‘Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald’

Het Amsterdamse gezin Krieg overleefde als een van de weinige gezinnen in zijn geheel de oorlog. Dochters Suze (87) en Mirjam (84) zwegen daarna over hun kampverleden. Hun verhaal is onderdeel van een expositie in het Stadsarchief.
Hanneloes Pen 
De zussen Mirjam (l) en Suze Krieg, die samen met hun ouders het kamp Bergen-Belsen overleefden ©Hanna Snijder

Over de oorlog praten doet Mirjam Krieg liever niet. Ze zit niet te wachten op medelijden, zegt ze. “Je wordt er ook ziek van als je erover praat. Wij zitten in een vat met een deksel erop.”

De zussen Suze en Mirjam Krieg om de tafel krijgen, kost enige moeite. Ze hebben periodes dat ze ‘even’ niet met elkaar praten. De laatste keer dat ze elkaar zagen, was een maand of tien ­geleden. “We hebben altijd mot. Over iets wat gezegd is, over kleine dingen. We zijn ook heel verschillend,” zegt de jongste, Mirjam.

Nu zitten ze samen op de bank, bij Suze thuis, en dat is ­bijzonder. Ze wachten ogenschijnlijk geduldig af tot de ­ander is uitgesproken. “Mag ik nu?”

Het gezin Krieg – vader, moeder, twee dochters – werd in 1943 naar Westerbork gedeporteerd en kwam zeven tot acht maanden later terecht in het concentratiekamp Bergen-Belsen. “Het wonderlijkste van het wonderlijkste is dat we het met zijn vieren hebben overleefd,” zegt Suze.

Hun ouders, Hans Krieg en Regina Sternlieb, vluchtten in 1933 met hun dochtertje Suze vanuit Breslau naar ­Amsterdam, waar dat jaar Mirjam werd geboren. Hans Krieg, componist en dirigent, werd directeur van de Joodsche Orkest-Vereniging Amsterdam en werkte voor het koor van de Liberaal Joodse Gemeente. Er kwamen bij hen thuis veel Duits-Joodse artiesten over de vloer.

Allesbehalve rijk
Mirjam: “Voor de oorlog hadden we het heel slecht, maar dat was onze redding om het kamp te overleven. Wij waren ­allesbehalve rijk. We hadden niets.”

Links Mirjam Krieg, rechts Suze Krieg ©Jeugdfoto

Suze: “We kregen samen één ijsje of konden samen een autoped huren voor een half uur.”

In de boekenkast staat een foto van de beide zusjes, acht en vijf jaar oud, in zomerjurkjes. Ze zijn aan het spelen vlak voor hun huis in de Molenbeekstraat in de Rivierenbuurt. Ze vormden een hecht gezin. Er was altijd muziek in huis. Hun vader zei ­altijd: “Eten is het voedsel voor het lichaam, muziek voor de ziel.”

Hans Krieg kreeg in de oorlog een Sperre, een speciale stempel, vanwege zijn functie als organist en koordirigent waarmee het gezin voorlopig was vrijgesteld van deportatie. In mei 1943 moesten ze echter verhuizen naar het Afrikanerplein in de Transvaalbuurt waarvandaan Joden werden gedeporteerd. “Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald,” zegt Suze.

Tot driemaal toe ontkwamen de Kriegs in Westerbork aan deportatie naar Auschwitz. De eerste keer speelde Hans Krieg in een revue, de tweede keer kreeg Suze hepatitis en later lag Mirjam in het ziekenhuis.

In Westerbork lukte het om op de zogenoemde Palestinalijst, voor uitwisseling tegen Duitse krijgsgevangenen, te worden geplaatst. Ze werden begin 1944 naar Bergen-­Belsen gedeporteerd.

Hun vader kwam te werken in het ‘schoenen-commando’, hun moeder in de gaarkeuken. De zusjes, toen tien en dertien jaar, waren de hele dag op zichzelf aangewezen. Ze moesten zelf hun eten organiseren in het kamp waar honger, kou en ziektes als tyfus en dysenterie heersten.

Op de laatste trein
Mirjam Krieg heeft haar verhaal in 2011 in het KRO-­programma De Wandeling verteld, opdat mensen de oorlog niet vergeten. “Eten? Het was net iets te veel om te sterven en te weinig om te leven,” zegt ze in het programma. “Het enige voordeel van Bergen-Belsen was dat er geen gaskamers waren, maar je ging er wel zelf dood.”

De her­in­ne­rin­gen aan het kamp raakt Suze niet meer kwijt. Op haar zeventiende werd ze diverse keren opgenomen

Suze: “Er is weinig aandacht besteed aan die paar kinderen die het kamp hebben overleefd. We kunnen je details vertellen waarvan je haren te berge rijzen, maar wij waren sterk. Ik heb ook nooit gedacht dat ik zou sterven. Ik dacht wel als onze ouders sterven, dan gaan wij er ook aan.”

Vanwege het oprukken van de geallieerde troepen werden de bijna zevenduizend gevangenen uit het kamp in drie treinen gezet en weggevoerd. De laatste trein, met het gezin Krieg, reisde twee weken doelloos rond. De trein werd bekend als het ‘verloren transport’. Die trein was het angstigste wat Mirjam is overkomen, zegt ze, omdat ­niemand wist wat er ging gebeuren.

In april 1945 werden ze uiteindelijk door het Rode Leger bevrijd in het Duitse Tröbitz. “We hebben een karren­wagen gehaald en mijn moeder erin gezet,” zegt Suze.

Een maand lang bivakkeerden ze in de omgeving in een leegstaand huis in een verlaten dorp. De kinderen vonden weckflessen met fruit en groenten in de kelders van huizen waarvan de bewoners op de vlucht waren geslagen. “Mijn ouders waren dood- en doodziek. Als wij toen niet voor ze hadden gezorgd, hadden ze het niet gered.”

Ze kwamen uiteindelijk weer terug in Amsterdam waar ze onderdak kregen bij familie in De Pijp. Suze had vlek­tyfus opgelopen en was in Limburg een tijd opgenomen. ­Uiteindelijk kregen ze via een kennis een woning op de Prins Hendriklaan in Zuid.

Elektroshocks
De herinneringen aan het kamp raakt Suze niet meer kwijt. Op haar zeventiende werd ze diverse keren opgenomen. Ze zat een half jaar op de gesloten afdeling van de ­Valeriuskliniek, waar ze werd gefixeerd en elektroshocks kreeg toegediend. De Joodse psychiater Max Hamburger nam haar in analyse, waarna ze een ‘redelijk’ leven kreeg.

Suze pakte  de draad geleidelijk weer op en kwam op het Amsterdams Lyceum terecht. Ze verzweeg haar kampverleden, net als haar zusje, dat op de ulo zat.

Het buurmeisje kwam naar me toe en zei: ‘Ze hebben jullie vergeten te vergassen’

Mirjam: “Het was zoiets absurds, zeker vergeleken bij het gewone leven. Het was een zwart donker gat in jezelf.”

Suze: “Je had veel beter niet uit de oorlog kunnen komen. Ik heb drie zelfmoordpogingen gedaan. Ik vond het leven onverdraaglijk. In het kamp stapte ik een keer in een ­deken en daar bleek een lijk te liggen. De Kapo sloeg me eens ­keihard toen ik doodziek was en mijn bed niet kon uitkomen om urenlang op appel te staan. Als je al die herinneringen kunt stopzetten, heb je nog een keus, anders niet.”

Terug in Nederland werden ze opnieuw geconfronteerd met Jodenhaat. Mirjam: “Aan de overkant woonde een ­gezin, zuivere antisemieten. Dat buurmeisje kwam naar me toe en zei: ‘Ze hebben jullie vergeten te vergassen.’ Ik kon geen woord meer uitbrengen. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt.”

Geestelijk sterk
Mirjam, moeder van twee kinderen, ging naar het ­conservatorium en werd sopraan en soliste van het Groot Omroepkoor. Samen met haar vader hield ze voordrachten en zanguitvoeringen over de geschiedenis van de Joodse muziek. In 2011 zong ze het herontdekte lied Waar Bleven de Joden van ons Amsterdam dat haar vader in 1947 had geschreven. ­

Waar zijn al de venters met fruit en met bloemen
en waar is de voddeman, die altijd kwam?
Waar zijn de tienduizenden hier niet te noemen?
Waar zijn toch de Joden van ons Amsterdam?

“Ik ben met mijn vader het hele land doorgereisd om ­overal op te treden, maar we hebben nooit meer over de oorlog gesproken. Niemand had zin in dat onderwerp.”

Suze ging als analist aan de slag in het laboratorium van de Sinai-kliniek (nu Sinai Centrum) in Amersfoort en werkte 25 jaar bij het Wilhelmina Gasthuis, Binnen Gasthuis en AMC. “Ondanks de misère heb ik toch een mooi ­leven gehad. Ik heb een capaciteit tot geluk. Het was ­natuurlijk ook heel fijn om na de oorlog weer als gezin ­samen te leven.”

Mirjam: “We zijn altijd heel hecht gebleven, ook door de ellende die we hebben meegemaakt. We zijn geestelijk sterk. Als je de verschrikkingen van het kamp overleeft, ben je oersterk. Het was een warm gezin ook. Mijn vader zei: ik ben in A grote terts getrouwd, met drie kruizen.”

 

via ‘Wij hadden geen geld om onder te duiken. Wij werden opgehaald’ – Amsterdam – PAROOL

Advertisements

Hoe een oude foto een herinnering letterlijk kleurt – Het Parool

Simone Hoang

Simone Hoang (35), die is geadopteerd, ontdekte iets vreemds aan de foto’s van haar biologische, Vietnamese familie. “Ik heb maar een paar spullen om hen te herinneren, waaronder een setje foto’s. Het viel me op dat de kleuren van de omgeving klopten, maar dat de gezichten van mijn familieleden bijna niet herkenbaar waren. Hun gezichten waren niet kleurecht, het waren weinig gedetailleerde, donkere vlakken. Ik wilde uitzoeken hoe dat kwam.”

Aangemoedigd door Wende Wallert, conservator van de kunstcollectie van de Vrije Universiteit en tentoonstellingsmaker, diepte Hoang dat onderzoek uit. In de hal rondom de aula van de VU zijn twee keer per jaar tentoonstellingen waarin kunst en wetenschap worden gecombineerd. De vorige tentoonstelling ging over geur in de kunst; dit weekend opende een expositie over kleur. De aanleiding is het onderzoek van Wil Uitgeest, die in 2016 bij de faculteit der Godgeleerdheid promoveerde op de werking van kleuren, dus hoe kleuren zich gedragen en hoe we ze ervaren.

Voor de groepstentoonstelling vroeg Wallert vijf hedendaagse kunstenaars om het proefschrift (of een samenvatting) te lezen en er met hun kunstwerken op te reageren. De werken van Steven Aalders, Simone Hoang, Kianoosh Motallebi, Karin Trenkel en Rutger de Vries gaan allen over de ervaring van kleur.
Hoang koppelt in haar werk herinneringen aan kleur. Wallert had Hoang benaderd naar aanleiding van een solotentoonstelling vorig jaar bij galerie Fontana, waarin zij geur middels fotografisch materiaal zichtbaar maakte. “Geur verdwijnt, maar ik geloof dat als je geur omzet in een visuele vorm, je die herinnering ook kunt vasthouden.” Hiertoe ontwikkelde zij filmrolletjes in baden parfum. Het filmrolletje dat uit het bad met Dolce & Gabbana Light Blue kwam, was opvallend genoeg eerder rozig dan lichtblauw. In haar nieuwe serie laat ze zien hoe oude foto’s herinneringen kleuren – letterlijk.

Want waarom klopte de huidskleur van haar biologische familie niet in de foto’s? Hoang las dat de eerste kleurennegatieven van Kodak, de Ektacolor en de Kodacolor, drie kleuren slecht konden vastleggen: bruin, rood en geel. En dat zijn nou net de kleuren die essentieel zijn om verschillende huidskleuren goed weer te kunnen geven. Witte huid oogt natuurlijk, maar bij een getinte huid ging het mis.

“Kodak noemde de Ektacolor ‘normaal’, en dat vond ik interessant, omdat de fabrikant daarmee de norm bepaalt. Als je naar een foto kijkt, wil je geloven dat je een natuurgetrouwe weergave ziet van wat zich voor de lens afspeelde, maar in oude foto’s klopten sommige kleuren dus niet. De fabrikant bepaalt hoe je die wereld ziet en herinnert.”

Bruin, rood en geel zaten wel in de negatieven, maar kwamen er bij het standaardontwikkelproces van Kodak niet goed uit. “Ik denk dat in de jaren veertig en vijftig hun meeste klanten wit waren, en de kleuren zodanig waren afgesteld om hen zo goed mogelijk vast te leggen. Nadat chocoladefabrikanten en meubelmakers aan de bel hadden getrokken dat bepaalde tinten niet goed uitkwamen, heeft Kodak het procedé verbeterd. Maar bruin, rood, en geel blijven moeilijke kleuren om vast te leggen. In mijn werk wil ik Kodak niet verwijten dat zij bepaalde groeperingen buitensloten, wat mij vooral raakt is dat we in het begin gekleurdheid niet goed met kleurenfilm konden vastleggen.”

In de donkere kamer legde Hoang onbelichte rolletjes Ektacolor uit de jaren vijftig in een zuur dat ervoor zorgde dat alle kleuren die in de emulsielagen van het negatief besloten zaten naar voren kwamen. Vervolgens haalde ze die kleuren middels een scheikundig proces uit elkaar. In de VU hangen drie afdrukken, vergroot tot een menselijke maat, van de ‘moeilijke’ kleuren bruin, rood en geel. “Ik heb de materie ontleed en laat nu zien wat je daarvoor niet kon zien. Met die ongeziene kleuren wil ik bezoekers bestaand materiaal op een andere manier laten waarnemen: zo kun je ook naar kleur kijken.”

Colourbomb, t/m 1/5 in VU-expositieruimte rondom de Aula, VU-hoofdgebouw, De Boelelaan 1105.

via Hoe een oude foto een herinnering letterlijk kleurt – Het Parool

The age of uncertainty: chaos theorist Nassim Nicholas Taleb reveals how to survive the Trump era | The Sunday Times Magazine | The Sunday Times

With his “black swan” theory, the bestselling author predicted the 2008 financial crash — and made a tidy fortune. A decade on, he tells Josh Glancy why the experts have got it wrong again on Trump, Brexit, everything…

The Sunday Times, 

From reading his books, I expected Nassim Nicholas Taleb to be angry, obnoxious and vitriolic. I was anticipating a man who would preach endlessly about how stupid everyone else is and how brilliant his ideas are. Someone who would flaunt his habit of making eerily precise speculations about the world and raking in millions of dollars in the process.

That’s exactly who I got. And yet I liked Taleb from the moment he turned up to tea at a New York hotel, looking like a hench Salman Rushdie, sporting a Lenin beard, Steve Jobs black poloneck and furry hat to protect him from the chill Atlantic wind gusting down the Manhattan canyons.

The 57-year-old bestselling author and derivatives trader is a jumble of paradoxes: rude but charming, arrogant but humble, bumptious but suave, angry but strangely cuddly. He is also fascinating company. Even when you’re convinced he’s dead wrong, which is fairly often, you can be certain you’re in the presence of a unique mind.

Famous for his bestselling book The Black Swan, which explained how unpredictable events can have cataclysmic consequences, Taleb spoke for a full two hours, pausing only to sip coffee and point to the odd graph on his laptop. He emits an idiosyncratic and unstoppable discourse, full of earthy anecdotes and high-classical references, withering put-downs and polite inquiries. Even as we stepped outside to hail cabs, he was still gushing away about tail risks and the iniquities of Plato. It is what Christopher Hitchens used to call “a feast of reason and a flow of soul”.

We are in a head-spinning political moment. And if you want to better understand populism, Trump, Brexit and the anti-establishment backlash — events that have left many self-appointed savants scratching their heads — then Taleb, of no party or clique, is your man. He is the anti-intellectual’s intellectual. The expert on why experts are useless. A thinker for uncertain times. He says his latest book, Skin in the Game, “came out of the ribs” of Antifragile, his last volume, published six years ago. It is the fifth in his “Incerto” collection, or what Taleb rather grandly calls his “corpus”, which has now evolved into a comprehensive text on how best to live in a world ruled by chance.

Incerto started for Taleb as a theory about trading, how the market underprices improbable “black swan” events that can only be explained retrospectively. Published in 2007, The Black Swan made him famous when the stock market crashed the following year. We hadn’t accounted for risk properly, instead building overly complex systems that were fragile to big shocks. Taleb had quite literally told us so.

Fascinating company: Nassim Nicholas Taleb
Fascinating company: Nassim Nicholas TalebGETTY

The Lebanese-American trader is known for putting large wads of his money where his equally big mouth is. His speculation has made him “f*** you rich”. When the market crashed in 1987, he raked in his first fortune. When the financial crisis came in 2008, the volatility made him even wealthier. And when he came out in favour of Brexit, he made sure to buy a “huge” quantity of sterling, which he believes is on its way back up. “If you’re making a statement, then you always have to have something at risk” — skin in the game. “Otherwise, you are just a bullshit vendor.”

There is no greater insult in the Talebian mind than that. In his new book, he divides the world into people who have “skin in the game” — cab drivers, butchers, waitresses, Spanish grammar specialists, almost everyone, in fact — and then the dreaded “BS vendors”. These are people who “mentally masturbate” about things they barely understand — strategists, consultants, policy wonks, public intellectuals, bureaucrats, newspaper columnists and, worst of all, economists.

Taleb refers to these people disparagingly as “interventionistas” and “fragilistas” — naive rationalists who believe that an infinitely complex and often random world can be ordered effectively from the top down. They are a small but influential cadre of privileged elites, with no skin in the game, nothing real at stake, who gleefully tell us how to live our lives and run our countries. And if Taleb has anything to do with it, they are going out of fashion very fast.

GETTY

Take what he calls the “Bob Rubin trade”. Robert Rubin, a former US secretary of the treasury who earned more than $120m advising Citibank in the 10 years leading up to the financial crisis in 2008. “When the bank, literally insolvent, was rescued by the taxpayer, he didn’t write any cheque. He invoked uncertainty as an excuse,” Taleb writes. “Heads, he wins; tails, he shouts ‘Black Swan’. Nor did Rubin acknowledge that he transferred risk to taxpayers.”

Rubin is what Taleb has previously described as “antifragile”, someone who doesn’t just withstand volatility and wild fluctuations, but actively benefits from them. The problem is that it comes at a cost to everyone else. Rubin was able to walk away from the crash because he had none of his own money on the line — the bill was later presented to taxpayers, who had to bail out the banks.

People without skin in the game can be a danger to all. For example, in Taleb’s view, hedge funders are fine, because they tend to have their own money invested, but bankers who are underwritten by the public and paid bonuses regardless are a disaster. Heads, they win. Tails, you lose. “Antifragility is good,” Taleb says, “as long as you don’t steal it.”

Taleb believes it is these smug, lecturing, nurse-knows-best elites, who seem to win even when they are wrong, that paved the way for a populist backlash and a know-nothing president. “The role of these people swelled under Clinton, Bush, Obama, Tony Blair and that other one …” he says, “Tony Brown”. Does he mean Gordon Brown? “Yes. Beautiful personality, but wrong.”

Mr Antifragile: Taleb hits the gym for intense bursts of weight training. The regime reflects his theory that you can benefit from sudden disruptive events
Mr Antifragile: Taleb hits the gym for intense bursts of weight training. The regime reflects his theory that you can benefit from sudden disruptive events

I’m reminded of Michael Gove’s famous pre-Brexit line that the British people “have had enough of experts”. Taleb loves it. In his view, there are real experts, usually in something very specific, and those who claim to understand things well beyond their ken. “It’s macro versus micro,” he says. “You can be an expert at making goulash, but if you’re an expert at, say, predicting how the British economy would respond to leaving the European Union, then you’re probably a BS vendor.”

Unsurprisingly, then, Taleb fully supports Britain leaving the EU, which he believes is a “fundamentally stupid” concept. As for Trump, he may lack “statesmanship, decorum, gravitas”, but Taleb likes some of his ideas, such as tax cuts and deregulation. “He behaves like a New York brat, but look at the whole package. He has other attributes.” Anything is better than Hillary Clinton in Taleb’s view. “I like the idea that someone rich goes into government,” he says. “Rather than someone goes into government and gets rich, like the Clintons and Obama, who got $65m for his book.”

Being something of an intellectual flamethrower, Taleb delights in naming and shaming his prime BS culprits. He likes lists, so we make one, starting with the World Economic Forum in Davos, which is “full of show-offs without skin in the game”, he says. “I went to Davos once, in 2009, when I was famous for six months after Black Swan. I was disgusted.”

What about Harvard Business School? “Garbage!” he cries, warming to his task. “Business schools in general, and I am a graduate of one [Wharton], are a way for universities to raise money. The professors know basically nothing about business.”

How about McKinsey, the consultancy that will guide David Davis through nearly 800 Brexit-related plans? “Inverse skin in the game.”

TED Talks? “Just garbage. Robbing scientists of their dignity and making them dance on stage.”

The French philosopher and action man Bernard Henri-Lévy? “I hate BHL. I know him personally. He represents everything I dislike in life.”

Goldman Sachs? “Masters of the Bob Rubin trade. A bankruptcy at Goldman Sachs would be very helpful for the world.”

What about the pollsters, such as Nate Silver’s FiveThirtyEight website or YouGov? “Garbage”, again. “They aren’t rigorous,” he says, pulling out a paper he wrote debunking Silver’s methods.

He reserves his most pungent ire for two men in particular: Steven Pinker and Richard Thaler, accusing both of fundamental mathematical errors. The former is a psychologist who has argued that the world is becoming less violent. The latter is a Nobel prizewinning economist and co-creator of the “nudge” theory that was in vogue during the David Cameron years. For a while, Taleb was pally with Cameron and his policy brains, Steve Hilton and Rohan Silva, talking localism and decentralisation. But he was put off the Cameroons when they also showed an interest in Thaler. He saw Thaler at Silva’s wedding, but avoided shaking hands because he considers him “wrong and evil”, he says with typical understatement. “I loved Steve Hilton’s ideas until I saw that f*** [Thaler] and all the nudge.”

I wonder where Taleb’s softly spoken rage comes from. “If I’m allergic to someone, there’s a fuse that blows,” he says. There are some people who he will take the time to disagree with, say Plato or Karl Popper, and others, such as Thaler and Pinker, who are, he believes, so lacking in the necessary rigour that they aren’t worth his time. “There are those who are wrong, and those who are not even wrong,” he says. “Oh, and those who are not proven wrong yet.”

It’s more than just an intellectual allergy, though: Taleb abhors elitism in a visceral way that leads him into straw-man hyperbole and tub-thumping defiance. He refuses to eat in Michelin-star restaurants, preferring “freshly made pizza” instead. He eats burgers not fillet steaks. Despite speaking about eight languages, he is suspicious of “eloquence” and refuses to allow any serious editing of his books, which accounts for his rather homespun writing style. He refused an advance for his last book, because he feels more “morally free” without one. He loathes what he calls the “average bien-pensant Cambridge don”, who preaches liberal universalist values, but would never be seen dead “hanging out with Pakistani cab drivers or lifting weights with Cockney speakers”, something Taleb says he does regularly.

The vitriol, it seems, is rooted in his life experiences. First, as a trader, despising regulators whose sole aim is to “f*** with you”. And before that, as a child who lived through the Lebanese civil war, when he saw just how fragile and risky the world can be.

“I am a child of war,” he says. “I had the blood of people hit by mortar shells on my shirt. I was lifting and carrying, taking them to the car because there were not enough ambulances to go to the hospital. Some died. I witnessed these things.”

Many would have recoiled from these experiences with post-traumatic stress and a firm belief in the ills of tribalism. Taleb believes the opposite, that tribalism is fine as long as people are left to sort outtheir own problems, without interventions and foreign-imposed peace treaties. And his brutal childhood, he says, gave him “post-traumatic growth”, which he says is much more common than PTSD. “I often wonder if it helped me,” he says. “I don’t think about it much, and when I do it’s not necessarily negative. I don’t sweat.”

Taleb is from a prominent Greek Orthodox family that has lived in the Koura Valley, in northwest Lebanon, for “1,300 years”. They fled the war for France when Taleb was a teenager. He then moved to America aged 21, working his way through business school and 21 years as a derivatives trader on Wall Street. “I felt an immense pressure to succeed,” he recalls. “It was back-to-the-wall, gotta fight.” He is semi-retired from trading, but still gets drawn back to the action. “I’m addicted to risk,” he says.

Really, Taleb is what you might call a very wise crank. He exercises only occasionally but with vicious intensity, deadlifting heavy weights in the gym. He spends up to seven hours a day obsessively doing maths, for no real purpose other than “mental hygiene”. His favourite political figures are Ralph Nader and Ron Paul, also cranks.

Taleb’s deepest obsession of all, though, is freedom, which makes America the right country for him. “I’ve been poor and rich,” he says. “My behaviour didn’t change much. People think that because you’re rich, you’re free. I think it’s because I’m free that I’m rich.”

Many rich people, in his view, are slaves. “Take Michael Bloomberg. I’ve never seen anyone more paranoid about his image, and the guy is a billionaire. Some people are made to not be free. The blue-collar guys I lift weights with, they’re free.”

People say you shouldn’t meet your heroes, which is rubbish, but the opposite maxim is undoubtedly true — you absolutely should meet those you suspect of being villains. I was wary of Taleb, and I still think his anti-elitist bile is overblown and at times obnoxious. But I’d have tea with him again in a heartbeat.

“The best thing is to be known as an asshole publicly and a nice guy in private,” he smiles as he gets the bill. “I’m a sinner, I’ve sinned. But I prefer to be viewed as a sinner from the outside and saint from the inside.” That, apparently, is true freedom.
EXCLUSIVE EXTRACT: SKIN IN THE GAME

A confession. When I don’t have skin in the game, I am usually dumb. My knowledge of technical matters, such as risk and probability, did not initially come from books. It did not come from lofty philosophising and scientific hunger. It did not even come from curiosity. It came from the thrills and hormonal flush one gets while taking risks in the markets. I never thought mathematics was something interesting to me until, when I was at Wharton (business school), a friend told me about financial options and their generalisation, complex derivatives. I immediately decided to make a career in them.

It was a combination of financial trading and complicated probability. The field was new and uncharted. I knew in my gut there were mistakes in the theories that used the conventional bell curve and ignored the impact of the tails (extreme events). I knew in my gut that academics had not the slightest clue about the risks. So, to find errors in the estimation of these probabilistic securities, I had to study probability, which mysteriously and instantly became fun, even gripping.

When there was risk on the line, a second brain in me manifested itself, and the probabilities of intricate sequences became suddenly effortless to analyse and map. When there is fire, you will run faster than in any competition. When you ski downhill, some movements become effortless. Then I became dumb again when there was no real action. Furthermore, as traders, the mathematics we used fitted our problem like a glove, unlike academics with a theory looking for some application — in some cases, we had to invent models out of thin air and could not afford the wrong equations. Applying math to practical problems was another business altogether; it meant a deep understanding of the problem before writing the equations.

Extracted from Skin in the Game: Hidden Asymmetries in Daily Life by Nassim Nicholas Taleb. Published on Tuesday (Allen Lane £20)

via The age of uncertainty: chaos theorist Nassim Nicholas Taleb reveals how to survive the Trump era | The Sunday Times Magazine | The Sunday Times

Book review by John Carey: Enlightenment Now: The Case for Reason, Science, Humanism and Progress by Steven Pinker | Culture | The Sunday Times

Steven Pinker: he believes reason can replace religion
Steven Pinker: he believes reason can replace religion
VICTOR J BLUE/GETTY
The Sunday Times, 

Steven Pinker’s new book is not an easy read, and that is regrettable because he is vastly well informed on subjects that affect us all. The problem is largely one of presentation. He does not have the gift of brevity, and repeats what is essentially the same argument in chapter after chapter, assuring us with dismaying frequency that he will return to the topic under discussion more expansively later on.

In his previous book, The Better Angels of Our Nature (2011), he demonstrated that violence and the conditions that promote it have decreased over the course of history. Enlightenment Now catalogues other aspects of life that have improved. Humans live longer and are healthier, better fed and less subject to natural and unnatural disasters than ever before. Epidemic disease, famine, infant mortality and death in childbirth have declined. Literacy and education, for girls as well as boys, are more widespread.

So is democracy. Two centuries ago only a handful of the world’s countries were democratic. Now, two thirds are, and as a result discrimination against minorities, women and gays is steadily declining. The world is about 100 times wealthier than it was two centuries ago, and Pinker produces graphs to show that prosperity is becoming more evenly spread across most developing, as well as developed, countries.

Take a pew: almost 60% of people worldwide call themselves religious
Take a pew: almost 60% of people worldwide call themselves religiousALAMY

He does not ignore the downside: 10% of the world’s population still lives in extreme poverty, and humanity faces two colossal challenges, climate change and the possibility of nuclear war, that could lead to its extinction. Nevertheless he remains hopeful, and believes that we must put our trust in reason and science.

These, together with the abandonment of religion and other kinds of superstition, were, as he sees it, the guiding principles behind the 18th-century Enlightenment, which first set us on the path to improvement. Science powered the industrial revolution, which allowed humanity to escape from poverty, and in the 20th century it produced the green revolution that fed the world using high-yield crop varieties and chemical fertilisers.

He believes that the spectre of a population explosion has now vanished. Global population increase will “probably” fall to zero by 2070, partly because better-educated women have fewer children, and science will go on inventing ways of upping food production. He concedes that climate change may cause a worldwide water shortage, but trusts that science will come up with carbon-free energy sources (hypothetical nuclear reactors that consume their own waste, for example), which will allow us to desalinate the oceans.

Meanwhile the Enlightenment perception that trade and commerce are less wasteful forms of international contact than warfare has at last filtered through to the world’s leaders, and Pinker is confident we shall not see any more world wars, though small local conflicts might persist for a time.

With so much to be cheerful about humanity has, in his view, shown scant gratitude for the improvements engineered on its behalf. Americans are particularly disappointing. Less than a third of Americans rate themselves “very happy”, and this proportion has not improved since 1947, though wealth has much increased.

American women have become unhappier, despite the benefits showered on them, and 40,000 Americans kill themselves every year. Pinker takes a stern view of such defeatism. “When it comes to happiness many people are underachievers,” he warns. He blames the media, which give more prominence to bad news than good, and academics, who delight in prophesying doom.

He recognises, of course, that some people find a life of mere material welfare empty, and mourn the deeper sense of purpose that religion gave. But he has no sympathy with these backsliders, and is disappointed that religion survives. Polls show that 59% of the world’s population (including 60% of Americans) still identify themselves as “religious”, with Muslims showing the largest percentage of “strongly religious” people (82%). Since he also estimates that the Muslim percentage of the world’s population will rise from 23.2% in 2010 to 29.7% by 2050, his confidence that religion will die out may be premature.

An oddity of his thought is that he believes reason can replace religion. He recalls a lecture in which he set forth his materialistic world-view, and afterwards a student put up her hand and asked: “Why should I live?” His reply was that her reason should tell her that she had a responsibility to provide for others what she expected for herself. It is not clear why reason should give her this dutiful message, rather than telling her that, since life is a battle, she should lie and cheat to make sure of winning it. That would be a perfectly rational response, whereas Pinker’s more pious version would need to come from her conscience, or whatever that is now called, rather than from her reason. It seems likely the benevolent humanism Pinker finds in the Enlightenment came from the same source, not science, which is amoral, nor from reason, which has no inbuilt moral component.

Ride and reason: Gulliver Addressing the Houyhnhnms by Sawrey Gilpin, 1769
Ride and reason: Gulliver Addressing the Houyhnhnms by Sawrey Gilpin, 1769ALAMY

His interpretation of Enlightenment reason contrasts interestingly with Jonathan Swift’s in the fourth book of Gulliver’s Travels, where Gulliver finds himself in a land of intelligent horses, called the Houyhnhnms. These perfectly rational creatures never feel sexual love, which is patently irrational, but accept mates selected for them by the community on rational grounds. As preference for one’s own offspring is also irrational, they have no affection for their foals, but readily give them away if another couple proves barren. Genocide for rational ends is quite acceptable to them, and they calmly debate the complete extermination of the Yahoos (their name for the human race). Swift was an Enlightenment product, but he seems to have had a keener awareness than Pinker of the limitations of reason. He was also, of course, a Christian.

None of this invalidates Pinker’s book. It brims with fact and challenge, and is worth finishing if only to enjoy his tirade against President Trump, the antithesis of everything he holds dear.

We’re safer now
Despite our fears over terrorism, we are living, Pinker insists, in “the safest time in history”. Deaths in plane crashes, for instance, have fallen a hundredfold since the 1970s, and pedestrian fatalities in the US are about 5,000 a year now, compared with 15,500 in 1937, when there were far fewer cars. Even acts of God have less impact. “Thanks to urbanisation and to advances in weather prediction” and other factors, Americans are 37 times less likely to die from lightning strikes today than in the early 20th century.

Allen Lane £25 pp576

by John Carey

via Book review: Enlightenment Now: The Case for Reason, Science, Humanism and Progress by Steven Pinker | Culture | The Sunday Times

Nietzsche in tien vrolijke lessen

Deze week verscheen een nieuwe vertaling van Nietzsches belangrijkste boek: De vrolijke wetenschap. Ruim een eeuw oud, maar ook de moderne mens kan er nog een hoop van leren.

De Volkskrant
Martine Prange
17/2/18

1.
Liefde: leren liefhebben van de omgeving – Heb de ander lief. Nee, niet als Bijbels gebod. Niet al je naasten, niet heel de mensheid. Dat is voor Nietzsche een te abstract fenomeen. Anderen en je omgeving liefhebben is een kwestie van dagelijkse training: probeer met een warm oog je omgeving te beschouwen en lief te hebben (VW 334). Ook beter voor de wetenschap (zie onder).

2.
Wetenschap: wetenschap moet niet bedreven worden als iets koels en ernstigs, maar met warmte en betrokkenheid. Wetenschappers moeten zich laten leiden door hun intellectuele geweten (VW 2; VW 335) en vrolijk zijn.

3.
Kunst: goede kunst is de stilering van een overvloed aan levenslust en de botsing van verschillende artistieke opvattingen (VW 370). Zie ook: Dionysisch pessimisme en stijl.

4.
Stijl: ook je eigen persoonlijkheid moet je stijl geven, als ware je zelf een kunstwerk. De uitdaging voor individuen is de overvloed aan levenslust en de strijd tussen verschillende culturele normen en opvattingen (wat Nietzsche later ook ‘wil tot macht’ noemt) te stileren tot een eenheid, een nieuwe stijl die als standaard en toetssteen zal fungeren van alles wat daarna komt (VW 290).

5.
Dionysisch pessimisme: versus Romantisch pessimisme. Het Romantische pessimisme wijst het leven af. Het Dionysisch pessimisme weet ook wel dat het leven absurd en zinloos is, maar stelt dat de uitdaging voor de mens is het desondanks te omarmen en lief te hebben (zie: amor fati).

6.
Amor fati: ‘houd van je lot’ of ‘de liefde tot het lot’ (daar zijn hele discussies over in de Nietzsche-literatuur). Het gaat niet om het accepteren van je leven, alsof je je fatalistisch neerlegt bij je lot, want het is nu eenmaal wat het is, en beter zal het niet worden. Het is je leven omarmen alsof je het zelf zo gewild hebt (VW 276). Zie ook: eeuwige terugkeer van het gelijke.

7.
Eeuwige terugkeer van het gelijke: dit is geen metafysica (althans, niet in dit boek, in Aldus sprak Zarathustra wel), maar een ethische imperatief: leef je leven zo dat je op de vraag of je het precies weer zo zou willen, hartgrondig ‘ja’ kunt zeggen. Dat wil niet zeggen dat je alles even leuk hebt gevonden, maar dat er in elk geval één ogenblik in je leven was dat al het andere (dat er nu eenmaal noodzakelijk aan voorafging en er noodzakelijk uit voortvloeide) de moeite waard maakte (VW 341).

8.
Dood van God: God is dood – we ervaren een terugkeer van religie in deze neo-Romantische tijd, waarin iedereen weliswaar met zijn blote voeten in de aarde wil staan, maar ook met zijn hoofd in de hemel wil zweven, het liefst de zevende. Maar God is echt dood. We zullen er dus zelf iets van moeten maken. Daarover niet getreurd: het is inderdaad zeer tragisch, maar het opent ook nieuwe horizonten en een grote vrijheid, bijvoorbeeld om zelf te denken (VW 125, VW 124, VW 343. Zie ook: denken).

9.
Denken: kost tijd. Tegenwoordig denkt men met ‘het horloge in de hand’, schrijft Nietzsche. Ofwel: men denkt niet meer, er is alleen nog verstrooiing. Filosofie en wetenschap moeten weliswaar vrolijk zijn voor Nietzsche, maar de lichtheid die hij bepleit is gericht tegen de ‘geest der zwaarte’ van Kant, Schopenhauer en Wagner, die een knieval maakten voor de moraal en daarmee uiteindelijk ‘het morele geweten’ voorrang gaven boven het intellectuele geweten. Vrolijk- en lichtheid betekenen ‘lichtvoetig’ en niet ‘leeghoofdig’. Pak dit boek op, voor een dosis vrolijke, humorvolle, speelse doch ernstige filosofie als otium en bellum (VM 329. Zie ook: Vrolijke wetenschap).

10.
Vrolijke wetenschap: kun je alleen ontwikkelen door ‘als een hagedis’ in de zon te luieren aan de Middellandse zee. Véél otium dus. Gooi De vrolijke wetenschap in een koffer en ga als de wiedeweerga naar Genua, waar Nietzsche dit boek schreef. De vrolijke wetenschap is namelijk ook een ode aan de Mediterranée, een echt ‘zuidelijk’ boek, geschreven ‘in de taal van de dooiwind’ (zie voorwoord).

Martine Prange is hoogleraar filosofie van mens, cultuur en samenleving aan Tilburg University en Nietzsche-kenner. Over Nietzsche schreef zij de boeken Lof der Méditerranée: Nietzsches vrolijke wetenschap tussen noord en zuid (Klement, 2005) en Nietzsche, Wagner, Europe (Walter de Gruyter, 2013).

Friedrich Nietzsche: De vrolijke wetenschap
Uit het Duits vertaald door Hans Driessen. Vantilt; 352 pagina’s; € 22,50.

https://www.volkskrant.nl/boeken/leer-nietzsche-kennen-in-tien-vrolijke-lessen~a4570071/

Dancing with Nietzsche

If we affirm one single moment, we thus affirm not only ourselves but all existence. For nothing is self-sufficient, neither in us ourselves nor in things; and if our soul has trembled with happiness and sounded like a harp string just once, all eternity was needed to produce this one event—and in this single moment of affirmation all eternity was called good, redeemed, justified, and affirmed.

Nietzsche
The Will to Power

Turin, January 1888—a dreary month, even in Italy. Candida Pino is doing her rounds of the inn she keeps with her husband, Davide. She hears odd noises coming from the room of one of her lodgers. She knows she shouldn’t, but curiosity gets the best of her—she leans down and peers into the keyhole. Inside, she sees a naked man prancing around in a state of rapturous ecstasy. Who is this wild dancer? You know him as the guy who said “God is dead.”

Actually, what he said was, “If they want me to believe in their God, they’ll have to sing me better songs… I would believe only in a God who knows how to dance.” It’s shocking, right? Nietzsche, that gloomy nihilist, frolicking around naked, on the hunt for “fellow revelers [to] lure into secret alleys and dance floors”? If you’re like most people, you think of him more as Debbie Downer than blissed-out Brahmin—thank you, brooding undergrads and tortured denizens of the solemnity-is-a-prerequisite-for-seriousness world. Campus clichés notwithstanding, this perception has mostly to do with Nietzsche’s anti-Semitic sister who, after her brother’s death, deliberately isolated his ideas from their context in service of ideologies to which Nietzsche himself had no affinity. Sure, by quoting selectively, it’s possible to see him as a sinister anti-democrat. But Nietzsche’s infamous Übermensch is not a hateful SS officer; he’s a somersaulting “free spirit” who has learned to rise above the staid morality and depressing herd-thinking of the masses. “Learn to laugh at yourselves,” exhorts Nietzsche, “as you ought to laugh!…Though there be on earth swamps and thick melancholy, he who has light feet runs even across the mud, and dances as upon well-swept ice.”

Nietzsche’s philosophy is life-affirming, not nihilistic. His famous rejection of Christianity is not so much a rejection of Christian morals as Christian repressiveness, especially regarding the pleasures of the body. Instead of praying, advises Nietzsche, the best way to start the morning is “to think how one can give joy to at least one person that day.” How sad, then, that he exists in the popular imagination as such a party-pooper. Camus was right: “We shall never finish making reparation for the injustice done to him.”

But let’s try anyway, OK? Because, especially in this dismal geopolitical climate, we would all do well to take a page out of Nietzsche’s book. Though what, exactly, is a Nietzsche book? His works defy easy placement. Are they philosophical tracts? Plot-driven novels? Outpourings of manic energy? Whatever they are, they’re filled to the brim with dancing—dancing Dionysian revelers, dancing satyrs, dancing ladies and men and children of all stripe and color.

Nietzsche considered it folly to believe that the material body is a physical thing that exists independently of the mind or spirit. “Soul is only a word for something about the body,” he insists. Even thinking—philosophizing—is a physical activity: “thinking wants to be learned as dancing wants to be learned, as a kind of dancing.” His language, too, is physical—it sings, it shimmies, it flashes. It is full of color; it luxuriates in texture. “My style is dance,” said Nietzsche. “It plays with all kinds of symmetries then leaps over them and mocks them! That is true right down to the choice of vowels.” No surprise that this lover of bodily ecstasy should privilege the lyrical over the discursive. He wanted his words, like his Zarathustra, to move on light feet, to leap over their traditional limits, to transcend their conventional meanings. Consider the following passage—can you imagine anything like it from Kant or Hegel?

Be like the wind when it rushes forth from its mountain-caves: to its own piping will it dance; the seas tremble and leap under its footsteps. That which gives wings to asses, that which milks the lionesses: Praised be that good, unruly spirit, which comes like a hurricane… Praised be this spirit of all free spirits, the laughing storm, which blows dust into the eyes of all the dark-sighted and melancholic! You higher men, the worst thing in you is that you have, none of you, learned to dance as you ought to dance—to dance beyond yourselves! What does it matter that you have failed? How many things are still possible! So learn to laugh beyond yourselves! Lift up your hearts, you good dancers, high! higher! And do not forget good laughter!

Nietzsche’s own exposure to dancing seems to have come primarily through reading. He was a great lover of the Greek classics, declaring himself a “disciple of the philosopher Dionysus,” that mad, drunken hedonist. Whether he himself actually danced is a question to which there is no definitive answer. He certainly never studied dance as an art form, which at the time meant classical ballet. Maybe he danced folk dances as a boy while vacationing at his mother’s country estate; maybe he even learned social dances like the waltz as a university student. But dancing was no proper occupation for a Christian child, certainly not one intended to follow in his father’s footsteps as pastor of a Lutheran Church.

Besides, it doesn’t seem likely that Nietzsche would have been drawn to waltz or ballet. For him, dancing was a form of freedom—a far cry from the constraining movements of those formal dances. What’s more, he viewed it as an essentially solitary activity. For Nietzsche, virtue is something best elaborated in solitude; the virtues exemplified by the dancing Zarathustra are very much the virtues of a hermit. It’s much easier to imagine Nietzsche dancing alone in his Turin boarding room—spastically, euphorically—than to imagine him at a staid society ball.

He was, in any case, ill-suited to the activity. His health was extremely poor, and his energy often low. Many scholars have thus taken his exhortations to dance as metaphor—no, silly, he doesn’t mean it literally. But c’mon, someone who writes that beautifully about dancing has surely experienced its pleasures first-hand, especially someone so insistent on the flawed philosophical tendency to treat the intellect as separate from the body. This is, after all, the man who explicitly stated, “Every day I count wasted in which there has been no dancing.” Far more likely, in my opinion, is that people simply didn’t see him dance because he did it in private, alone. Several of his letters lend support to this theory.

Take, for example, a 1887 note to his friend Heinrich: “This morning I am enjoying an enormous benefit: for the first time a ‘fire-idol’ stands in my room—a tiny stove—and I confess that I have already performed a few heathenish hops around it.”

This is how I like to imagine him—alone in the mountains, performing heathenish hops like his great hero, Zarathustra. And who is to say this image is false? When Signora Pino saw Nietzsche dancing naked through the keyhole, she summoned a local doctor to examine him. “Pas malade! Pas malade!” cried the philosopher—French for “not sick.” This incident is usually considered the beginning of Nietzsche’s notorious descent into madness, but the patient himself teaches us how to read it more accurately: “and those who were seen dancing,” he writes, “were thought to be insane by those who could not hear the music.”

Jenna Krumminga is a freelance writer based in Berlin and New York. She received an MFA in Creative Writing from the University of Virginia and is currently enrolled in a doctoral program in History at the CUNY Graduate Center.

by Jenna Krumminga · July 28, 2015

via Dance Lessons with Nietzsche

Aurelia Brouwers (1988-2018)

Aurelia Brouwers (1988-2018) kampte jaren met geestelijke problemen. Ze oogstte respect én woede met haar openlijke euthanasiewens.

NRC
Danielle Pinedo

Het was een wat kleurloos verkiezingsdebat, vorig jaar maart in Zwolle. Politici spraken anderhalf uur lang over integratie, vluchtelingen, arbeid en zorg. Tot een jonge vrouw het woord nam. Ze zei dat ze psychiatrisch patiënt was. En dat het in de psychiatrische zorg „heel erg mis gaat”. Wisten de sprekers dat wel?

Schrijver Özcan Akyol, die het debat leidde, vroeg of ze een voorbeeld kon geven. De vrouw vertelde dat zij onlangs uren onderkoeld in een bos had gelegen. „Ik wist niet meer wie ik was, hoe oud ik was en hoe ik heette.” Een ambulance had haar naar het politiebureau gebracht, maar de crisisdienst stuurde haar nog diezelfde avond naar huis. „Wegens bezuinigingen.”

De vrouw was Aurelia Brouwers. Twee weken geleden kreeg ze euthanasie wegens ondraaglijk psychisch lijden – iets wat relatief weinig voorkomt. Van de 6.091 mensen die in 2016 euthanasie kregen, hadden zestig een psychiatrische achtergrond, volgens de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie.

Aurelia genoot landelijke bekendheid omdat zij via sociale media openhartig schreef over haar euthanasiewens. Daarmee oogstte zij respect én woede. Aurelia was een voortrekker in de mondiale euthanasiebeweging, maar zij werd ook geconfronteerd met een petitie, ondertekend door tienduizend mensen, om haar van euthanasie te weerhouden.

Door haar persoonlijke benadering van een gevoelig thema werden mensen aan het denken gezet, zegt Bart Bouwman, voorzitter van het CDJA in Overijssel. Aurelia woonde in Deventer en was actief CDA-lid. Ze bezocht partijbijeenkomsten – vaak in groene CDA-shawl. Bouwman: „Daar deelde zij haar ideeën over hulpverlening en euthanasie. Maar nooit op een drammerige manier. Door over zichzelf te vertellen, maakte ze problemen bespreekbaar. Het werd niet politiek.”

In Het meisje met de schaar. Dagboek van een krasser (2011) vertelt Aurelia haar levensverhaal. Ze werd geboren in een gezin met lieve ouders, die haar „een stabiele basis” gaven. „Ik was een vrolijk kind, slim volgens iedereen en erg levendig”, schrijft ze. De geestelijke problemen die ze vanaf haar veertiende ontwikkelde, kwamen voor velen als een schok.

Aurelia was nog een baby toen ze met haar ouders naar Duitsland verhuisde. De sfeer onder kinderen op school daar was hard. Als hoogsensitief en invoelend kind – haar woorden – leed ze daaronder. Ze piekerde veel, schrijft ze. „Ik begin na te denken over alle mensen die op een gruwelijke manier zijn vermoord in de oorlog. De joden in de Tweede Wereldoorlog, mensen in de Vietnamoorlog en de vrij recente oorlog in de Balkan. In mijn gedachtes voel ik de angst van slachtoffers. Ik rijd mee in de treinen naar Auschwitz en sterf in de gaskamers.”

Ook haar perfectionisme en geldingsdrang zaten Aurelia in de weg. Als ze een taak niet uitmuntend uitvoerde, stelde ze voor haar gevoel niets voor. „Ik strafte mezelf al op jonge leeftijd”, schrijft ze. „Dat deed ik door mezelf dingen te ontzeggen die ik graag wilde. Als ik bijvoorbeeld zin had in cola, nam ik expres geen cola. Had ik zin om met poppen te spelen, dan pakte ik een boek.”

Belangrijk lijkt de dag dat Aurelia naar een gesprek over de dood luistert, tussen haar ouders en een paar vrienden. Ze is dertien en raakt bevangen door angst, schrijft ze in haar boek. „Wat heeft het leven nog voor zin als we toch allemaal doodgaan, als ons lichaam vergaat tot as en onze ziel voor altijd is verdwenen? Ik word bang voor het einde, elke seconde beangstigt me, want elke seconde betekent weer een seconde dichter bij de dood.”

Eenmaal terug in Nederland gaat Aurelia naar het Isendoorn College in Warnsveld. Ze is vijftien als haar mentor haar ouders uitnodigt voor een gesprek en aanraadt hulp te zoeken voor hun dochter. Met moeite haalt ze haar vwo-diploma.

In de jaren die volgen zal ze vele zelfmoordpogingen doen. Ze krijgt onder meer de diagnoses borderline, complexe en chronische posttraumatische stressstoornis, hechtingsproblematiek, obsessief-compulsieve stoornis en angststoornis. Het leidt tot een lange reeks behandelingen en medicamenten, waaronder beeldende therapie, groepstherapie, antidepressiva en antipsychotica. Zonder noemenswaardig resultaat.

Aurelia was kwetsbaar, zegt goede vriend Toon Krijthe. Hij typeert haar als „iemand die wel wat positieve aandacht kon gebruiken”. Maar Aurelia was volgens hem ook een krachtige vrouw met doorzettingsvermogen. Dat blijkt niet alleen uit haar optredens bij politieke bijeenkomsten, maar ook uit het feit dat ze het leven zo lang heeft vol gehouden. „Aurelia heeft altijd geroepen dat ze de 25 nooit zou halen. Toch is ze 29 geworden.”

Voor Aurelia was het leven een marteling, zegt Krijthe. Ze sleepte zich door ieder uur. En tegelijkertijd was ze „vreselijk creatief”. Aurelia schreef, breide en haakte. „Bij het leeghalen van haar huis zijn we even lang bezig geweest met de hobbykamer als de rest. Ik heb weleens tegen haar gezegd: eigenlijk heb je geen tijd om dood te gaan.”

Maar de meeste tijd stak Aurelia volgens Krijthe in haar missie: euthanasie voor mensen met psychische problemen bespreekbaar maken. Dat is een groot taboe, merkte hij tijdens hun twaalf jaar lange vriendschap. „Zeker als je jong bent. Jonge mensen horen gevoelsmatig niet dood te gaan.”

Dat maakte het niet makkelijk de euthanasie bij te wonen. Maar hij deed het toch, zegt Krijthe, want hij voelde dat zijn goede vriendin in een uitzichtloze situatie zat. „Aurelia wilde niet zozeer dood, ze wilde dat het lijden zou stoppen. Ze had alles geprobeerd. Geen behandeling hielp. Dat besef maakte het draaglijk afscheid van haar te nemen.”

Vorig jaar meldde Aurelia zich aan bij de Levenseindekliniek. Die gaf – samen met een onafhankelijke psychiater – begin december toestemming voor euthanasie. Een paar weken later volgde het akkoord van de SCEN-arts (Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland).

Vanaf dat moment streepte Aurelia op een whiteboard de dagen weg. Bij haar geplande sterfdag – 26 januari – stond in grote letters ‘euthanasie’, met een smiley erachter. „Dat was typisch Aurelia”, zegt Krijthe. „Ondanks alles een gevoel voor humor hebben en dat als houvast gebruiken.”

 

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/02/10/voor-aurelia-was-het-leven-een-marteling-a1591735