat bezielt jullie toch.’

‘Misschien willen ze worden gepakt?’
‘Natuurlijk, ze willen gewoon gepakt. Die houding maakt me boos. Maar als ik ze niet had, zou het ook weer fout zijn.’

SCHUW

‘Gaat u vaak uit?’ 
‘Nooit, hoogstens naar het bos en alleen. Ik beleef het pas als ik helemaal alleen ben. Niet gehinderd door een vervelende vent of juffrouw die naast je loopt. De Kring? Ik weet niet eens waar die is in Amsterdam. Ik zou er veel te verlegen zijn, me moeilijk bewegen. Geen sprake van… Ik vind het heel vervelend … artiesten. Nee, ik heb nooit plezier gehad in uitgaan.
Met m’n werk moet ik alleen zijn. Ik kan niet hebben dat er iemand voorbij m’n raam komt. Daarom heb ik die tuin. Ik ben geluidschuw en bewegingschuw. Zoals Willink over die portretten sprak, ik kan het me wel voorstellen. Een portret maken kan ik psychisch niet aan. Zo’n vent die voor je zit, zo’n persoon is veel te hinderlijk voor mij. Ik heb alleen een heel enkele keer een portret van mezelf in de spiegel gemaakt. De mensen maken me gauw in de war.’

U maakte er een van uw vader.
‘Van m’n vader hield ik veel. Dat was een heel rustig model waar ik niet bang voor was. Hij was vijfenvijftig toen ik geboren werd, hij heeft altijd grote indruk op me gemaakt. Ik lijk op hem. Hij was ook een eenzame, zat veel in z’n kamer.’ (zucht).
Bent u nu heel anders dan vroeger?
‘Nee, ik denk eigenlijk dat ik helemaal niet ouder ben. Ik blijf jong. Ik word niet volwassen. In mij is het kleine kind van vroeger en ook de scherpte van geest van m’n zeventiende tot twintigjarige leeftijd. De gesprekken die we toen hielden over het leven, die waren niet mis hoor.’

Waarover? Sociale misstanden?
Escher lacht. ‘Néé. Ik geloof niet zo erg in het medelijden hebben met mekaar. De hele goeie uitgezonderd en die praten er niet over.’
De liefde?’
‘Helemaal niet. Mijn vader probeert me in een hoek te drukken, waar ik helemaal niet in wil. We spraken over waarnemingen… Een bakkersjongen in een straat, als hij de hoek omslaat, is die jongen weg maar als hij fluit, is hij er nog. Dat soort ideeën, mysteries. Je moet je blijven verwonderen, daar gaat het om.’

Ik ben alleen geïnteresseerd in wat ik zelf doe. Ik voel me sterk gevleid als wetenschapsmensen m’n werk goed vinden, maar het oordeel van een andere artiest doet me niks.

Komt u wel es in het Stedelijk Museum?’
‘Nooit. Ik vind veel leuker wat ik zelf maak. Ik ben alleen geïnteresseerd in wat ik zelf doe. Ik voel me sterk gevleid als wetenschapsmensen m’n werk goed vinden, maar het oordeel van een of andere artiest doet me niks. ’t Is ook geen kleinigheid, een man van de wetenschap te zijn. Goed, ze zitten ook gevangen in hun eigen weggetje. Ik zit ook gevangen in m’n eigen weggetje. Als kunstenaar moet je beperkt zijn, moet je deuren gesloten houden en je eigen weggetje gaan. Als ik met iets bezig ben, denk ik, dat ik het mooiste van de wereld maak. Als iets gelukt is zit ik er ’s avonds verliefd naar te kijken.

Een verliefdheid die ver boven verliefd zijn op een mens uitgaat. De volgende dag gaan je oogjes wel weer open. Ik vind wat ik zelf maak het mooiste en ook het lelijkste.’

Lange stilte.

ONEINDIGHEID

‘Tal van gedachten heb ik willen uiten. Dit (een cirkel waarin reeksen vissen die naar het midden toe steeds kleiner worden) is een van de pogingen de oneindigheid te bereiken voor die dieren. Ze worden oneindig klein… maar heel gauw komt het einde. Dan zijn de ogen niet goed genoeg, het hout niet hard, het mes niet scherp genoeg. Maar hier heb ik het andersom gedaan, dat is interessanter.

Hier, (de vissen worden naar de omtrek van de cirkel toe steeds kleiner en vormen daar een dichte rand) de hele wereld zit erin. Dit is de limiet, die harde rand is een diepe treffer, het zout der aarde. Dit is een geslaagde poging de oneindigheid in beeld te brengen. Ik heb hier dingen aangeroerd die professor Coxeter trachtte te gieten in formules. Ik heb met hem gecorrespondeerd, hij schreef brieven met ellenlange formules, waarvan ik niks begreep.

Op zijn verzoek heb ik een college bijgewoond in Toronto voor graduates en professoren. Hij begon driehoeken te tekenen en allemaal ronde lijnen. Ik zat erbij als een stom varken. Maar ik kan het wel tekenen.’ (Stem is zachter, maar heel hevig). ‘Dit is zeer boeiend en erg abstract. Daar kan ik met zo’n passie naar kijken. Daar ben ik van bezeten.’ (zucht) ‘Ik geloof dat dit wel het aardigste is van m’n hele werk. Dit heeft alles te maken met de regelmatige vulling van een vlak. De dingen die ik wil uiten zijn zo prachtig en zuiver.

En dit (kubische ruimteverdeling) al deze dingen geven een groot vermoeden van diepte. Hier zijn allemaal gaten in. Hier, een heel diep gat. Maar je zou het moeten buigen en dan zou je er een gebogen heelal van kunnen maken. Ik heb aan dit perspectief dagen en dagenlang getekend. Die lijnen lopen maar door, lopen maar door… En dit is een knoop, een moeilijke knoop, daar heb ik maanden aan geklungeld. Een heel stuk wiskunde is op die figuur gebaseerd.’

Tajiri maakt ook knopen.’
Escher, kwaad: ‘Die doet maar wat. Zonder er iets van te snappen. Dat is een sensitieveling, verder niks. Ik kan absoluut niet van gedachten wisselen met zo’n man. Pas als ik die knoop bespreek met wiskundigen heb ik er wat aan. Dat kan niet met meneer Tajiri. Nee, dat vind ik het ergste. Zo’n man zegt maar wat, dat kan je helemaal niet controleren. Meng je niet met die lui, doodgevaarlijk, die kunstenaars. Ik heb deze knoop in zilver…’

Hij gaat weg. In de gang hoor ik hem fluiten. Komt terug, legt een kleine zilveren knoop in mijn hand. ‘M’n drie schoondochters hebben hem alle drie van goud:’ Neemt de zilveren terug. Fluit in de gang.

Ik dacht dat de wetenschap volkomen buiten de wereld staat. Het heeft met het menselijke niets te maken.

POLITIEK

Die grote mathematici die u kent, interesseren die zich voor politiek?
‘Daar heb ik met hen nooit over gesproken. Maar ik dacht dat de wetenschap volkomen buiten de wereld staat. Heeft met het menselijke niets te maken. Ik ben te dom om als wetenschapsmens te leven, ik verwonder mij. Ik ben ook geen kunstenaar. Ik zweef tussen de wiskunde en de kunst. Ik speel een vermoeiend spel.’

Hebt u kunnen werken in de bezetting?
‘Ja. Ik woonde toen hier. De belangrijkste ideeën zijn het verst ontwikkeld in de oorlog.’ Ik heb nog steeds ‘de grootste moeite met de moffen. Duits kan ik niet horen. Ik was niet bij het verzet betrokken, maar ik had veel joodse vrienden, die vermoord zijn. Mijn oude leermeester De Mesquita. Hij wou niet onderduiken. Ze waren Portugese joden en de moffen hadden altijd gezegd, die behoren tot de elite. Op een nacht zijn ze met z’n allen weghaald. Zijn zoon Jaap, een knappe jongen, werkte dag en nacht… Hij ging vaak naar de moffen toe om met hen te spreken over z’n voorouders. Ze waren niet van adel maar toch bijna…

Op een slechte dag waren ze opeens weg. In ’44, in de hongerwinter. Ik wou wat brengen, appels… Ik ben hun woning ingelopen. De ramen waren kapot op de eerste verdieping. De buren zeiden: weet u het niet. De Mesquita’s zijn weggehaald. Dit (een tekening) lag op de vloer met de spijkerafdrukken van de laarzen van de moffen erin. Het lag onder de trap. En in z’n atelier was alles overhoop, alles op de grond. Tweehonderd prenten heb ik mee naar huis genomen. Later zijn die tentoongesteld in het Stedelijk Museum. Wertheim van ‘Kunstbezit’ heeft hem nog als metgezel gehad in Westerbork. Wertheim is de dans ontsprongen, de De Mesquita’s zijn weggevoerd.

Nu kan je wel hoog of laag springen, die dingen zijn niet te vergeten. Ik kan het niet. Ik heb nog steeds de grootste moeite met die moffen. Midden in de nacht weggevoerd. Hij zwaar ziek. Midden in de nacht weggehaald. En hij had gered kunnen worden. Ik heb zo bij hem aangedrongen. Nee, hij werd beschermd zei hij. Waarom zou hij onderduiken? Later heb ik me zelf verwijten gemaakt, maar ze wilden niet. Jaap had bij die besprekingen met de moffen er allerlei stambomen bij gehaald. Ze waren van halve adel. De moffen vonden dat indrukwekkend. Ze, kwamen hun huis bijna niet uit. Verschrikkelijk hoor, zulke lieve mensen, als geslacht vee weggevoerd.

Hij schijnt nu weer in de mode te komen. Dit jaar is z’n honderdste geboortedag. Er komt een tentoonstelling van hem in Den Haag. Hij was zwaar ziek, heel broos, maakte elke dag een tekening met de vulpen.

Ik heb veel aan hem te danken. Hij was mijn leraar in de grafische technieken aan de School voor Bouwkunde en Sierende Kunsten in Haarlem. Hij zag wat in mijn houtsneden. Heeft doorgedrukt dat ik daarin doorging. Als hij niet met m’n ouders gepraat had, was ik verder gegaan met bouwkunde. En ik heb nooit enige zin gehad in huizen bouwen. Wel in gekke huizen.’

deel dit verhaal

Lees verder

De gekoesterde geheimzinnigheid van Bibeb

In 2016 verscheen het boek De gouden jaren van het linkse levensgevoel: het verhaal van Vrij Nederland door John Jansen van Galen. Wij vroegen oud-redacteuren van VN naar hun favoriete verhaal. Eindredacteur Martje Breedt Bruyn deed jaren lang poging na poging het mysterie Bibeb te ontrafelen. Vergeefs.

andere verhalen
Advertisements