Escher

Bibeb interviewt Escher: ‘Ik vind wat ik zelf maak het mooiste en ook het lelijkste’

In 1968 gaf M.C. Escher met tegenzin toe aan een gesprek met interviewer Bibeb. Nu, vijftig jaar later, volgt er een documentaire over de wiskundige principes van de kunstenaar. ‘Ik merk wel dat ik te doen heb met iemand die niets van de techniek afweet.’

Door BIBEB
Beeld EDDY DE JONGH
BIJ VN, DOOR HOOFDREDACTEUR WARD WIJNDELTS

Het vraaggesprek dat VN’s meesterinterviewer Bibeb deze maand vijftig jaar geleden heeft met de dan al wereldberoemde graficus M.C. Escher is uitzonderlijk. Zo uitzonderlijk, dat de makers van Escher-documentaire Het oneindige zoeken, Marijnke de Jong en Robin Lutz, ontzettend blij zijn als ze het artikel, dat op 20 april 1968 werd gepubliceerd, onder ogen krijgen. Het is een ‘geweldig open’ gesprek, schrijft De Jong ons, waar ze in de film ‘heel dankbaar gebruik van hebben gemaakt’.

Het uitgangspunt van de documentaire van Lutz en De Jong is een passage uit een brief die Escher in 1969 schreef aan een Amerikaanse verzamelaar: ‘I fear that there is only one person in the world who could make a really good film about my prints: myself.’ Het leidde ertoe de makers enkel eigen woorden van Escher gebruikten om een beeld over diens leven en werk te schetsen. En dat zorgde er weer voor dat onderstaand vraaggesprek een belangrijk onderdeel van de film is.

‘Nee, ik voel er niets voor,’ zei de graficus M.C. Escher toen ik hem vroeg om een interview. En: ‘Goed, als u dat risico nemen wilt’ zei hij, na mijn voorstel toch naar hem toe te gaan en af te wachten, hoe we op elkaar zouden reageren. Wat nu volgt is het resultaat van twee middagen in zijn atelier in Baarn. Dat wordt, net als de rest van het huis, door een grote omringende tuin gescheiden van de weg en de buren. We zitten naast elkaar bij de tekentafel, waarboven, aan een stok, pas afgedrukte houtgravures drogen. Verder hangt nergens werk van hem, ook niet in zit- en eetkamer. Hij verdraagt het niet om zich heen. Op een kast: bollen, kubussen, prisma’s van papier, hout en glas.

M. C. Escher (mager, vrij lang, blik — althans nu — speels, uitdagend): ‘Mijn werk heeft niets met de mens, niets met psychologie te maken. Ik ben veel celebraler dan Willink. Ik wens helemaal niet diep te zijn. Ik weet dat ik in dit werk niets verberg. Als Carel Willink een naakte juffrouw in een straat schildert, denk ik: wat heeft die juffrouw daar te maken? Meneer Willink zegt: in drie dagen smijt ik dat naaktje erop. Waarom doet hij dat? Die rookwolk vind ik wel leuk, een aardig idee, maar die twee naakte juffrouwen, de ene groter en dichtbij, de andere verderop en klein… nee. Dat hij die huizen zo schildert, daarop zeg ik: ja… de gevels maken op mij de indruk van iets lugubers. Het is dus een lugubere straat. Mijn werk is niet luguber. Als je Willink vraagt: waarom zijn die naakte juffrouwen daar, krijg je geen antwoord. Bij mij krijg je altijd antwoord als je vraagt: waarom…’

Ik (wijs in zijn boek ‘M.C. Escher, grafiek en tekeningen’ een prent aan): ‘Waarom zit dat mannetje achter tralies?
‘Het gaat niet om dat mannetje maar om het huis, dat helemaal ónmogelijk is. Ik moest die onmogelijkheid illustreren met figuurtjes, het mannetje is er één van.’
Hij is de enige, die er niet uit kan. Bent u het?
‘Best mogelijk. In ieder geval heeft de jongen op de bank (buiten het kubusachtige huis zonder gevels) alleen aandacht voor de kubus’ (in z’n hand).
Bent u die jongen?
‘Ik ben liever de man met de kubus dan de gevangene, misschien ben ik een projectie van beiden. Maar het gaat mij alleen om het leuke idee: dit is een onbestaanbaar huis, een impossible object.’

Belvédère (1958 Litho), MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Ik, na bladeren in het boek: ‘En dit?
‘Dat heb ik getekend in de gewelven van de St. Pieter in Rome. Hierin ligt het lijk van een bisschop en dat — (grote sprinkhaan, soort Doodbidder, op de borst van het stenen beeld van de bisschop, op de deksel van een sarcofaag) — is een Biddende Jonkvrouw. De vrouwelijke exemplaren eten bij voorkeur zes, zeven echtgenoten op. Kijk, die geweldige grijparmen. Ze zit doodstil te wachten tot een echtgenoot op de proppen komt en daarbij in een houding of ze bidt! Ik dacht, je moet de onzin van het bidden… ’t Is een persiflage, maar ook ernstig bedoeld. Hij kijkt er ernstig bij en zij ontzettend wreed. ’t Is een vreselijke aanstelster, doet of ze bidt… Ze kwam op m’n papier zitten, ik heb haar zo kunnen natekenen.’

Dit heeft toch wel met mensen te maken.
‘Dat is geen goed voorbeeld. Ik heb dit gemaakt op de grens van een nieuwe periode, het valt erbuiten.’
Ik blader in het boek:‘Ik ga er nog eentje uitkiezen.
‘Ik merk wel dat ik te doen heb met iemand die niets van de techniek afweet.’
Waarom?
‘U zegt, ik zal er nog eentje uitkiezen. Wat ik doe is heel iets anders dan schilderen. Willink maakt een eenling. Ik nooit. Ik maak iets om te vermenigvuldigen, omdat dat in me zit.’

DUIZELIG

Deze is vreemd, als je lang kijkt word je duizelig.’
‘Die is interessant. Ik heb die gemaakt in de St. Pieter. Ik zat daar (hoog in de koepel) enige uren lang. Telkens kwamen er vreemdelingen langs, die zeiden: gut wordt u niet duizelig. Dan zei ik ja, dat is juist de bedoeling. Dat is de kwintessens van deze prent. Ik wou het gevoel van duizeligheid uitbeelden. Toen ik die maakte wist ik niet, dat waar verticalen samenkomen je in het nadir kijkt.

U bent knap in wiskunde, he?
Escher schiet in de lach: ‘Helemaal niet. Ik heb er nooit voldoende voor gehad. Het leuke is, ik schijn wiskundige theorieën aan te snijden zonder het zelf te weten. Nee hoor, ik was een heel dom jongetje. Ik heb een ellende gehad op de burgerschool. Het enige lichtpunt was de tekenles, niet omdat ik zo goed tekenen kon, maar omdat het het enige soelaas was in een afschuwelijke tijd. En te denken dat wiskundigen hun boeken illustreren met mijn plaatjes. En ik met al die wijze mannen omga als frère et compagnon. Men denkt altijd dat mathematici stoffige oude heren zijn. Ze zijn vrolijk, kinderlijk, erg speelzuchtig, met al hun dikke koppen die barsten van de kennis zijn het kwajongens.’

Denkt u nog wel es aan die schooltijd?
‘Ik heb nog tien jaar daarna angstdromen gehad.’

Mathematici zijn vrolijk, kinderlijk, erg speelzuchtig, met al hun dikke koppen die barsten van de kennis zijn het kwajongens.

Werd u gesard?
‘Nee, de leraren plaagden me niet, maar de angst niet mee te kunnen. En als je nu bedenkt dat grote wiskundigen mijn werk interessant vinden, omdat ik in staat ben hun theorieën te illustreren. Ze kunnen zich helemaal niet voorstellen dat ik zo slecht was in wiskunde. Ik snap er zelf ook niets van. Ik begreep niet dat je iets moest bewijzen wat iedereen ziet. Ik zag het, ik wist, het is toch zo… Maar jawel hoor, je moest het bewijzen. Ik ben er bovenuit gekomen toen ik me realiseerde, dat ik wat anders kon. Ik dacht, dat ik een nietsnut was.’

Hoe deden ze thuis?
‘Ik kom uit een milieu waar geen artiesten in waren en ja, dat heeft wel m’n werkkracht gestimuleerd, ik wou tonen dat ook een artiest, nou ja, ik heb een hekel aan dat woord, het wel een eindje schoppen kan. Ik was een rare eend in de bijt, he? ’t Is gewoon een kwestie van zelfvertrouwen. Mijn zoons zijn alle drie exact ontwikkelde mensen. Ze vinden het niet zo geweldig wat ik maak. Ze hebben gelijk. Een wetenschaps-mens is betrouwbaar, een artiest niet. Wij hebben geen normen. Als een man van de wetenschap iets doet wat niet goed is, wordt hij op z’n vingers getikt. Kunstenaars doen maar wat. Op enkele uitzonderingen na, zoals Dali, daarvan zie je dat ie wat kan, afgezien van het feit dat hij gek is.’

BEELDHOUWERS

‘Deze twee in de lucht zwevende spiralen die een geheel vormen en het hoofd van een man en een vrouw weergeven is luguber.’
Helemaal niet. Ik heb eerst die (een spiraal waarop de ogen, mond, het voorhoofd van een vrouw) gemaakt maar ik kan niet goed hebben dat iets wordt afgesneden. Ik dacht, waarom is dat mens hier afgesneden? Toen heb ik die twee gemaakt, die een eindeloosheid hebben. ’t Is ook bedoeld als reactie tegen beeldhouwers. Ik zie daar een beetje op neer, nee dat is niet goed gezegd, beeldhouwers zijn te beperkt. Ze denken zelf dat het heel wat is, maar boetseren kan iedereen. Tekenen is veel moeilijker, veel onstoffelijker.

Band (1956 Litho). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Wij kunnen veel meer suggereren. Ik heb deze in ’35 gemaakt. Toen keek geen mens er naar om, nu verkoop ik ze nog voortdurend, vooral naar Amerika — Ik kan van m’n werk onbegrijpelijk veel verkopen. Ik zou miljonair kunnen, zijn. Als ik in m’n atelier assistenten had, die ik zou laten werken, zouden ze de hele dag houtsneden moeten afdrukken om aan de vraag te voldoen. Ik denk er niet aan. Wat moet ik met het geld? Ik heb drie zoons, die hebben het goed. Nog meer centjes, daar kunnen ze alleen maar slecht van worden.’

‘Sinds wanneer kunt u zoveel verkopen?’
‘’t Wordt hoe langer hoe erger. Sinds zes, zeven jaar is het nijpend, kan ik het lang niet aan. Vooral na m’n boek, maar al vóór die tijd ging het aardig.’

Hoeveel vraagt u voor een afdruk?
‘Vierhonderd gulden, dat is eigenlijk te weinig omdat de vraag te groot is. Van deze alleen al (zijn bekende Dag en nacht: witte en zwarte vogels die elkaars achtergrond vormen boven een wit dag en een zwart nachtlandschap, tevens elkaars spiegelbeeld) kunnen de Amerikanen niet genoeg krijgen. Het gaat maar door. Er wordt wel gevraagd hoe groot de oplage is. Er is geen oplaag. Ik druk bij zolang ik kan. Het gaat hier om de idee van de vlakvulling door object en achtergrond. Je kan niet zowel die witte als de zwarte vogels zien. Néé, dat kunt u niet.
Ik heb het met een oogarts erover gehad. Onze ogen zijn gewend aan het fixeren van een bepaald object, op dat moment is alles eromheen achtergrond. Als ik u aankijk, zie ik niet tegelijk die kast. Het is zeker niet diepzinning.’

Dag en nacht (1938, Houtsnede). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Was u opgewonden door die vondst?
‘Ja. Ik was veertig, dat is de leeftijd waarop de meeste mensen het scherpst zijn. Het is wel een piek in het menselijk leven. Het was een heel rijke tijd voor mij. Ik was toen uit Italië weg. Ik was het Italiaanse landschap, de architectuur kwijt en er moest iets anders voor in de plaats komen… Dat stimuleerde het ontstaan van innerlijke beelden.

Mijn vader leefde toen nog, hij is 96 geworden. Hij schudde z’n wijze hoofd van ingenieur. Ik kom uit een familie van exact ontwikkelde mensen, hij vond het métier van mij maar zo zo… Hij heeft nooit geweten dat het een geldbron zou zijn. Het is gewoon een bankbiljet. Je drukt het af en dan krijg je er zoveel voor. Een grote lap bankbiljet, ’t is eigenlijk gewoon geld drukken. Ik doe het met een benen lepeltje. Ik gebruik geen pers. De ouwe Japanners deden het ook zo. ’t Is veel beter maar het duurt veel langer. Maar ’t is ook het behoud van de plank. Na dertig jaar is die nog uitstekend.’

Hoe ging het toen u niets verdiende?
‘Mijn ouders waren gelukkig vermogender dan die van vele collega’s. Moeite om aan de kost te komen heb ik nooit gehad. Ik heb nooit armoede gekend, ik kon doorzetten wat ik zelf wou… Maar zelf wist ik de waarde er helemaal niet van.’

WILLINK

‘U had het daarnet over Willink.’
‘Ja, ik bewonder z’n vakmanschap. Het valt me een beetje van hem tegen dat hij zoveel aandacht aan seks schenkt. Maar ja een mens is zoals hij is en Willink heeft getoond dat hij wat kan. Ik heb een vriendje dat seks ook zo verschrikkelijk belangrijk vindt, maar de ontwikkeling van de menselijke geest gaat ver boven de seks uit. Ik vind al die artikelen over sex, daar zit iets hinderlijks in, een grote overdrijving. Net of er niets anders bestaat.’

Natuurlijk, lichaam en geest zijn één, natuurlijk. Goed, ik ben er een beetje af, niet alleen door m’n leeftijd. Ik ben voor de vierde keer in m’n buik geopereerd, dan (lacht) praat je wel anders hoor. Het is voor mij nu een gesloten terrein. Hoe het vroeger was, komt niet ter sprake. Ik vind seks, ach al deze dingen nu een beetje belachelijk. De mensen denken dat alles erom draait… Mijn werk is er los van. Nu kan je zeggen ouwe steriele kerel… maar er zijn vele andere aandriften.

En ik kan wel medelijden hebben met Willink. Ik sta op een ander plan nu, terwijl hij, naar ik begrepen heb, er nog midden in zit. Kort geleden ben ik geïnterviewd door iemand van een Engels blad. Ze hadden het per brief aangevraagd. Ik wist niet wie er komen zou. Het bleek een hippie te wezen. Een heel aardig hippie, in een leren rokje tot hier, zwart leren billen. Ik moest er zo om lachen. Ze heeft een leuk stuk geschreven, ook met kritiek hoor. Nou, ze vond me om te zien een negentiende-eeuwse figuur, burger lijk… ik begrijp dat wel, zo’n kind komt uit Londen in het ingeslapen Baarn…

Ik heb het hier (de drukproef), ze schrijft… his goaty beard… Ze vond me een ouwe vent met een geitesik. En gisteren kreeg ik bezoek van Engelse artiesten, een man en een vrouw. Hij uitgedost als paljas, helemaal in blauw en rood. Zij met hele kringen om de ogen. Wel leuk hoor. Love- innetjes. Kwamen bloemen aanbieden. Ik begrijp het niet. Aan de ene kant waarderen ze mijn werk, terwijl ik niets zie in wat ze nu maken. Ik wandel steeds in raadselen. Er komen telkens jongelui die zeggen: u maakt ook opart. Ik weet helemaal niet wat het is, opart. Dit werk maak ik al dertig jaar lang.’

Ik begrijp het niet. Aan de ene kant waarderen ze mijn werk, terwijl ik niets zie in wat ze nu maken. Ik wandel steeds in raadselen.

Voor welke buitenlandse bladen bent u nog meer geïnterviewd?’
‘In Time en Life heeft een artikel over me gestaan. Ik vroeg de journalist, wat krijg ik daar nou voor. Die man zei: ik betaal geen cent, maar je zal er van horen. En er kwamen brieven uit de hele wereld, tot uit Honoloeloe toe. Nog steeds trouwens.’

Dr. L. Gans zei dat u als lastig bekend staat.’
‘Hij heeft me gevraagd voor die Bols Taverne. Maar dat wil ik helemaal niet. Dat is voor jonge kunstenaars die het moeilijk hebben. Lastig, ja, kunsthandelaars vinden mij lastig. Ik doe het allemaal zelf he, wat heb je aan zo’n tussenman. Ik heb maar één prijs, dat betekent dat de kunsthandel duurder moet zijn. Nou weet ik wel, die mensen moeten ook leven, het is een métier. Of métier, het is gewoon winkeliersmentaliteit. Zo geweldig bewonderen kan ik het niet. Ze hoeven zich er niet op te laten voorstaan, wij doen het.’

ROTLACHEN

Hebt u de tentoonstelling van Rauschenberg gezien?’
‘Daar weet ik niets van. Een vriend zei, ga mee, dan lach je je rot. Ik ben er niet geweest. Ik weet niet waarom je je rot lacht. Willink zegt dat De Wilde voor één ding honderdduizend gulden wou geven. Dat in Nederland dergelijke toestanden worden geduld, dat ze door de museummensen worden geduld is onaannemelijk. Ze zijn stapelgek. Het is het sprookje, de kleren van de keizer. Hele volksstammen gaan mee… Maar ik wil het niet te erg veroordelen. Ik weet het niet, ’t is een gesloten deur voor mij.’

Heeft het Stedelijk werk van u?’
‘Heel weinig. Boymans wel, een flinke collectie. Sandberg voelde er niks voor. Zag terecht, dat het niet modern was. ’t Kan mij helemaal niet schelen. Ik kan op dit moment toch niet aan wat ze vragen. Mijn lange prent Métamorfose komt nu zes maal vergroot geschilderd op de postkantoormuur in Den Haag. Ik moest er drie meter bij maken. In totaal zijn er nu zeven, dat wordt twee-en-veertig meter. In zwart, wit en kleur. In juni is er al een stukje te zien, dat zal dan groeien… ’t Kost verschrikkelijk veel geld. Ik ben óók niet goedkoop. Ik vind het op m’n ouwe dag een soort zwanezang. Ik heb aan de drie meter, die erbij moesten, een half jaar gewerkt.

Zwarte en witte blokken veranderen in salamanders, die honingraten worden, daarna larven, bijen, zwarte vogels, terwijl uit de achtergronden witte vissen ontstaan die in de tegengestelde richting zwemmen.

Ik had wel sterk de idee, kan ik het wel volbrengen… Ik ben vier keer geopereerd, de laatste keer in Toronto en het verdomde lichaam moet je iedere dag verzorgen, dat kost tijd. Metamorfose heb ik dertig jaar geleden gemaakt, gek dat men er weer op terug komt …Ir. Bast, toen nog directeur-generaal van de PTT, had gezegd, als je mij een plezier wil doen, nemen jullie een ding van Escher. Hij had het in zijn vergaderzaal en als hij zich verveelde, keek hij ernaar. Hij zei, ’t is leuk voor mensen die in de rij staan, dan zien ze vogeltjes, vissen… Kijk.’

Escher rolt de zeven meter lange prent uit. Zwarte en witte blokken veranderen in salamanders, die honingraten worden daarna larven, bijen, zwarte vogels, terwijl uit de achtergronden witte vissen ontstaan die in de tegengestelde richting zwemmen.

‘Zodra je het een oogje geeft begint het te leven en als je het een bek geeft, is het al een dier. Hier veranderen vogels in ruiten, dan wordt het plastisch, kijk kubussen, een huisje, een stad. Het aardige van de opdracht was, dat het m’n eigendom blijft. Ik mag het verder verkopen. Ik heb het in z’n geheel al naar Amerika verkocht.’

PSYCHIATER

De stad verandert in een schaakbord. Schaakt u?
‘In Zwitserland zaten we ’s winters opgesloten in de sneeuw, daar was ik lid van een schaakclub. Ja, wat moest ik doen in die ellendige sneeuw. Daar heb ik die rare ideeën gekregen van vogels, vissen, lucht, water.’
Nachtmerrieachtig.’
‘Dat is helemaal voor jullie verantwoording. Ik heb nooit bij een psychiater op de stoel gelegen. ‘’t Heeft ook iets van toveren. Houdt u van sprookjes?
‘Vroeger heb ik veel van Grimm gehouden. Als kind, ook als jongen was ik er enorm door gegrepen. Nu herlees ik The Hobbit, van Tolkien, de tocht van die dwergen. Er is geen werkelijkheid bij. Waarom (blik van alle speelsheid ontdaan) moet je net je neus gedrukt worden op die ellendige werkelijkheid. Waarom mag je niet spelen.’

Waarom vraagt u dat?
‘Soms heb ik het gevoel: mag dat nou wel. M’n werk is niet ernstig genoeg. Als je dit doet, terwijl op de tv die afschuwelijke Vietnam geschiedenis… Ik heb vrienden, toneelmensen, die woedend zijn omdat ik niet meega naar de schouwburg. Ik heb een keer ‘De dood van een handelsreiger’ gezien, een prachtig stuk, maar ik wil er niet meer heen. Daarom leef ik niet. Het leven is ellendig, dat weet ik ook wel. Ik lig niet voor m’n plezier wakker. Ik slaap slecht, als ik wakker lig neem ik The Hobbit. Die beschrijvingen zijn zo echt alsof hij er zelf heeft gewoond.

Ik leef helemaal in dat bos met de spinnen, dat is ook een werkelijkheid: géén werkelijkheid. Ik weet niet goed wat ik beginnen moet met de werkelijkheid, m’n werk heeft er niets mee te maken. Ik weet dat het fout is. Ik weet dat het je plicht is om mee te douwen, mee te helpen opdat het zich alle maal ten goede keert. Maar ik ben niet geïnteresseerd in de mensheid. Ik heb een grote tuin om me al die lieden van het lijf te houden. Maar in m’n gedachten komen ze binnen. Roepen ze: wat moet jij met die grote tuin. Daar hebben ze gelijk aan. Maar ik kan alleen werken als ik niet merk dat ze er zijn.

Ik voel niet zo broederlijk. Ik heb een stuk of drie, vier vrienden nog van de burgerschool in Arnhem. Die zoek je dan uit, omdat ze bij je passen. Ik heb ze niet losgelaten. Sommigen zijn dood.’

HOLLAND

Een bewonderaarster van u zei: aan z’n werk te zien zou je zeggen dat hij wreed is.
‘‘t Heeft niets met wreedheid te maken. Misschien is ze boos dat ik niet genoeg van de mensen houd, hen afwijs. Het kan ook een soort angst zijn voor de mens. Ik was als jongen erg kwetsbaar. Daar komt bij, hier in Holland mag niks. Ik herinner me dat ik in Den Haag liep met een rol tekenpapier onder m’n arm. Plotseling riep iemand in m’n gezicht: Ik met me rol! En hoe vaak ik niet uitgescholden ben: vanwege m’n sikje. Bè roepen ze, bè.’ Lacht. ‘M’n zoon is erg anti-Hollands. Ik ben het op mijn manier ook wel.’

Hoe kwam u op dat dier met vier mensenvoeten. U noemt het Wentelteefje, het loopt trappen op en af en als het haast heef kan het zich oprollen.
‘Dat idee kreeg ik toen ik op de fiets zat. Ik dacht, wat idioot, nou rol ik met wielen over de grond, dat gaat veel makkelijker dan te voet, dat knippen. God heeft vergeten dat wiel te maken, dat is stom geweest, daarom moet ik het maar doen. Ik heb het beest eerst moeten boetseren. Daarmee heb ik nooit moeite, met tekenen wel, dat kan ik niet goed, dat vind ik verschrikkelijk moeilijk, tekenen.’

(1951 Litho). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Hij neemt uit een kist drie Wentelteefjes van klei in gestrekte, in halve en helemaal opgerolde houding. Zet er een verdroogde kikker naast en een enorme mier van klei, op een gasplaat.

‘Willink weet niet waarom hij die naakte juffrouw in de straat zet, maar ik heb die mier gebuikt omdat een mathematicus uit Engeland me schreef: als je plannen hebt om een hand van Möbius te maken, dan moet je, om te illustreren dat die band maar één oppervlak heeft, er een mier in zetten, want die loopt maar door. Deze heb ik heel goed bestudeerd. Ik had hem uit het bos. Hij liep als een razende rond, na drie dagen was hij dood en een goed model. Nog voordat hij verkrampt was, heb ik hem vastgelijmd aan de pootjes. Het gekke is, het is geen echte mier, maar een grote Haarboskever. Toch zat hij in een mierenhoop, wat deed hij daar? Dat hij geen mier is zie je aan die knobbel. Meneer Hillenius zal dat leuk vinden. De knobbel heb ik eraf gelaten natuurlijk. Neemt van de stok boven m’n hoofd een prent waarop de Band van Möbius, in de vorm van een brede achtbaan, waarin zeven grote rode mieren kruipen. En toont de drie planken die voor deze afdruk nodig zijn, één voor het zwart, het rood en het grijs.

Band van Möbius II (1963, Houtsnede). MC Escher, The M.C. Escher Company, B.V.

Vroeger wist ik niet wat tijd was, ik ging maar door. Daar bestond mijn leven uit. Uit weinig meer dan dat. Nu, als ik met iets bezig ben, heb ik angst, denk ik elk ogenblik, misschien is het het laatste, tussen twee prenten in vind ik zelfmoord een aardige gedachte. Ik zou een club op willen richten van zelfmoordenaars. Alleen na je zeventigste kan je lid worden en het moet onder leiding staan van een medicus. Het mogen er niet te gek veel zijn. En zo nu en dan zegt eentje: het moet gebeuren. Dan wordt hij om zeep geholpen.

Als ik met iets bezig ben, ben ik als de dood om dood te gaan. Stel je voor, dat ik het niet klaar kan krijgen. Het zou geen verlies zijn, maar wèl voor mij. Als het af is, zie ik wat in de zelfmoordclub. Op dit ogenblik niet. Nee. Nu wil ik beslist niet dood.’

WIT-ZWART

‘De naam Wentelteefje is bedrieglijk, het is een somber dier, en het staat voor niets.
‘Er is niets dat zich rollend kan voortbewegen in de natuur, alleen een egel als je hem een trap geeft. Ja, dat wiel heeft onze lieve heer vergeten te maken, een stommiteit van onze lieve heer. Net of hij zo lief is. God kan er alleen zijn als er als tegenpool de duivel is. Dat is het evenwicht. Die dualiteit vind ik persoonlijk wel heel treffend. Maar dat schijnt ook niet te mogen. De mensen worden over dit soort dingen zo diepzinnig, dat je er al heel gauw niet meer bij kan. Terwijl het is zo simpel, wit-zwart-dag-nacht, de graficus leeft ervan.’

U zei dat u zo cerebraal was, ik merk het niet erg.
‘Ik ben met passie gaan werken toen ik ontdekte, dat ik zelf dingen had, die eruit moesten, dat ik iets kan uiten wat een ander niet heeft. Dat begon in Zwitserland met die domme bergen. Italië, het landschap, de mensen, die zeggen me wat. Zwitserland niet en Holland nog veel minder. We zijn noodgedwongen naar Zwitserland gegaan in ’34.

Van Mussolini’s fascisme hadden we als vreemdelingen geen last maar toen onze eigen zoon op school zo’n pakje aan moest trekken, néé…

Ik heb veel kameraden die zweren bij Picasso. Die zouden niet zonder Picasso kunnen leven, ze gaan ervan uit: hij heeft dat gedaan en wij gaan erop dóór.

Je moet eerst een heleboel opslurpen van je omgeving en dan gaat het erom het eruit te halen. Wat in je is moet eruit.

Maar ik begon met niks. Diertjes in mekaar zetten, uitknobbelen tot ze samen het vlak vullen is iets, wat anderen niet hebben gedaan. Ik moest het helemaal zelf doen, dat kost inspanning, geduld, tijd. En het wordt moeilijker naarmate je ouder wordt. Want dan word je minder gegrepen door het denkbeeld, dat je wilt uitvoeren. Dan ga je meer tijd verbeuzelen. Ze zeggen Escher heeft allerlei dingen uitgevonden, die vlakverdeling, dingen die speciaal van mij zijn en een beetje buitengewoon zijn misschien… Maar die zijn er door de gunstige omstandigheden uitgekomen. Ik had het voorrecht behalve ontwikkelde ook vermogende ouders te hebben. Ik ben niet als Vietnamees geboren. Je moet eerst een heleboel opslurpen van je omgeving en dan gaat het erom het eruit te halen. Wat in je is moet eruit.

Vandaar al die mensen, die prentjes van me kopen… ik zeg altijd: maak toch zelf wat… Probeer wat, doe zelf wat. Het irriteert me. Ik vind het lief, dat ze er echt centjes voor over hebben. Dat is (lacht) de enige norm die je hebt. Zonder centjes kan het niet. Ik krijg hier mensen van wie ik weet, dat ze het moeilijk kunnen missen en het er toch voor overhebben. Dat is een prettige gedachte… De enige norm is het stomme geld. Er zijn zulke aardige mensen bij, jonge architecten… Het brengt ze misschien toch op gedachten. Irriterend vind ik het als mensen slijmerig doen. Dames, die zo hemels gaan kijken. Dan denk ik: wat bezielt jullie toch.’

‘Misschien willen ze worden gepakt?’
‘Natuurlijk, ze willen gewoon gepakt. Die houding maakt me boos. Maar als ik ze niet had, zou het ook weer fout zijn.’

SCHUW

‘Gaat u vaak uit?’ 
‘Nooit, hoogstens naar het bos en alleen. Ik beleef het pas als ik helemaal alleen ben. Niet gehinderd door een vervelende vent of juffrouw die naast je loopt. De Kring? Ik weet niet eens waar die is in Amsterdam. Ik zou er veel te verlegen zijn, me moeilijk bewegen. Geen sprake van… Ik vind het heel vervelend … artiesten. Nee, ik heb nooit plezier gehad in uitgaan.
Met m’n werk moet ik alleen zijn. Ik kan niet hebben dat er iemand voorbij m’n raam komt. Daarom heb ik die tuin. Ik ben geluidschuw en bewegingschuw. Zoals Willink over die portretten sprak, ik kan het me wel voorstellen. Een portret maken kan ik psychisch niet aan. Zo’n vent die voor je zit, zo’n persoon is veel te hinderlijk voor mij. Ik heb alleen een heel enkele keer een portret van mezelf in de spiegel gemaakt. De mensen maken me gauw in de war.’

U maakte er een van uw vader.
‘Van m’n vader hield ik veel. Dat was een heel rustig model waar ik niet bang voor was. Hij was vijfenvijftig toen ik geboren werd, hij heeft altijd grote indruk op me gemaakt. Ik lijk op hem. Hij was ook een eenzame, zat veel in z’n kamer.’ (zucht).
Bent u nu heel anders dan vroeger?
‘Nee, ik denk eigenlijk dat ik helemaal niet ouder ben. Ik blijf jong. Ik word niet volwassen. In mij is het kleine kind van vroeger en ook de scherpte van geest van m’n zeventiende tot twintigjarige leeftijd. De gesprekken die we toen hielden over het leven, die waren niet mis hoor.’

Waarover? Sociale misstanden?
Escher lacht. ‘Néé. Ik geloof niet zo erg in het medelijden hebben met mekaar. De hele goeie uitgezonderd en die praten er niet over.’
De liefde?’
‘Helemaal niet. Mijn vader probeert me in een hoek te drukken, waar ik helemaal niet in wil. We spraken over waarnemingen… Een bakkersjongen in een straat, als hij de hoek omslaat, is die jongen weg maar als hij fluit, is hij er nog. Dat soort ideeën, mysteries. Je moet je blijven verwonderen, daar gaat het om.’

Ik ben alleen geïnteresseerd in wat ik zelf doe. Ik voel me sterk gevleid als wetenschapsmensen m’n werk goed vinden, maar het oordeel van een andere artiest doet me niks.

Komt u wel es in het Stedelijk Museum?’
‘Nooit. Ik vind veel leuker wat ik zelf maak. Ik ben alleen geïnteresseerd in wat ik zelf doe. Ik voel me sterk gevleid als wetenschapsmensen m’n werk goed vinden, maar het oordeel van een of andere artiest doet me niks. ’t Is ook geen kleinigheid, een man van de wetenschap te zijn. Goed, ze zitten ook gevangen in hun eigen weggetje. Ik zit ook gevangen in m’n eigen weggetje. Als kunstenaar moet je beperkt zijn, moet je deuren gesloten houden en je eigen weggetje gaan. Als ik met iets bezig ben, denk ik, dat ik het mooiste van de wereld maak. Als iets gelukt is zit ik er ’s avonds verliefd naar te kijken.

Een verliefdheid die ver boven verliefd zijn op een mens uitgaat. De volgende dag gaan je oogjes wel weer open. Ik vind wat ik zelf maak het mooiste en ook het lelijkste.’

Lange stilte.

ONEINDIGHEID

‘Tal van gedachten heb ik willen uiten. Dit (een cirkel waarin reeksen vissen die naar het midden toe steeds kleiner worden) is een van de pogingen de oneindigheid te bereiken voor die dieren. Ze worden oneindig klein… maar heel gauw komt het einde. Dan zijn de ogen niet goed genoeg, het hout niet hard, het mes niet scherp genoeg. Maar hier heb ik het andersom gedaan, dat is interessanter.

Hier, (de vissen worden naar de omtrek van de cirkel toe steeds kleiner en vormen daar een dichte rand) de hele wereld zit erin. Dit is de limiet, die harde rand is een diepe treffer, het zout der aarde. Dit is een geslaagde poging de oneindigheid in beeld te brengen. Ik heb hier dingen aangeroerd die professor Coxeter trachtte te gieten in formules. Ik heb met hem gecorrespondeerd, hij schreef brieven met ellenlange formules, waarvan ik niks begreep.

Op zijn verzoek heb ik een college bijgewoond in Toronto voor graduates en professoren. Hij begon driehoeken te tekenen en allemaal ronde lijnen. Ik zat erbij als een stom varken. Maar ik kan het wel tekenen.’ (Stem is zachter, maar heel hevig). ‘Dit is zeer boeiend en erg abstract. Daar kan ik met zo’n passie naar kijken. Daar ben ik van bezeten.’ (zucht) ‘Ik geloof dat dit wel het aardigste is van m’n hele werk. Dit heeft alles te maken met de regelmatige vulling van een vlak. De dingen die ik wil uiten zijn zo prachtig en zuiver.

En dit (kubische ruimteverdeling) al deze dingen geven een groot vermoeden van diepte. Hier zijn allemaal gaten in. Hier, een heel diep gat. Maar je zou het moeten buigen en dan zou je er een gebogen heelal van kunnen maken. Ik heb aan dit perspectief dagen en dagenlang getekend. Die lijnen lopen maar door, lopen maar door… En dit is een knoop, een moeilijke knoop, daar heb ik maanden aan geklungeld. Een heel stuk wiskunde is op die figuur gebaseerd.’

Tajiri maakt ook knopen.’
Escher, kwaad: ‘Die doet maar wat. Zonder er iets van te snappen. Dat is een sensitieveling, verder niks. Ik kan absoluut niet van gedachten wisselen met zo’n man. Pas als ik die knoop bespreek met wiskundigen heb ik er wat aan. Dat kan niet met meneer Tajiri. Nee, dat vind ik het ergste. Zo’n man zegt maar wat, dat kan je helemaal niet controleren. Meng je niet met die lui, doodgevaarlijk, die kunstenaars. Ik heb deze knoop in zilver…’

Hij gaat weg. In de gang hoor ik hem fluiten. Komt terug, legt een kleine zilveren knoop in mijn hand. ‘M’n drie schoondochters hebben hem alle drie van goud:’ Neemt de zilveren terug. Fluit in de gang.

Ik dacht dat de wetenschap volkomen buiten de wereld staat. Het heeft met het menselijke niets te maken.

POLITIEK

Die grote mathematici die u kent, interesseren die zich voor politiek?
‘Daar heb ik met hen nooit over gesproken. Maar ik dacht dat de wetenschap volkomen buiten de wereld staat. Heeft met het menselijke niets te maken. Ik ben te dom om als wetenschapsmens te leven, ik verwonder mij. Ik ben ook geen kunstenaar. Ik zweef tussen de wiskunde en de kunst. Ik speel een vermoeiend spel.’

Hebt u kunnen werken in de bezetting?
‘Ja. Ik woonde toen hier. De belangrijkste ideeën zijn het verst ontwikkeld in de oorlog.’ Ik heb nog steeds ‘de grootste moeite met de moffen. Duits kan ik niet horen. Ik was niet bij het verzet betrokken, maar ik had veel joodse vrienden, die vermoord zijn. Mijn oude leermeester De Mesquita. Hij wou niet onderduiken. Ze waren Portugese joden en de moffen hadden altijd gezegd, die behoren tot de elite. Op een nacht zijn ze met z’n allen weghaald. Zijn zoon Jaap, een knappe jongen, werkte dag en nacht… Hij ging vaak naar de moffen toe om met hen te spreken over z’n voorouders. Ze waren niet van adel maar toch bijna…

Op een slechte dag waren ze opeens weg. In ’44, in de hongerwinter. Ik wou wat brengen, appels… Ik ben hun woning ingelopen. De ramen waren kapot op de eerste verdieping. De buren zeiden: weet u het niet. De Mesquita’s zijn weggehaald. Dit (een tekening) lag op de vloer met de spijkerafdrukken van de laarzen van de moffen erin. Het lag onder de trap. En in z’n atelier was alles overhoop, alles op de grond. Tweehonderd prenten heb ik mee naar huis genomen. Later zijn die tentoongesteld in het Stedelijk Museum. Wertheim van ‘Kunstbezit’ heeft hem nog als metgezel gehad in Westerbork. Wertheim is de dans ontsprongen, de De Mesquita’s zijn weggevoerd.

Nu kan je wel hoog of laag springen, die dingen zijn niet te vergeten. Ik kan het niet. Ik heb nog steeds de grootste moeite met die moffen. Midden in de nacht weggevoerd. Hij zwaar ziek. Midden in de nacht weggehaald. En hij had gered kunnen worden. Ik heb zo bij hem aangedrongen. Nee, hij werd beschermd zei hij. Waarom zou hij onderduiken? Later heb ik me zelf verwijten gemaakt, maar ze wilden niet. Jaap had bij die besprekingen met de moffen er allerlei stambomen bij gehaald. Ze waren van halve adel. De moffen vonden dat indrukwekkend. Ze, kwamen hun huis bijna niet uit. Verschrikkelijk hoor, zulke lieve mensen, als geslacht vee weggevoerd.

Hij schijnt nu weer in de mode te komen. Dit jaar is z’n honderdste geboortedag. Er komt een tentoonstelling van hem in Den Haag. Hij was zwaar ziek, heel broos, maakte elke dag een tekening met de vulpen.

Ik heb veel aan hem te danken. Hij was mijn leraar in de grafische technieken aan de School voor Bouwkunde en Sierende Kunsten in Haarlem. Hij zag wat in mijn houtsneden. Heeft doorgedrukt dat ik daarin doorging. Als hij niet met m’n ouders gepraat had, was ik verder gegaan met bouwkunde. En ik heb nooit enige zin gehad in huizen bouwen. Wel in gekke huizen.’

deel dit verhaal

Lees verder

De gekoesterde geheimzinnigheid van Bibeb

In 2016 verscheen het boek De gouden jaren van het linkse levensgevoel: het verhaal van Vrij Nederland door John Jansen van Galen. Wij vroegen oud-redacteuren van VN naar hun favoriete verhaal. Eindredacteur Martje Breedt Bruyn deed jaren lang poging na poging het mysterie Bibeb te ontrafelen. Vergeefs.

andere verhalen
Advertisements

This Thing Called Life

Book review: This Thing Called Life: Prince, Race, Sex, Religion and Music by Joseph Vogel

Superstar, chameleon and Jehovah’s Witness, Prince was a glorious paradox. This account attempts to figure him out. Review by Victoria Segal

Mellow in yellow: Prince in Monaco, 1994
Mellow in yellow: Prince in Monaco, 1994PATRICK HERTZOG/GETTY IMAGES
The Sunday Times, 

If you lived in the Minnesota suburbs around the turn of the millennium, there was a small but startling chance that one day you might open your front door to find Prince standing there asking if he could speak to you about God.

How the world’s most recognisable pop star and the writer of the songs Soft and Wet and Gett Off (“23 positions in a one-night stand”) turned into a doorstep proselytiser after becoming a Jehovah’s Witness in the late 1990s is just one of the Prince paradoxes that Joseph Vogel explores in This Thing Called Life, his sober study of the superstar. More than Madonna or Michael Jackson, Prince’s companions in the peerless pop triumvirate that ruled the 1980s, Prince understood the magic of mystery, the power of blurring the lines. “Am I black or white, am I straight or gay?” he sang on Controversy, the title track of his 1981 album. “Do I believe in God, do I believe in me?”

These are the questions that Vogel, a professor of English in America, and the author of a book on Jackson, attempts to answer here. It is not an untested approach. Even before the 57-year-old’s cruelly premature death on April 21, 2016, from a fentanyl overdose, there was plenty of writing using words such as “binary” and “liminal” to explain his mercurial gifts.

A glorious anomaly: Prince in 2005
A glorious anomaly: Prince in 2005KEVIN WINTER/GETTY IMAGES

Vogel sensibly corrals the sprawling material of Prince’s life by organising the book into seven chapters, each one handling a different facet of his life: race, gender, sex, sound. He chose seven because Prince considered it a cosmically significant number, rare fancifulness in a book that has disappointingly little time for purple prose.

Instead, Vogel briskly collates his evidence (songs, interviews, other critics) meticulously tracing patterns in Prince’s evolution, occasionally succeeding in chipping bits away from his subject’s jewel-studded carapace.

In the chapter on politics, he asks whether the star was a liberal or a conservative: this was, after all, an artist who once said that Ronald Reagan had “bigger balls” than Jimmy Carter, yet whose song Darling Nikki (“I met her in a hotel lobby / masturbating with a magazine”) tipped Tipper Gore over the edge and led directly to the formation of the right-wing censorship group Parents Music Resource Centre.

It was easy to imagine Prince eternally sequestered in his studio complex, Paisley Park, lost in music and the most beautiful girls in the world, especially when he shunned the pop establishment by declining to appear on the charity single We Are the World in 1985. On Saturday Night Live, Billy Crystal satirised him by singing: “I am the world / I am the children.”

Prince’s notorious contractual wrangle with Warner Bros, when he wrote “slave” on his cheek and changed his name to a glyph, also seemed the mark of a man whose world revolved around his own tiny frame. Yet Vogel highlights his lyrical preoccupations with war and nuclear apocalypse (1999 is no party song) and shows how his political activism bloomed in the era of Black Lives Matter, playing in Baltimore after the police shooting of Freddie Gray.

It is, however, the chapters on race, gender and sex that underline what a glorious anomaly Prince was. When he supported the Rolling Stones at the Los Angeles Coliseum in 1981, wearing silky black bikini briefs and a trench coat, he suffered an avalanche of racist and homophobic abuse. Mick Jagger persuaded him to do another show but it was a grim repeat performance and he went home. “People that aren’t hip to it,” said Prince of these older white rock fans. “I hope they do get hip to it.” Their children certainly did: in 1984, Purple Rain was the No 1 album and film in America.

Yet Prince was never about fitting in. “The girls loved you, the boys hated you,” Prince said about his school days, “they called me Princess.” Vogel argues that, like David Bowie, part of Prince’s legacy was the wonderful sexual confusion he trailed behind him. Just as gangsta rap exalted “authenticity” and hyper-masculinity, Prince was photographed naked for the sleeve of 1988’s Lovesexy, perched on a flower like an X-rated Thumbelina.

Prince with his second wife, Manuela Testolini, in 2004
Prince with his second wife, Manuela Testolini, in 2004FRANK MICELOTTA/GETTY IMAGES

Vogel can’t quite pin down Prince’s fluidity, though: exactly what drove him to record an album as female alter-ego Camille, for example? How much was his commitment to working with female artists driven by “ulterior motives”? What is clear is that Prince’s libidinous attitude shifted when he became a Jehovah’s witness, his conversion triggered by the death of his newborn son Amiir in 1996. Sex and spirituality were always intertwined in his music, but now the latter took over and the first artist to “reveal his bare ass on television” (at the 1991 MTV Music Awards) now gave interviews admiring the burqa and tapped a Bible while tutting about “people sticking it wherever and doing it with whatever”.

More than his beauty (Joni Mitchell described his eyes like those of a puffin), his prodigious musical gifts, or his formidable performances, it is Prince’s aura of mystery that has kept his devotees so long enthralled. “It seems from the already-flourishing explosion of journal articles, panel discussions conferences and books that Prince will become a field of study,” says Vogel hopefully, but that doesn’t feel like a desirable outcome. Illuminating though it is, his book can’t quite crack Prince’s mysterious code. That, for fans, might well be its greatest strength.

Close to his sister
Prince did confirm a sexual story in his 1980 song, Sister. Yes, he confessed, he did have a sexual encounter with his elder stepsister. In 1983, he said: “It’s just an incident in my life. It’s real, it’s a subject that a lot of people try to avoid.” Writing about such taboo experiences felt liberating. “It was a revelation recording this last album. I realised that I could write just what was on my mind and things that I’d encountered and I didn’t have to hide anything.”

Bloomsbury £19.99 pp240

The Unmapped Mind

Book review: The Unmapped Mind: A Memoir of Neurology, Incurable Disease and Learning How to Live by Christian Donlan

At 35, the author, father to a young child, was diagnosed with MS. This is his story. Review by Helen Davies

Christian Donlan, pictured with his daughter, charts the ‘mysterious geometry’ of parenthood
Christian Donlan, pictured with his daughter, charts the ‘mysterious geometry’ of parenthood
The Sunday Times, 
Share

Save

One January morning in 2014, Christian Donlan lurched upright in bed and announced: “I think I’m having a heart attack…My hands feel like Pop-Tarts.”

In the wake of earlier symptoms, such as numbness, an occasional quaver in his voice, a new clumsiness mapped out on his body in bruises and a rushing sensation that he could only describe as “felt sounds in his spine”, this latest tingling was a serious wake-up call.

Donlan, now 39, was diagnosed with relapsing-remitting multiple sclerosis. Life in his recently purchased bungalow on the far outskirts of Brighton, with his wife Sarah and daughter Leon, carried on as normal. Yet nothing would be the same again. He would construct Lego towers during the day, and at night sizzle with energy in his search to find out as much as possible about the neurological phenomenon.

More than a century after the French neurologist Jean-Martin Charcot first described MS as “marked enfeeblement”, much about the life-altering disease remains mysterious (people talk of feeling moths on their skin as their eyelids spasm), insidious and incurable. MS can affect almost every part of the body, causing anything from gently prickling fingers to full-blown paralysis. In between you can get everything from incontinence to difficulty in swallowing, from fatigue to (in Donlan’s case) bursts of euphoria.

Yet “at its worst, multiple sclerosis is nothing,” he writes. “A literal nothingness: the stillness of spasticity, the quiet of an addled mind. Day to day, I sometimes feel I am chasing a little pool of nothingness around inside me, the way I might tilt an air bubble up and down through a spirit level. Sometimes it pools in the brain, a wordlessness, a theft of language that, on reflection, makes me wonder if I need nouns and verbs and adjectives in order to have any thoughts at all.”

All of which makes this memoir even more remarkable and revelatory. Donlan is not alone in finding his life shifting on its axis and also not alone in choosing to write a personal account of it (this is the sort of hybrid medical memoir that is proving popular on global bestseller lists), but I’m glad he did. The Unmapped Mind is a dazzling achievement.

Donlan, a freelance journalist and features editor at Eurogamer.net, charts the “perverse adventure of illness” alongside the “mysterious geometry” of new parenthood, a relationship that is made almost embarrassingly poignant by the fact that his daughter takes her first steps on the same day that he is diagnosed. It means that as Donlan (an anxious child who became a fretful man) starts to wobble, she is finding her feet and learning how to talk, while his universe starts to contract. Indeed, he ends up receiving treatment in the same NHS ward as his eldest brother, Ben, who was diagnosed with a brain tumour when he was 22.

Donlan monitors the jolting progression of the disease as symptoms flare up, fresh nerves ignite and new lesions show up on the MRI scan: double vision, a hallucination (or was the ghost real?), a stutter, his overblown blinkered egomania are all delicately described as he tries to navigate opposing sensations: “The fog of complete bewilderment, the toxic Zen of total comprehension.”

He meets fellow patients when he undergoes chemotherapy. One lady has a “taut, ruined grace to her”; and Edward “looks like he might work inside the head of a dandelion somewhere, his fine white hair a grasping of loose filaments as he tilts back and forth through the clear summer air”.

Throughout it all the tone is mainly that of kindness and keen observation, especially from his wonderfully grounded wife, and a deeper rekindling of his relationship with his father. That is not to say there are not some profound lows, including a trip to Ikea, when he found he “could not shake off this glimpse of the abyss that had opened up, so gapingly, in a suburb of Croydon”.

His latest wake-up call comes when he has to conclude that while his MS could always get worse, he has to concede that his handling of it should not deteriorate any further, both for his health and for the happiness of all those around him. “Remember that life is moments, that MS is a disease of the moments, and it says, in its swiping carelessness, that the moments matter.”

And that pretty much sums up Donlan’s unmapped mind and the power and beauty of his quietly electrifying memoir.

Viking £14.99 pp304

Zelf compassie

Als je geen compassie toont met jezelf, raak je zo opgebrand

Marco Visser

Wie strenger is voor zichzelf dan voor collega’s, holt een doodlopende weg in. Hoog tijd voor een oefening in zelfcompassie.

Een lezer voelde zich afgelopen week niet zo lekker. Verkouden, beetje duizelig. Het liefste wilde ze een paar dagen thuis blijven, maar daar kon volgens haarzelf geen sprake van zijn. Terwijl ze wel tegen haar collega’s zegt dat ze naar huis moeten als ze met hoofdpijn op het werk verschijnen.

Hetzelfde patroon ziet ze als collega’s zichzelf over de kop rennen. Doe eens rustig aan, zegt ze dan. Maar als ze zelf behoefte heeft aan rust, gaat er nog een tandje bij. Dat klinkt sociaal en empathisch, maar ergens voelt de lezer uit de zorgsector dat zij met deze houding een doodlopende weg in rent. Is er een uitweg?

Wel volgens psychiater Remke van Staveren. Zij is de initiatiefnemer van Hart voor de GGZ, een beweging die werken met compassie en zelfcompassie in de zorg wil bevorderen. De uitweg voor de lezer ligt in zelfcompassie, een begrip dat uit het boeddhisme komt. “De boeddhistische leer zegt dat je geen compassie kunt beoefenen zonder zelfcompassie”, zegt Van Staveren. “Dat is de kernboodschap aan de zorgverlener die de vraag stelde. Want zonder zelfcompassie is het moeilijk compassie te hebben met de patiënten.”

Even lukt dat nog wel, maar op langere termijn raakt iemand opgebrand. “Dat zie je massaal gebeuren in de zorg. Je moet echt eerst om jezelf denken. Zelfcompassie zou een grondhouding moeten zijn. Daar rust een groot deel van je mentale welzijn op”, zegt Van Staveren. En wie goed in zijn vel zit, heeft de energie om compassie met de ander te tonen.

Opvoeding

Zo logisch als het klinkt, zo lastig is het om begripvol en vergevingsgezind te zijn voor jezelf. Hoe komt dat? Volgens Van Staveren hangt dat deels samen met opvoeding. “Denk eerst om de ander, hoor je vaak. Maar je zou eerst aan jezelf moeten denken en dan aan de ander.”

Wie wil weten of hij of zij te weinig zelfcompassie heeft, moet luisteren naar de innerlijke stem. Die stem klinkt bij veel mensen geregeld als een strenge criticus. “Als mensen niet tevreden zijn over wat ze hebben gedaan, spreken zij zichzelf bestraffend toe. Maar stel je eens de volgende vraag: wat als je beste vriend dezelfde fout had gemaakt, zou je dan ook zo reageren? Als je begripvoller zou zijn, waarom kun je dat dan niet voor jezelf opbrengen? Het is een goede oefening in zelfcompassie, jezelf afvragen of je tegenover een vriend milder bent dan tegenover jezelf.”

12 Rules for Life

WTF? Where do these fruitcakes come from?

Om de Canadees Jordan B. Peterson (1962) te hebben zien aankomen, had je heel goed moeten opletten. Hij gaf als klinisch psycholoog les, eerst op Harvard en daarna aan de Universiteit van Toronto, en publiceerde negentien jaar geleden zijn enige andere boek, het weinig opgemerkte Maps and Meaning. Daarna raakte hij actief op webfora en begon video’s op YouTube te zetten. In die video’s had hij het over alles – over de klassieke mythen, negentiende-eeuwse westerse filosofen, kunst, literatuur, Disney-films, maar vooral over de invloeden van en in de bijbel. Vanuit de bijbel waaierde hij uit naar andere thema’s: betekenis zoeken, opoffering, zelfrespect.

Op een ik-draai-er-niet-omheen-knul-toon sprak hij een steeds groter wordende groep kijkers toe over het leven. En het leven is hard, het is lijden, we moeten niet denken dat iedereen aardig, tolerant, meegaand, conflict vermijdend mag zijn. Trap niet in de progressieve ideologieën dat we alles met elkaar kunnen delen. De wereld bestaat uit een verzameling competitieve hiërarchische systemen, en je moet je rug rechten en je mouwen oprollen om status, geld en liefde te verwerven.

In 12 Rules for Life borduurt hij hierop verder. Het leven is verdeeld in twee mogelijkheden, zegt hij. In orde en in chaos. Orde is verkend terrein: ‘Dat is de honderden miljoenen jaren oude hiërarchie van plaats, status en autoriteit. (…) Orde is stam, religie, haard, huis en land. Het is de warme geborgen huiskamer waar de haard brandt en de kinderen spelen. Het is de vlag van de natie. Het is de waarde van de valuta. Orde is de vloer onder je voeten en je plannen voor de dag. Het is de grootsheid van traditie, de rijen schoolbanken in het klaslokaal, de treinen die op tijd rijden, de kalender en de klok.’ En, zegt hij herhaaldelijk, orde is mannelijk.

Chaos daarentegen is vrouwelijk, irrationeel, onvoorspelbaar: ‘Chaos is wat zich, eeuwig en ongelimiteerd, uitstrekt voorbij de grenzen van alle staten, alle ideeën en alle disciplines. Het is de buitenlander, de vreemdeling, het lid van een andere bende, het geruis in de struiken ’s nachts, het monster onder het bed, de ingehouden woede van je moeder, en de ziekte van je kind. Chaos is de vertwijfeling en de ontzetting die je voelt als je schandelijk verraden bent. Het is de plaats waar je terechtkomt als je wereld instort; als je dromen verdampen, je carrière een knauw krijgt of je huwelijk op de klippen loopt. Het is de onderwereld van sprookjes en mythen, waar de draak en het goud dat hij eeuwig bewaakt naast elkaar bestaan.’

Die chaos neemt toe, door ons eigen toedoen, schrijft Peterson. Sinds het moment dat Nietzsche God dood verklaarde zijn we ons morele kompas verloren, het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk verdwijnt de laatste veertig jaar zienderogen, waarheden die millennia onze normen bepaalden worden weggerelativeerd. De millennials die zich nu inschrijven bij geesteswetenschappen om de beste boeken ooit geschreven te mogen lezen, krijgen niets van de morele waarden van die boeken mee; in plaats daarvan krijgen ze ideologische identitaire aanvallen op de teksten. Peterson beschrijft dat hij op een congres een hoogleraar een groep studenten hoort vertellen dat hij en zijn vrouw – gezien de staat van de planeet – bewust maar één kind hebben genomen, en dat zij moeten overwegen hetzelfde te doen, als ze zichzelf als ethische wezens beschouwen. Peterson vindt het exemplarisch voor de ‘anti-humane’ intellectuele elite: die wil dat je je schaamt dat je bestaat, en dan vooral als je een man bent. >

Daarmee is meteen duidelijk wat de doelgroep van Peterson is: jonge mannen die op school en op het werk voorbij worden gestreefd door vrouwen en door minderheden. Ze voelen zich vernederd, overbodig, ze worstelen met fluïditeit en relativisme, missen een autoriteit, leidende (vader)figuren, en zoeken naar iets dat betekenis geeft.

En dus heeft Peterson twaalf regels opgesteld. Hij begint met de kreeft. Als een kreeft een gevecht met een andere kreeft heeft verloren, en bijvoorbeeld een voelspriet is kwijtgeraakt, dan verandert zijn fysionomie. Hij wordt banger, kleiner, zijn hersenen krimpen zelfs. Zo komt hij bij zijn eerste regel: wat er ook gebeurt, als je niet wilt dat je hersens krimpen: loop rechtop, schouders naar achteren.

Book review: Natural Causes: Life, Death and the Illusion of Control by Barbara Ehrenreich

Polemical: Barbara Ehrenreich
Polemical: Barbara EhrenreichBLOOMBERG/GETTY
The Sunday Times, 

Barbara Ehrenreich is an award-winning American columnist with a penchant for telling America what it does not want to hear. In Smile or Die (2010), written after she was diagnosed with breast cancer, she derided the American craze for “positive thinking”. In cancer support-groups, she was surprised to find, positive thinking was widely held to help arrest the disease — a belief unsupported by scientific evidence and on a par, in her view, with magic. Further, the idea that thinking positively about what you want helps you to get it, has, she contends, undermined US culture far beyond the sphere of cancer treatment. It might have been one cause of the financial crash.

Her new book also centres on the mind-body divide, but the target of her satire this time is the multibillion-dollar “wellness” industry with its thousands of luxury gyms and health resorts, its personal health monitors, now worn by a third of American consumers, and its corporate wellness programmes designed, she asserts, to prevent flabby people getting hired or promoted.

Wellness, she observes, is now a class-marker. Smoking and obesity identify you as socially inferior. She once spent three months living on the minimum wage as a waitress, hotel maid and cleaner, and wrote up the results in Nickel and Dimed (2001). Blue-collar jobs, she found, are more stressful and put more strain on the body than white-collar, which is why smoking, alcoholism, opioid abuse and suicide are more common among the poor. Wellness is a luxury.

At the other end of the social scale her new book investigates a number of Silicon Valley billionaires. Insulated from reality by their vast wealth and technical genius, some of them, she finds, actually believe they will live for ever by reprogramming their biochemistry. She blames them not just for hubris but for destroying America’s mind. Thanks to iPads, iPhones and computers, the average adult American’s attention span has shrunk, in a dozen years, from 12 to 8 seconds, which, she says, is less than the attention span of a goldfish.

This is good news for the pharmaceutical industry, which has developed drugs to treat attention-deficit disorder in school-age Americans, or at least those with rich parents. It has also boosted the cult of “mindfulness”, based loosely on a vulgarised form of Buddhism. There are now more than 500 mindfulness apps for your iPhone to escape from the modern world into age-old serenity.

Natural Causes is an autobiography as well as a polemic. Looking back over her life, Ehrenreich, now in her mid-seventies, finds that what she dislikes most are doctors. They have never been her favourite people. She opted to give birth to her first child, in 1970, in a public clinic, where she was the only white patient. It was late in the evening and the doctor, anxious to get home, induced labour. Ehrenreich was furious, and it made her a feminist. She does not repeat that anecdote here, but there is much else about the medical profession in Natural Causes, and little to its credit.

An older runner in America
An older runner in AmericaDAVID MADISON/GETTTY

Doctors, she alleges, aim to dominate patients, especially women. They see women’s bodies as their exclusive property, and their over-medicalisation of childbirth makes women feel powerless, demeaned and dirty. Doctors’ white coats and masks, although justified by a “veneer” of science and hygiene, are really part of a ritual of humiliation comparable, Ehrenreich suggests, to rituals among the Ndembu of Zambia. Her tirade has its own passionate appeal, but it risks sounding peevish and ungrateful. After all, the medicalisation of childbirth in America, where she was lucky enough to have her children, must be one reason why the infant mortality rate there is 10 times lower than in Zambia.

The last section of her book is the most eccentric, as she turns her attention to selfhood. It is the self, she believes, that makes death scary because we are terrified by the thought of a world without us in it. She thinks the idea of the self was invented in the 17th century, which can’t be true, for Socrates’s famous precept, “know thyself”, evidently assumes there is a self to know, but history is not her strong point. The discovery, in recent years, that some cells in the immune system actually aid the growth of tumours, is, she feels, another blow to the idea of a “self”, because it shows the body is divided against itself. That, too, seems questionable, because when people talk of their “selves” they generally mean their thoughts, memories and imaginings, not their cellular structure, which few know anything about.

Her third reason for doubting human selfhood is that it is too exclusive a claim. We may, she believes, have millions of “selves” inside us with their own aims and intentions. She read science at university and wrote a PhD on the immune system, so she knows from experience that some cells act in ways we cannot predict or understand, as subatomic particles do. Perhaps, she thinks, they make decisions — although when she suggests this on the phone to a cell specialist, he guffaws. All the same, she clings to the idea that the world is not dead (as, she believes, science alleges), but teeming with life.

This can be experienced, she claims, if you take the psychedelic drug psilocybin. Patients who have tried it undergo a magical loss of self and a radiant vision of an animated universe. It seems she has not read Aldous Huxley’s classic The Doors of Perception (1954), where he describes the “ego-less” realm of radiant beauty he entered after taking mescaline. Even the folds of his grey-flannel trousers became “a labyrinth of endlessly significant complexity”. It was like the world Adam saw in Eden (minus the trousers, of course). What neither Huxley nor Ehrenreich explains is why taking a hallucinogen should give you a truer view of the universe than, say, getting extremely drunk. That aside, the wit and fighting spirit of this book show no sign of failing powers and will delight Ehrenreich’s many admirers.

Granta £16.99 pp256

Sara is aan het sterven, maar niemand wil haar helpen

Ze is 30 jaar, maar weegt nog geen 30 kilo. Zeer bewust is ze zich van het diepe zwarte gat waarin ze al drie jaar zit, de hel die anorexia heet. Sara* wil ontsnappen, maar er is geen hand die haar uit het moeras trekt. Dit is Sara’s noodkreet.

Yoni Pasman 
Sara is 30 jaar, maar 30 kilo weegt ze niet meer ©FOTOPERSBUREAU HISSINK

Al sinds ik Sara volg, vraagt ze wanhopig om hulp. In een jaar tijd schreef ze zeker tien klinieken aan, waarvan zeven in de laatste vier weken. Slechts één kliniek nam haar aan, Amarum in Zutphen. Maar daar ging ze anderhalve maand geleden weg, na een verblijf van vijf maanden. Ze boekte geen progressie omdat de aanpak van de kliniek niet bij haar paste.

De enige reden waarom Sara in Zutphen wél werd aangenomen, is omdat ze vergaten naar haar BMI te kijken – de waarde waarmee je objectief kunt kijken of iemand op een gezond gewicht is. Onder de 18,5 wordt het zorgelijk. Onder de 14 ben je psychisch niet stabiel. Sara heeft een BMI van 12. Dus wordt ze nergens toegelaten. Ze moet eerst aankomen.

Bij een zo lage BMI als die van Sara, moet iemand naar het ziekenhuis. Aan de sondevoeding, zo snel mogelijk kilo’s erbij krijgen. Met alle gevaren van dien. Want een lichaam dat zo lang is uitgehongerd, kan niet zomaar zwaarder worden. ‘Refeeding syndroom’ heet dat, en het is levensgevaarlijk. Bovendien verdwijnt de eetstoornis daarmee niet.

Sara deed het drie keer eerder, de laatste keer toen ze in Zutphen werd behandeld. Dat ging met veel weerstand – de ziekte is sterk bij haar. In gewicht aankomen zónder daar zelf voor gekozen te hebben, werkt vaak averechts. Na elke sondevoeding is de terugval des te groter.

Manipulatief

Kilo’s zijn Sara’s grootste vijand – althans, van haar ziekte dan. Ze heeft twee uitingsvormen: een gezond deel en een eetgestoord deel. Dat laatste is leugenachtig en manipulatief. Het is een stem in haar hoofd die haar dingen influistert. Niet alleen hoe ze tegen anderen moet doen, ook hoe ze over zichzelf moet denken en hoe ze zichzelf moet afstraffen.

Soms is haar gezonde deel sterker dan haar stoornis, en komt ze een beetje aan.

Soms is haar gezonde deel sterker dan haar stoornis, en komt ze een beetje aan. Pondje na pondje. Dan maken we de gekste plannen. Een paar dagen Parijs, een speeddatesessie… We verkneukelen ons als we fantaseren over onze toekomst, lachen met tranen in onze ogen. Maar dan neemt de ziekte het toch weer over. Want er hoeft maar een kleine tegenslag te zijn, of ze kijkt met minachting naar zichzelf. Dan moet elke gram worden afgestraft. Dat doet ze niet alleen door te weinig te eten. Ze heeft bewegingsdwang. De anorexia vertelt haar dat ze móet bewegen om af te vallen. Als dat gebeurt, zie ik niet meer Sara, maar die leugenachtige ziekte. Die kan ze niet zomaar uitzetten. Net zomin als je een nies kunt inhouden.

Ja, het begint vaak eerst met een onschuldig dieet. Maar na een tijdje wordt het een dwangneurose, zoals een verslaving of ernstige smetvrees. ‘Gewoon eten’ is er dan niet meer bij. Ze kan niet meer eten omdat ze met zichzelf in de knoop zit. Omdat ze onverwerkte jeugdtrauma’s heeft. Ze is bang om weer te voelen, want de eetstoornis schakelt bijna alle emoties uit. Ze gaat pas weer eten als er iets aan haar angst is gedaan. Eerst moet ze psychisch herstellen, daarná kan ze pas lichamelijk herstellen. Maar ze heeft hulp nodig.

Losgelaten

Nu zit ze thuis, alleen. Heeft ze wekelijks een gesprek met haar psycholoog van Amarum, de Zutphense kliniek. Meer hulp krijgt ze niet.

Sara – 30 jaar en amper 30 kilo – wil niet meer leven met haar ziekte, anorexia nervosa. Haar vriendin Yoni (rechts) begrijpt haar, maar wil haar niet verliezen. ©FOTOPERSBUREAU HISSINK

Ik ging laatst met haar mee naar zo’n gesprek, luisterde en stelde kritische vragen. Echte antwoorden kregen we niet. De psycholoog bevestigde het probleem, net als alle klinieken die ik belde voor dit verhaal. Eetstoornispatiënten bij wie een standaardbehandeling niet aanslaat en sondevoeding geen optie meer is, vallen tussen wal en schip. Ze worden losgelaten, terwijl juist zij het hoogste risico lopen.

Sara weet ongeveer wat ze nodig heeft. Werd er maar meer naar haar geluisterd. Gingen ze er maar niet blind vanuit dat ze psychisch niet helder is – want dat is ze best. Hielden ze maar minder vast aan normen en namen ze haar maar op. Want ze wil echt beter worden.

Inmiddels heeft Sara geen energie meer om het te proberen. Ze belt en belt, naar allerlei klinieken, zelfs in het buitenland. Alle hebben wachtlijsten van minstens tien weken. Ze beloven nog dezelfde week terug te bellen, maar doen dat niet. En als ze er dan achteraan belt, blijkt er soms niks gebeurd. En uiteindelijk is het antwoord altijd nee. Nee, je kunt niet bij ons komen. Want je moet eerst aankomen. Radeloos wordt ze ervan.

Hart

Ondertussen slaat mijn hart over bij elk telefoontje met haar naam in het scherm. Altijd ben ik bang haar moeder aan de lijn te krijgen, met het slechte nieuws. Elke dag gaat het door mijn hoofd, als ze een paar uur niet reageert op appjes. Dan zie ik haar ineens liggen, in een kist, dat kleine mensje. En zit ik te hikken van verdriet.

Soms is het zo donker dat ze liever opgeeft. ,,Dit is geen leven”, zegt ze dan. Lachen doen we de laatste tijd maar weinig. Plannen maken al helemaal niet meer. ,,Uitzichtloos”, noemde ze haar situatie vorige week.

Via de huisarts heeft ze inmiddels een gesprek geregeld met De Levenseindekliniek. Natuurlijk wil ze léven. Ze wil alleen dit leven niet meer – met die anorexia. En hoewel ik niet zonder haar wil, begrijp ik haar. Want dit ís geen leven.

Klok

Hoe wreed. Want die intelligente vrouw, de grappenmaker, het attentste, liefste en mooiste mens dat ik ken, heeft nog zoveel te bieden. Voordat ze ziek werd, stond ze voor iedereen klaar. En zelfs nu, terwijl ze zo zwak is, doet ze nog vrijwilligerswerk. Voor de schouwburg, en tot voor kort ook voor VluchtelingenWerk. Ze oordeelt niet, over niemand, behalve zichzelf.

Dat mooie mens mogen we niet verliezen. Er moet iets gebeuren – en snel. Want de klok tikt. Onverbiddelijk.

* De naam Sara is gefingeerd. Ze wil niet met haar echte naam in de krant. Na haar herstel – want daar blijft ze op hopen – wil ze iets met haar ervaringen doen. Mocht dat niet lukken, dan wil ze niet haar leven lang achtervolgd worden door haar verleden. Toch wil ze de ziekte een gezicht geven. Dus kiest ze ervoor wél met foto, maar niét met naam in de krant te gaan.