Wim Slabbinck in De vragen van Proust

De Morgen

De Franse schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Dertig directe vragen, evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: seksuoloog Wim Slabbinck (35). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?
Wim Slabbinck. ©© Stefaan Temmerman

1. Hoe oud voelt u zich? 

“Op de meeste ­momenten voel ik me 28. Ik ben 35, maar voel me jonger omdat ik toch vaak zie dat mensen met de jaren conservatiever worden, onverdraagzamer ook. Veel van mijn generatiegenoten waren in hun jeugd linkser dan ze nu zijn. Ze schuiven langzaam naar rechts op.”

 

2. Wat is uw belangrijkste eigenschap?
Mijn optimisme. Als therapeut train ik me om het positieve in mensen te zien. Dat helpt mij enorm om mijn medemensen te waarderen. Om te begrijpen dat hun gedrag vaak voortvloeit uit een context waar ze vaak niet voor gekozen hebben. We noemen iemand een verkrachter of een geweldpleger of een voyeur of een exhibitionist, maar die mensen zijn natuurlijk veel meer dan ­datgene wat ze verkeerd gedaan hebben. Van jongs af aan heb ik meegekregen dat je mensen nooit mag vastpinnen op een bepaald kenmerk. Onze identiteit bestaat uit zó veel facetten, en die moeten we proberen te zíén en te waarderen.”

 “Mijn job. Ik heb eerst geschiedenis en antropologie gestudeerd en daarna seksuologie in de richting geneeskunde. Het was heel fijn om opeens kennis te maken met exacte wetenschappen. Maar een nadeel was de toch wel beperkte, medische kijk op seksualiteit. Er wordt nog altijd te veel vanuit lichamelijke disfuncties gedacht, niet vanuit de mens als geheel. Dat vind ik wat beangstigend. Want seksualiteit heeft vooral te maken met hoe de mens in zijn omgeving staat.

“Er is nog altijd enorm veel onwetendheid en onbegrip over ­seksualiteit, en tegelijk ook heel veel schaamte om de stap te zetten naar een seksuoloog. Wat me telkens weer verwondert, is dat we als koppel over alles discussiëren: of we kinderen willen of niet, welk interieur we willen, welke auto we gaan kopen, wat we gaan eten, maar over seks praten we niet. Hoe wil je bemind ­worden? Wat verlang je in bed? Welke vorm van relatie wil je? Daar maken we geen afspraken over. We doen maar wat. Omdat we verliefd zijn of omdat het zo hoort.

“Door over seks te zwijgen, creëren we een taboe, met als gevolg dat we er veel te veel belang aan hechten en veel te hoge ­verwachtingen koesteren. We gaan ervan uit dat we heel ons leven lang met dezelfde persoon goede seks moeten hebben. Eerlijk gezegd, ik betwijfel of dat wel kan. Het lijkt me een utopie. En een bron van frustratie.

“Ik pleit dus voor wat meer relativering. Een relatie kan en moet niet perfect zijn. Als je focust op de goede aspecten ervan, ben je sneller geneigd om de mindere er ook bij te nemen. Wat we in de praktijk vaak zien, is dat wat in het begin aantrekt, na een tijd afstoot. Bij die paradox moeten we toch even stilstaan.

“Eigenlijk hebben we nog altijd een heel traditioneel idee van mannelijke en vrouwelijke seksualiteit. We blijven in stereotypen denken. Mannen moeten altijd zin hebben, moeten altijd klaar­komen, en vrouwen moeten wachten op het initiatief van de prins op het witte paard. Ik kan de #metoo-beweging alleen maar ­toejuichen, maar ze zet de tegenstellingen wel weer op scherp. Vrouwen komen van Venus en mannen van Mars, dat idee is ­precies weer helemaal terug. Dat frustreert mij. Dat die kijk niet verandert. Als we dat probleem niet bij de wortel aanpakken en jongeren geen degelijke seksuele opvoeding geven, zitten we hier over 20, 30 jaar opnieuw. Met #stillmetoo of zo. Waarom voeden we jongens en meisjes op een verschillende manier op? Op die manier trekken we ze wel uit elkaar, hè.

“Mijn papa had een enorme boekencollectie en op mijn 16de vond ik er Human Sexual Response, het standaardwerk van Masters en Johnson, dé pioniers van de seksuologie. Ik heb het in twee, drie nachten verslonden, super­interessant vond ik dat. Ik had wel al een keer gevreeën, maar had eigenlijk geen flauw idee wat seks allemaal kon inhouden. Dat boek lezen was zo verhelderend, ook al was het in de jaren 60 geschreven. Het leerde me enorm veel bij over opwinding, orgasmen, het lichaam van man en vrouw. Het is zo belangrijk dat jongeren die kennis aangereikt krijgen. Daar wil ik me dus graag voor inzetten, om seks meer bespreekbaar en toegankelijk te maken en mensen een ­realistischer kijk te bieden op relaties.”

4. Wat beschouwt u als uw grootste prestatie? 

‘Toen de kat stierf, was dat een heel emotioneel moment. We hebben gehuild en bij elkaar troost gezocht’

“Ooit zei een prof me dat je het niet in je hoofd moet halen om zelfstandig seksuoloog in hoofdberoep te ­worden. Dat was volgens hem financieel onhaalbaar. Toen wist ik: dát wil ik later doen. Ik vind het nog altijd de beste keuze die ik ooit heb gemaakt. En het is natuurlijk niet eenvoudig. Een seksuologisch consult wordt nog altijd niet terugbetaald en van mond-tot-mondreclame moet je het ook niet hebben. Maar ik doe wel wat ik wil doen en hoef enkel aan mezelf verantwoording af te leggen. Als ik daardoor wat minder verdien, dan is dat maar zo.”

5. Wat wilde u worden als kind? 

“Wielrenner. Ik maakte als kind mijn eigen Tour de France, met mijn vriendjes. We reden elke dag dezelfde ronde rond een paar voetbalvelden. Jammer genoeg had ik niet de benen om het te maken.” (lacht)

6. Wat was voor u een moment van opperste geluk? 

“1 september 1997, toen ik startte op een school met dertien jongens en honderd meisjes. (lacht) En de dag waarop ik met mijn deeltijdse job stopte en mijn ­praktijk als seksuoloog begon.”

7. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken? 

“Geluk loert om elke hoek, je moet het enkel willen zien. Wakker worden en je nog eens kunnen omdraaien, een onverwachte kus van mijn vriendin, mijn eerste koffie van de dag, mijn dagelijks fietstochtje van 300 meter naar mijn praktijk, alle gesprekken die mij als therapeut weer iets ­bijbrengen, dat gevoel wanneer je onder de lakens kruipt en je benen strekt…

“We zouden wat meer aandacht mogen hebben voor alle kleine dingen die we zo langzamerhand als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen.”

8. Wat is het decadentste wat u ooit hebt meegemaakt? 

“Mijn papa was een reisjournalist en soms hadden we de luxe om met hem mee te gaan. Zo herinner ik mij een vakantie naar de Dominicaanse Republiek toen ik 8 was. We logeerden in een all-in­hotel, waar werkelijk alles aanwezig was. Het leek wel een perfecte wereld. Tot we naar het strand gingen om een zandkasteel te bouwen en merkten dat 20 centimeter onder het zand een betonlaag zat. Alles was fake. Dan zie je opeens de leegheid rondom je. Die vorm van toerisme, die ­decadentie in die gated communities, is niks anders dan een nieuwe vorm van kolonialisme.”

9. Wat is uw zwakte? 

“Mijn relativeringsvermogen. Soms vind ik goed goed genoeg. Dan denk ik: ‘Allez gast, je zou toch meer kunnen bereiken’. Maar hóéf je altijd alles uit jezelf halen, dat is de vraag natuurlijk. Ik kan zo genieten van gewoon thuis zijn, een boek lezen, iets op het gemak doen.”

10. Waar hebt u spijt van? 

“Ik heb niet altijd iedereen blij gemaakt met mijn beslissingen. Hoe dan ook denk ik dat het belangrijk is dat we ­keuzes blijven maken, hoe moeilijk ze soms ook zijn. Het positieve zit in het zoeken naar je mogelijkheden en niet in het blijven tobben over de gevolgen van je keuzes.”

11. Wat is uw grootste angst? 

“Dat we de aardbol in een rotvaart aan het opgebruiken zijn. Het grootste risico voor de mens is gewoon de mens zelf. Einstein heeft dat ooit gezegd en ik ben het daar volledig mee eens.”

12. Wanneer hebt u voor het laatst gehuild? 

Wim Slabbinck:”Ik ben bang dat we de aardbol in een rotvaart aan het opgebruiken zijn. Het grootste risico voor de mens is gewoon de mens zelf.” ©© Stefaan Temmerman

“Bij de dood van mijn kat. We hebben geen ­kinderen en aan die kat waren we heel erg gehecht. Ik had ze ­dertien jaar geleden gekregen van een vriend die het moeilijk had. Op een dag stond hij voor mijn deur en zei hij: ‘Hier, zorg jij er maar voor’. In het begin was ze panisch. Ze heeft zich een jaar lang op onze zolder verborgen, tot ze plots naar beneden kwam en op onze schoot kwam zitten. Wonderlijk om die transformatie mee te maken.

“Toen ze stierf, was dat een heel emotioneel moment. We hebben gehuild en bij elkaar troost gezocht. Rouwen heeft tijd nodig.”

13. Wat kan u plots uit uw humeur halen? 

‘Ik heb weinig schaamte. Ik vind dat we ons niet hoeven te ­schamen voor het feit dat we een mens zijn’

“Apathie. Bekrompenheid. Dat idee van: zolang wij het hier maar goed hebben. Neem nu de situatie met die Sudanese vluchtelingen. Alsof ze ons hier alles gaan afnemen. Natuurlijk niet! Alsof we het als maatschappij niet aankunnen om die ­mensen te ontvangen. Polarisering ook. Hoe Jean-Marie Dedecker het verkleinwoord #metoo-tje gebruikt. Dat is toch pure provocatie! Wat wil je daar nu mee bereiken? Je drijft mensen nog verder uit elkaar.”

14. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan? 

“Toen een goede vriend een vriendin van mij bedroog, me vroeg te zwijgen, haar opnieuw bedroog en me opnieuw vroeg te zwijgen. Ik kan veel relativeren, maar als het op is, is het op. Toen ik haar op de hoogte bracht, ben ik ingestort. Mentaal. Echte agressie ken ik echter niet.”

15. Waar schaamt u zich soms voor?

“Ik heb weinig schaamte. Ik vind dat we ons niet hoeven te ­schamen voor het feit dat we een mens zijn.”

16. Welke kunstvorm beroert u het meest? 

“Het surrealisme. Dalí, Gaudí. Picasso. Omdat die hun eigen kijk hebben op de werkelijkheid. Ik denk dat ik als mens ook wel altijd op zoek ga naar mijn eigen interpretatie van de ­werkelijkheid.”

17. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad? 

“In het eerste middelbaar vroeg een leerkracht ­godsdienst ons of iemand het gevoel kende van plotse gelukzaligheid. Ik wist maar al te goed wat hij bedoelde. Het gevoel, zonder concrete aanleiding, van intense, zinderende vreugde dat je ­helemaal vervult. Hij vertelde ons dat dát het contact met God was. Sinds ik niet meer geloof, heb ik het des te meer.” (lacht)

18. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Op dat vlak kan ik zeker niet klagen. Leg me een dag in de zon en ik ben vijftig tinten bruiner. Maar net zoals iedereen heb ik ooit wel complexen gehad. De neus mocht wel iets minder geprononceerd, de benen wat langer. Maar niets waar ik me nu nog zorgen om maak.”

19. Wat vindt u erotisch? 

“Fantasie vind ik onderschat. In deze tijden van porno heb ik paradoxaal genoeg vaak cliënten die zich nét over hun fantasieën zorgen maken. Eigenlijk moeten we onze verbeelding koesteren: de ongebreidelde ­slagkracht ervan toont aan dat ze ons belangrijkste geslachtsorgaan is.

‘Eigenlijk hoeft seks niet zo veel te ­betekenen. Het heeft te veel gewicht, is te beladen’

“Ik merk dat heel veel mensen een haat-liefde­relatie hebben met hun fantasieën, dat ze er zich vaak schuldig over voelen. Zo heb ik een cliënt die vaak langskomt omdat hij fantaseert over seks met andere vrouwen. Maar dat is heel normaal. We weten immers uit onderzoek dat veel mensen fantaseren over anderen dan hun partner. En dat is oké. Fantasie is een heel goede manier om met je eigen seksualiteit om te gaan. In een relatie is het heel belangrijk om naast je gedeelde emoties je eigen ­fantasieën te hebben. Binnen de meeste koppels is praten over masturbatie nog altijd een taboe. Mannen masturberen achter hun laptop en gooien stiekem hun zakdoekjes weg, wat een schijnheilige, triestige boel. Maar ik ken ook wel koppels die elkaar erotische verhalen ­vertellen, en dat vind ik schoon.

“Al duizenden jaren geeft de mens erotiek vorm via zijn fantasie. En nu gaan we dat vervangen door pornografie. Daar is op zich niets verkeerds mee, maar je verbeelding is zoveel rijker, omdat je je eigen wereldje, je eigen personages kunt creëren. Het is zo bevrijdend en verruimend om in je eigen fantasie op te gaan. Het is zo’n krachtig medium om tot rust te komen. Noem het een vorm van mindfulness.”

20. Wat is uw goorste fantasie? 

Wim Slabbinck: “Ik wil niet eindigen in een wirwar van buisjes en slangen.” ©© Stefaan Temmerman

“Dat de mens op een dag beseft: eigenlijk hoeft seks niet zo veel te ­betekenen. Dat zou een enorme bevrijding zijn, niet alleen voor mij, maar ook voor de rest van de mensheid. Seks heeft te veel gewicht, is te beladen. Partners kunnen nu eenmaal andere behoeften of verwachtingen of biologische beperkingen hebben. De maatschappelijk aanvaarde oplossingen om die problemen aan te pakken zijn heel beperkt. Mochten we met seks wat natuurlijker omgaan, we zouden veel frustraties de wereld uit ­helpen. Het aantal diersoorten dat monogaam is, kun je op je één hand tellen. (lacht) Overspel hoeft mensen niet uit elkaar te ­drijven, zolang je er maar stevige afspraken over maakt. De band die we met elkaar hebben, is veel belangrijker.”

21. Welk dier zou u willen zijn? 

“Een bono­bo. We denken beiden vaker aan seks dan aan slaap of aan eten en delen 99,6 procent van ons DNA. We kunnen er veel van leren.”

22. Hoe is/was de relatie met uw ouders? 

“Die is altijd goed geweest. Mijn ouders zouden alles doen voor mij. Ik heb de luxe gehad mezelf te kunnen ­ontwikkelen binnen een veilige structuur. Over geld of eten heb ik me nooit ­zorgen hoeven te maken. Dat heeft me natuurlijk gevormd. Ik besef maar al te goed dat niet iedereen dat geluk heeft.

“Mijn ouders reisden veel en graag. Ze spendeerden hun geld liever aan reizen dan aan hun huis. Ook dat heb ik van hen ­meegekregen.”

23. Welke eigenschappen waardeert u in anderen? 

“Humor. Openheid. Relativering. Empathie. Authenticiteit.”

24. Hoe definieert u liefde? 

‘Als er eens een week geen seks is, dan is dat maar zo. Liefde betekent ook de ander mindere periodes gunnen. Dat vergeten we vaak’

“In essentie ­betekent liefde voor mij dat je je door de ander geaccepteerd voelt. In een relatie moeten geborgenheid en avontuur in evenwicht zijn. Heel veel koppels rijden zich vast in de veiligheid en gezelligheid van hun cottage­bestaan. Samen knus aan het haardvuur, dat is best tof, maar soms moeten de hormonen ook eens door je lijf razen. Spanning opzoeken kan enorm stimulerend zijn voor een relatie.

“Liefde houdt voor mij ook een toekomstvisie in, een gemeen­schap­pelijk doel. Daarom vallen veel mensen na hun pensionering in een zwart gat; er is geen doel meer, professioneel noch privé.”

25. Hoe wilt u bemind worden? 

“Een gevoel van verbondenheid vind ik heel belangrijk. Ik heb dat nodig om er dagelijks energie uit te putten. Binnen die verbondenheid kun je elkaar veel vrijheid geven. En als er eens een week geen seks is, dan is dat maar zo. Liefde betekent ook de ander mindere periodes gunnen. Dat vergeten we vaak.”

26. Hoe zou u willen sterven? 

“Het liefst van al wil ik sterven op een moment dat ik nog bij zinnen ben. Stop me niet in een woon-zorgcentrum. Zo deprimerend. Als ik voel dat het op is, wil ik de keuze hebben om zelf uit het leven te stappen. Ik wil niet eindigen in een wirwar van buisjes en slangen.”

27. Welk maatschappelijk probleem raakt u? 

“De bekrompenheid waarmee we omgaan met de vluchtelingenproblematiek. Hoe wij met al onze materiële rijkdom erin slagen zo hoog te scoren in de zelfmoordstatistieken. Hoe haatdragend we kunnen zijn tegenover mensen met een andere huidskleur of een andere seksuele oriëntatie. Hoe onverdraagzaam en bits we kunnen zijn.

“Je merkt dat ook aan de klaagcultuur op sociale media. Tien jaar geleden was Facebook een echte bevrijding: iedereen kreeg plots een stem. Als je ziet tot wat dat nu verworden is! Ik moet soms echt walgen van wat ik lees. Neem nu de hele #metoo-hetze. Eigenlijk is het absurd dat we zulke moeilijke discussies voeren op een medium waar je geen non-verbale communicatie hebt. Je hebt geen context. We kúnnen elkaar daar gewoon niet begrijpen. Je ziet alleen maar een korte weergave van een gedachte, die op zo veel manieren geïnterpreteerd kan worden. Zo kwetsen we elkaar alleen maar meer. Al die mensen die elkaar zitten te bekritiseren, zouden ze niet beter hun tijd in iets nuttigs investeren, denk ik soms. Om iets op te bouwen.”

28. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens? 

 “Eigenlijk niet, ook al kom ik uit een heel wit dorp, Sint-Kruis, een deelgemeente van Brugge. Mijn broer had een Indiase jeugdvriend, die vaak bij ons thuis kwam. Ik heb me daar nooit vragen bij gesteld. Wat we wel deden op school, was het rosse kindje pesten. Dat is ook een vorm van discriminatie. Als ik iemand mijn excuses wil aanbieden, dan is het wel hem. Daar heb ik echt spijt van.”

29. Wat betekent geld voor u? 

“Met geld­zaken ben ik niet bezig. Ik huur een appartement en een praktijk. Aan eigendom hecht ik weinig belang.”

30. Hoe werkt u mee aan een betere wereld? 

“Mijn woon-werkverkeer is korter dan mijn woon-bakkerverkeer. Daarnaast probeer ik stil te staan bij de kleine dingen in het leven.”

Advertisements