‘Liefde komt niet ineens terug als de dood nadert’

Eva (69) wilde na ruim veertig jaar huwelijk scheiden; en toen werd haar man ziek.

Door: Corine Koole

 

‘Liefde komt niet ineens terug als de dood nadert’

‘Het was op een zondagochtend begin 2015. Mijn man en ik zaten rechtop in bed tegen de kussens, toen ik tegen hem zei: ‘Ik hou niet meer van je, ik ga weg.’ Mijn man begreep er niets van. Hij wilde weten waarom. Drieënveertig jaar waren we getrouwd geweest en nu wilde ik plotseling alleen verder? Hij was niet radeloos. Eerder van zijn à propos. En na een tijdje vroeg hij: ‘Hoe vertel ik dit de mannen van de tennisclub?’ Zelf voelde ik grote opluchting, eindelijk had ik de knoop doorgehakt. Ik begreep zijn verbazing wel, we hadden geen slecht huwelijk in de zin van ruzies en scheldpartijen. Het was meer dat we elkaar, zo kwam het me voor, emotioneel niet langer nodig hadden. Sinds mijn man niet meer werkte, voelde hij zich afgeschreven en was hij erg negatief. Hij hoefde de krant maar open te slaan ‘s ochtends of het mopperen begon. Een paar jaar ervoor, toen het plotseling bergafwaarts ging met zijn bedrijf, hadden we alles moeten verkopen, tot ons huis aan toe. Dat had hem geknakt. Het beeld van zichzelf als de creatieve grote man paste ineens niet meer, en het lukte hem niet daar een ander, bevredigend beeld voor in de plaats te zetten. Op de een of andere manier was de melodie uit ons huwelijk. Wij waren een gewoonte geworden waarin we elkaar de kleinste tekortkomingen zonder stemverheffing verweten. Zijn reacties op mijn avondjes uit met vriendinnen bijvoorbeeld verliepen altijd volgens hetzelfde patroon: eerst ging hij ongerust bellen waar ik bleef en dan werd hij kwaad omdat ik het zonder hem naar mijn zin had. Veel zinnen begon hij met: ‘Had je niet even…’ of: ‘Kon je niet beter…’ Een paar keer heb ik gesuggereerd een relatietherapeut te raadplegen, maar dan haalde hij getergd zijn schouders op en maakte een afwerend gebaar. Die zondagochtend, halfzittend in bed, zei ik: ‘Misschien vraag je je af waarom nu. Het antwoord is heel eenvoudig: nu zijn we nog net jong genoeg om kans te maken op een nieuw leven, over tien jaar niet meer.’

De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik op dat moment al een tijdje aan het zoeken was naar een appartementje. Het klinkt misschien cru, maar in feite was dit huwelijk een vergissing van ons beiden. Toen ik er in zat, zag ik dat maar half. Ik werkte in zijn bedrijf en inzien dat ons huwelijk niet genoeg voorstelde, zou verregaande consequenties hebben gehad. Noem het opportunisme, lafheid of gewoon verantwoordelijkheidsgevoel voor onze economische eenheid en het gezin. Het heeft me jarenlang gekost om de moed die nodig was voor dit enorme besluit bijeen te rapen. En nu het zover was, werd ik niet geraakt door verdriet; noch door het mijne, noch door dat van hem. De kogel was door de kerk en hij trok als reactie een muur op en concentreerde zich op de praktische afhandeling. In afwachting van mijn verhuizing bleef ik bij hem wonen, toen hij op een avond enorme buikpijn kreeg. De volgende ochtend meldde hij zich bij de huisarts; even later bleek in het ziekenhuis dat hij blindedarmontsteking had als gevolg van een tumor aan zijn darm die zo groot was dat uitzaaiingen waarschijnlijk leken. Ik herinner me hoe ik na de operatie aan zijn bed zat, de artsen hadden ons zojuist het slechte nieuws verteld. Ik zei, niet uit misplaatst altruïsme, maar eerder uit diezelfde functionele vanzelfsprekendheid waarmee we jaren getrouwd waren geweest: ‘Maar dan blijf ik natuurlijk bij je om voor je te zorgen.’ Mijn man keek me aan en knikte.

‘Je zieleheil is je dus meer waard dan je aardse geluk.’

Vanaf dat moment waren we weer man en vrouw, zoals we de drieënveertig jaar ervoor waren geweest. Ik begeleidde hem bij zijn artsenbezoeken en zocht hem op in het ziekenhuis. Voor familie en vriendinnen was er niets veranderd, want afgezien van de kinderen had ik niemand iets verteld over ons voornemen te gaan scheiden. Iedereen benaderde ons vol mededogen en tegen mij zeiden ze: ‘Wat vreselijk ook voor jou.’ Mijn man hospitaliseerde binnen een paar weken. Al snel kon hij alleen nog praten over de gang van zaken in het ziekenhuis. En ik zorgde voor hem als een verpleegster. Er was compassie, geen liefde. Misschien zou je verwachten dat onze gesprekken ineens van aard veranderden, dat we plotseling inzagen dat we elkaar al die jaren gewoon voor lief hadden genomen, en we opnieuw iets in elkaar gingen ontdekken van die twee jonge mensen die we ooit waren – maar dat bleef allemaal uit. Liefde komt niet ineens terug bij de aankondiging van het einde, zijn dood was niet intiem. Mijn man flirtte gewoontegetrouw met de verpleegsters. Pas als we alleen waren, zag ik in zijn ogen de angst om te sterven. Tot mijn verbazing vroeg hij toen wel een psycholoog aan zijn bed. Even schoot door me heen: je zieleheil is je dus meer waard dan je aardse geluk, want voor ons huwelijk weigerde je alle hulp. Mijn man overleed. Op de begrafenis memoreerde ik de mooie gebeurtenissen in ons huwelijk, want natuurlijk waren die er ook. We waren dan geen lovers meer, maar wel vrienden; er was niemand met wie ik zo van onze kleinkinderen kon genieten als met hem.

Een jaar geleden meldde zich een vriend van mijn man, een tennismaatje. Hij verontschuldigde zich dat hij niet eerder iets had laten horen, maar zijn eigen vrouw was overleden in dezelfde tijd als mijn man. We spraken een paar keer af en gingen wandelen, en na een half jaar zoenden we en werden verliefd. Hij is iemand die met zijn camera vrolijk door veld en bos rent en alles vastlegt. Ik was totaal vergeten hoe sexy een gelukkige man kan zijn. En het mooiste van alles: hij begint nooit een zin met: ‘O, ik had wel verwacht dat je…’ Hij corrigeert me wel, want niets ontsnapt aan zijn aandacht. Maar hij maakt nergens een punt van. Kwesties krijgen geen kans meer om na te galmen.’

Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Eva gefingeerd.

Advertisements