‘Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald’

Het Amsterdamse gezin Krieg overleefde als een van de weinige gezinnen in zijn geheel de oorlog. Dochters Suze (87) en Mirjam (84) zwegen daarna over hun kampverleden. Hun verhaal is onderdeel van een expositie in het Stadsarchief.
Hanneloes Pen 
De zussen Mirjam (l) en Suze Krieg, die samen met hun ouders het kamp Bergen-Belsen overleefden ©Hanna Snijder

Over de oorlog praten doet Mirjam Krieg liever niet. Ze zit niet te wachten op medelijden, zegt ze. “Je wordt er ook ziek van als je erover praat. Wij zitten in een vat met een deksel erop.”

De zussen Suze en Mirjam Krieg om de tafel krijgen, kost enige moeite. Ze hebben periodes dat ze ‘even’ niet met elkaar praten. De laatste keer dat ze elkaar zagen, was een maand of tien ­geleden. “We hebben altijd mot. Over iets wat gezegd is, over kleine dingen. We zijn ook heel verschillend,” zegt de jongste, Mirjam.

Nu zitten ze samen op de bank, bij Suze thuis, en dat is ­bijzonder. Ze wachten ogenschijnlijk geduldig af tot de ­ander is uitgesproken. “Mag ik nu?”

Het gezin Krieg – vader, moeder, twee dochters – werd in 1943 naar Westerbork gedeporteerd en kwam zeven tot acht maanden later terecht in het concentratiekamp Bergen-Belsen. “Het wonderlijkste van het wonderlijkste is dat we het met zijn vieren hebben overleefd,” zegt Suze.

Hun ouders, Hans Krieg en Regina Sternlieb, vluchtten in 1933 met hun dochtertje Suze vanuit Breslau naar ­Amsterdam, waar dat jaar Mirjam werd geboren. Hans Krieg, componist en dirigent, werd directeur van de Joodsche Orkest-Vereniging Amsterdam en werkte voor het koor van de Liberaal Joodse Gemeente. Er kwamen bij hen thuis veel Duits-Joodse artiesten over de vloer.

Allesbehalve rijk
Mirjam: “Voor de oorlog hadden we het heel slecht, maar dat was onze redding om het kamp te overleven. Wij waren ­allesbehalve rijk. We hadden niets.”

Links Mirjam Krieg, rechts Suze Krieg ©Jeugdfoto

Suze: “We kregen samen één ijsje of konden samen een autoped huren voor een half uur.”

In de boekenkast staat een foto van de beide zusjes, acht en vijf jaar oud, in zomerjurkjes. Ze zijn aan het spelen vlak voor hun huis in de Molenbeekstraat in de Rivierenbuurt. Ze vormden een hecht gezin. Er was altijd muziek in huis. Hun vader zei ­altijd: “Eten is het voedsel voor het lichaam, muziek voor de ziel.”

Hans Krieg kreeg in de oorlog een Sperre, een speciale stempel, vanwege zijn functie als organist en koordirigent waarmee het gezin voorlopig was vrijgesteld van deportatie. In mei 1943 moesten ze echter verhuizen naar het Afrikanerplein in de Transvaalbuurt waarvandaan Joden werden gedeporteerd. “Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald,” zegt Suze.

Tot driemaal toe ontkwamen de Kriegs in Westerbork aan deportatie naar Auschwitz. De eerste keer speelde Hans Krieg in een revue, de tweede keer kreeg Suze hepatitis en later lag Mirjam in het ziekenhuis.

In Westerbork lukte het om op de zogenoemde Palestinalijst, voor uitwisseling tegen Duitse krijgsgevangenen, te worden geplaatst. Ze werden begin 1944 naar Bergen-­Belsen gedeporteerd.

Hun vader kwam te werken in het ‘schoenen-commando’, hun moeder in de gaarkeuken. De zusjes, toen tien en dertien jaar, waren de hele dag op zichzelf aangewezen. Ze moesten zelf hun eten organiseren in het kamp waar honger, kou en ziektes als tyfus en dysenterie heersten.

Op de laatste trein
Mirjam Krieg heeft haar verhaal in 2011 in het KRO-­programma De Wandeling verteld, opdat mensen de oorlog niet vergeten. “Eten? Het was net iets te veel om te sterven en te weinig om te leven,” zegt ze in het programma. “Het enige voordeel van Bergen-Belsen was dat er geen gaskamers waren, maar je ging er wel zelf dood.”

De her­in­ne­rin­gen aan het kamp raakt Suze niet meer kwijt. Op haar zeventiende werd ze diverse keren opgenomen

Suze: “Er is weinig aandacht besteed aan die paar kinderen die het kamp hebben overleefd. We kunnen je details vertellen waarvan je haren te berge rijzen, maar wij waren sterk. Ik heb ook nooit gedacht dat ik zou sterven. Ik dacht wel als onze ouders sterven, dan gaan wij er ook aan.”

Vanwege het oprukken van de geallieerde troepen werden de bijna zevenduizend gevangenen uit het kamp in drie treinen gezet en weggevoerd. De laatste trein, met het gezin Krieg, reisde twee weken doelloos rond. De trein werd bekend als het ‘verloren transport’. Die trein was het angstigste wat Mirjam is overkomen, zegt ze, omdat ­niemand wist wat er ging gebeuren.

In april 1945 werden ze uiteindelijk door het Rode Leger bevrijd in het Duitse Tröbitz. “We hebben een karren­wagen gehaald en mijn moeder erin gezet,” zegt Suze.

Een maand lang bivakkeerden ze in de omgeving in een leegstaand huis in een verlaten dorp. De kinderen vonden weckflessen met fruit en groenten in de kelders van huizen waarvan de bewoners op de vlucht waren geslagen. “Mijn ouders waren dood- en doodziek. Als wij toen niet voor ze hadden gezorgd, hadden ze het niet gered.”

Ze kwamen uiteindelijk weer terug in Amsterdam waar ze onderdak kregen bij familie in De Pijp. Suze had vlek­tyfus opgelopen en was in Limburg een tijd opgenomen. ­Uiteindelijk kregen ze via een kennis een woning op de Prins Hendriklaan in Zuid.

Elektroshocks
De herinneringen aan het kamp raakt Suze niet meer kwijt. Op haar zeventiende werd ze diverse keren opgenomen. Ze zat een half jaar op de gesloten afdeling van de ­Valeriuskliniek, waar ze werd gefixeerd en elektroshocks kreeg toegediend. De Joodse psychiater Max Hamburger nam haar in analyse, waarna ze een ‘redelijk’ leven kreeg.

Suze pakte  de draad geleidelijk weer op en kwam op het Amsterdams Lyceum terecht. Ze verzweeg haar kampverleden, net als haar zusje, dat op de ulo zat.

Het buurmeisje kwam naar me toe en zei: ‘Ze hebben jullie vergeten te vergassen’

Mirjam: “Het was zoiets absurds, zeker vergeleken bij het gewone leven. Het was een zwart donker gat in jezelf.”

Suze: “Je had veel beter niet uit de oorlog kunnen komen. Ik heb drie zelfmoordpogingen gedaan. Ik vond het leven onverdraaglijk. In het kamp stapte ik een keer in een ­deken en daar bleek een lijk te liggen. De Kapo sloeg me eens ­keihard toen ik doodziek was en mijn bed niet kon uitkomen om urenlang op appel te staan. Als je al die herinneringen kunt stopzetten, heb je nog een keus, anders niet.”

Terug in Nederland werden ze opnieuw geconfronteerd met Jodenhaat. Mirjam: “Aan de overkant woonde een ­gezin, zuivere antisemieten. Dat buurmeisje kwam naar me toe en zei: ‘Ze hebben jullie vergeten te vergassen.’ Ik kon geen woord meer uitbrengen. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt.”

Geestelijk sterk
Mirjam, moeder van twee kinderen, ging naar het ­conservatorium en werd sopraan en soliste van het Groot Omroepkoor. Samen met haar vader hield ze voordrachten en zanguitvoeringen over de geschiedenis van de Joodse muziek. In 2011 zong ze het herontdekte lied Waar Bleven de Joden van ons Amsterdam dat haar vader in 1947 had geschreven. ­

Waar zijn al de venters met fruit en met bloemen
en waar is de voddeman, die altijd kwam?
Waar zijn de tienduizenden hier niet te noemen?
Waar zijn toch de Joden van ons Amsterdam?

“Ik ben met mijn vader het hele land doorgereisd om ­overal op te treden, maar we hebben nooit meer over de oorlog gesproken. Niemand had zin in dat onderwerp.”

Suze ging als analist aan de slag in het laboratorium van de Sinai-kliniek (nu Sinai Centrum) in Amersfoort en werkte 25 jaar bij het Wilhelmina Gasthuis, Binnen Gasthuis en AMC. “Ondanks de misère heb ik toch een mooi ­leven gehad. Ik heb een capaciteit tot geluk. Het was ­natuurlijk ook heel fijn om na de oorlog weer als gezin ­samen te leven.”

Mirjam: “We zijn altijd heel hecht gebleven, ook door de ellende die we hebben meegemaakt. We zijn geestelijk sterk. Als je de verschrikkingen van het kamp overleeft, ben je oersterk. Het was een warm gezin ook. Mijn vader zei: ik ben in A grote terts getrouwd, met drie kruizen.”

 

via ‘Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald’ – Amsterdam – PAROOL

Advertisements